Zomerserie: Homo ludens

Vals spel

In 1938 beschreef Johan Huizinga het spel als oorsprong van alle cultuur en zag tegelijkertijd het spelen in zijn tijd hard achteruitgaan. Pas op voor valsspelers en spelbrekers.

Wat zit er, wat the fuck zit er? Wat is het, ik zie niks. Gewoon rennen, kom. Ik zie nog steeds niks. Hoezo zie je niets. Gewoon rennen, gooi er als het kan een ultra ball op.

Tientallen video’s op YouTube getuigen van de hysterie die een jaar geleden wereldwijd uitbrak, van de hartenkreten van horden mensen die toen massaal het hoofd lieten hangen, hun blik gericht op de mobiele telefoon in hun hand. Met ferme tred en gespannen gezichten stapten ze door het land, langs treinsporen en door beschermd duingebied, op jacht naar virtuele beesten. Hun zoektocht verstopte paden en wegen en hoewel het voor buitenstaanders mocht lijken of deze mensen de weg helemaal kwijt waren, zaten ze gevangen in een groot en onvoorspelbaar spel.

Een jaar na de introductie van Pokémon Go is het aantal actieve spelers gedecimeerd, maar nog steeds zijn miljoenen op jacht. Een recente nieuwe release moet het spel een nieuwe kant op sturen, iets met zeldzame eieren en meer team spirit. In een trailer vallen man en vrouw, jong en oud en zwart en wit elkaar in de armen na een gezamenlijke prestatie. De camera draait van een mierzoet gekleurd San Francisco naar een blauwe lucht, zoomt dan uit naar de aarde als wereldbol waar een paars gevleugeld draakje de ruimte in slingert. Het beest is verslagen.

De vraag is waar cultuurhistoricus Johan Huizinga zich op dat moment zou hebben bevonden. Boven op een duinpan, hoofdschuddend, of midden in de menigte, genietend van zijn gelijk toen hij in 1938 de eerste zin van een nieuw essay schreef: ‘Spel is ouder dan cultuur, want het begrip cultuur, hoe onvoldoend omschreven het ook mag zijn, veronderstelt in ieder geval menschelijke samenleving, en de dieren hebben niet op den mensch gewacht, om hen te leeren spelen.’

Op de kaft van Homo ludens: Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur staat een gouden cirkel met daarin drie gebogen mensenbenen, een triskelion, symbool uit oude culturen. Drie ballen die in de cirkel tussen de gespierde benen in liggen houden ze in beweging, schoppend, en zie hier de kern van Huizinga’s proeve: niet alleen de biologische verklaringen voor het fenomeen spelen – het aanleren van vaardigheden, het ontladen van spanning, het verkrijgen van macht – bepalen de talloze spelelementen in ons leven. Spelen ligt in de aard van het leven zelf en het is het spel dat het rad van cultuur draaiende houdt. Spelen geeft de mens bovendien iets gemeen met de dieren dat ons méér maakt dan we al zijn, in plaats van minder.

Johan Huizinga © Archivio Giovannetti / effigie / HH

Over de vraag of de cultuur in Kijkduin, vorige zomer Pokémon-hoofdstad van het land, met nieuw elan gevierd werd of juist een dieptepunt bereikte, valt te twisten. Feit is dat het mensen op de been bracht die anders binnen zouden zijn gebleven, in ieder geval niet samen waren gekomen. Aan de primaire voorwaarden voor een spel zoals Huizinga die omschreef was voldaan: het spel betreft een vrije handeling, als een ‘tooi’ op het natuurproces; het spel is overvloedig, alleen de lust zet ertoe aan; het spel is een uittreden uit het ‘gewone’ of ‘eigenlijke’ leven, het kent een begrenzing in tijd en plaats, het spel ‘speelt zich af’. Het spel mag wild zijn, maar moet zich binnen de grenzen van gemaakte afspraken voltrekken. En daar liep het spaak, in Kijkduin. De jagers waren gemarkeerd in hun omgeving, zoals ze daar liepen in hun optocht, als een onaangekondigd carnaval, maar hun gedrag was verder volstrekt ongeleid. Toen de energie uit hun telefoons leegliep ontmantelden ze lantaarnpalen als oplaadpunt: de hele wereld rekenden zij tot hun speelterrein.

A whole new ball game, moet Huizinga hebben gedacht. De reputatie van de hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Leiden als gezaghebbend cultuurhistoricus was gevestigd met Herfsttij der Middeleeuwen uit 1919, en Homo ludens kwam in 1938 voort uit eerdere studies van hem. Het beschrijft het spel als logisch vertrekpunt om naar cultuur te kijken, als mogelijkheid om voorbij te gaan aan biologische, psychologische en sociologische beoordelingen en daardoor geschikt om verre en oude culturen mee te bekijken. De universele opzet van het boek voert van het spelelement in onze rechtspraak tot aan trommelwedstrijden van eskimo’s en de ludieke aspecten van oorlogvoering door de tijd heen, een akelig hoofdstuk aan de vooravond van een wereldoorlog.

Het taalgebruik is precies en doet in de vele nuances die Huizinga ermee aanbrengt behoorlijk gedateerd aan. Meteen het tweede hoofdstuk is aan de kwestie taal gewijd, aan de etymologie van de woorden voor spel in het Grieks, Sanskriet, Chinees, die moet helpen bij het bepalen van de precieze plek van het spel in de grondvesten van de cultuur. Men speelt een spel, merkt Huizinga op, waaruit volgt dat spelen geen doen is ‘in den gewonen zin’. Mooi zijn de passages waarin hij stilstaat bij kwaliteiten die in het verlengde van het spel liggen als ‘macht’ en ‘trouw’ of ingaat op de relatie tussen de lach en de ernst. Je kunt spelen in ernst, zoals kinderen, voetballers, schakers en toneelspelers dat doen (‘De wilde, in zijn tooverdans, is kangaroe’), maar ook lachen zonder te spelen, iets wat, zo merkt Huizinga op, de dieren dan weer niet gegeven is.

‘Wie betrapt zich er niet herhaaldelijk op dat hij bijvoorbeeld een weerbarstig boordknoopje toespreekt’

Bij het lezen van Huizinga’s lange uiteenzetting dringen hedendaagse voorbeelden zich als vanzelf ter illustratie op. Het voetbal door vrouwen dat plots zo goed bekeken wordt, als sport euforisch becommentarieerd en in praatprogramma’s besproken alsof het een heel nieuw spel betreft (de Volkskrant: ‘Oranje combineert tegen Denemarken op aangename wijze vermaak met resultaat: 1-0’). Huizinga zelf houdt zich in Homo ludens lang stil over zijn eigen tijd. Tegen het eind van zijn boek wil hij erover beginnen maar moet dan toch naar de Romeinen terug waar, kort gezegd, het verdwijnen van het oprechte spel uit de maatschappij een indicatie was voor de ondergang van een hele beschaving.

Dan komt hij uit bij de conclusie dat het spelelement in de ontwikkeling van een cultuur als vanzelf steeds verder op de achtergrond raakt. Het spel lost op in een georganiseerde cultuur en Huizinga’s tijd was er een van verregaande industrialisatie en efficiëntie, van stappen tellen in de keuken om de gang van de huisvrouw te optimaliseren. ‘Naarmate het cultuurmateriaal samengestelder, bonter, uitvoeriger wordt, en de techniek van het voortbrengings- en gezelschapsleven, het individueele en het collectieve, fijner bewerktuigd wordt, geraakt de bodem eener beschaving overgroeid met denkbeelden, stelsels, begrippen, leer en normen, kundigheden, zeden, die hun aanraking met het spel geheel verloren schijnen te hebben.’ In het politieke spel ontwaarde hij een hang naar popularisering, ‘de gemakkelijk bevredigde maar nooit verzadigde behoefte aan banale verstrooiing, de zucht tot grove sensatie, de lust aan massavertoon’.

En ook: ‘(…) het ontbreken van gevoel voor humor, het warmloopen op een woord, de verregaande ergdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover nietgroepsgenooten, de matelooze overdrijving in lof en blaam’. Een cultuurverschijnsel dat hij weet aan ‘de intrede der halfontwikkelde massa’s in het geestelijk verkeer, de verslapping der moreele standaarden en de al te groote geleidendheid, die techniek en organisatie aan de maatschappij verleend hebben’. Ver voor de geboorte van sociale media en de verkiezing van Trump was hun toon al opgemerkt. En let wel, waarschuwt Huizinga, dit alles is geen spel, hooguit vals spel.

Het spel is kwetsbaar, met een dreiging van binnenuit met spelbrekers en valsspelers, maar ook van buitenaf. Tachtig jaar na Homo ludens is de bodem van onze cultuur overwoekerd door media, sport, kunsten en populaire cultuur. Het stikt er van de spelbrekers en valsspelers, denk aan het dopinggebruik in de sport (valsspelers) of de bezuinigingen van Halbe Zijlstra in de kunsten (spelbreker). Nut is de dooddoener van elk spel en de autonomie van de moderne kunst wierp in de tijd van Huizinga al de vraag op ‘of de omringende cultuur hun positie in genoegzame mate kan waardeeren en erkent, om de bedding te vormen, waarin hun kunst de vitale functie kan uit oefenen, die de reden is van haar bestaan’.

Opvallend is dat Huizinga van alle kunsten het ludieke aspect het minst herkende in de beeldende kunst. Anders dan de muziek, de dans en de dichtkunst betrof het namelijk vakmanschap gericht op een resultaat dat niet opgevoerd werd, zich niet afspeelde in een begrensde tijd en plaats, maar stil op zijn plek bleef staan. Maar de kunst is het terrein waar zijn boek de rest van de eeuw zou inspireren, denk aan de situationisten (Guy Debord las het boek in 1952 in Franse vertaling) en de ‘ludieke’ acties van Provo. Op het moment van schrijven ligt Huizinga’s boek in een tentoonstelling in het Cobra Museum, opgenomen in een kunstwerk.

De cultuur is nog nooit zo georganiseerd geweest als vandaag, met beveiligingspoorten voor festivals, doellijnbewaking in het voetbal, miljoenen die met het spel te verdienen zijn (Huizinga: ‘Loon ligt geheel buiten de spelsfeer: het beteekent de billijke vergelding van gedanen dienst of arbeid’). Maar we zijn ook universeel gaan samenspelen, een half miljard mensen doen aan Candy Crush en strijden om de hoogste score in Wordfeud. Het is de techniek die het spel uit de samenleving dreigde te verdringen die nu opnieuw een primaire behoefte aanwakkert. Want het spel, betoogde Huizinga, zit in de mens. ‘Wie betrapt zich er niet herhaaldelijk op, dat hij een levenloos voorwerp, bijvoorbeeld een weerbarstig boordknoopje, luide en doodelijk ernstig toespreekt in zuiver menschelijke qualificaties (…). Toch beleedt gij, dit doende, niet uw geloof in het boordknoopje als een wezen, of zelfs als een idee. Gij vervielt enkel, uws ondanks, in de spel-houding.’ Of we nu onze grenzen verleggen in een obstacle run, swipen naar een partner of de werkelijkheid uit het oog verliezen in virtual reality – dat het spel boven alles onredelijk is, wist Huizinga al.


Citaten zijn afkomstig uit de tweede, herziene druk door H.D. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem, uit 1940. Een nieuwe editie is in 2010 bij Amsterdam University Press verschenen