Valse charmes

Ik zal er geen doekjes om winden: om de nieuwe cd van Cobla Principal d'Amsterdam te kunnen waarderen, moet je een zekere voorliefde voor excentrieke, extreme geluiden hebben. Zoals het royale gebruik van olijfolie in de Spaanse keuken het tere darmstelsel van de Nederlandse toerist ongenadig in de war kan schoppen, zo doen de snerpende blazers van de cobla een serieuze aanslag op de trommelvliezen van de nietsvermoedende luisteraar.

De cobla is afkomstig uit Catalonië. Het is een orkest dat zogenaamde sardanas speelt, volksdansen die buitengewoon populair zijn in deze regio. Meer dan het repertoire is het geluid dat dit elfkoppig gezelschap produceert opvallend. De flabiol zou je het best kunnen omschrijven als een iel blokfluitje, de tibles doen het meest denken aan gemankeerde hobo’s en het koper lijdt aan een hardnekkige tochtigheid. Alsof dit nog niet genoeg is, is het samenspel van deze instrumenten voortdurend een tikkeltje vals. De een zal een optreden van een cobla dus tenenkrommend vinden, de ander zal een zekere charme in al deze tekortkomingen ontwaren.
Overigens is Cobla Principal d'Amsterdam, dat tien jaar geleden werd opgericht, de eerste en naar het schijnt enige cobla buiten Catalonië. Op de cd die het orkest onlangs uitbracht, Dobles Mixtes, vindt die internationalisering zijn weerslag in een vijftal composities die Nederlandse componisten voor deze bezetting schreven. Voor het overige staat op de cd een groot aantal authentieke sardanas.
En gezegd moet worden dat dit een schitterende muziek is. De melodieën zijn over het algemeen erg weemoedig, terwijl krachtig ritmische figuren de muziek toch een soort allure geven. Sommige nummers zijn duidelijk beïnvloed door de Arabische chromatiek, andere nummers neigen in harmonisch opzicht naar een Amerikaanse showorkest - maar in plaats van de glamour en glitter van spetterende blazers lijkt de muziek hier door een kleverige laag stof bedekt. De houtblazers snerpen en knerpen, de samenklanken wringen, en dat versterkt die intense melancholie.
In ‘Trekganzen’ heeft Chiel Meijering de cobla een Hollands jasje aangetrokken. Obsessief repeterende ritmes gaan samen met krachtige signaalmotieven. Dit is samengeperst in zo'n strak keurslijf dat een dwingende, haast drammerige muziek ontstaat.
Haaks hierop staat de programmatische compositie 'El Golem’ van Jeff Hamburg. De joodse Golem-mythe (een kleipoppetje komt tot leven, slaat op hol en verandert zo van een beschermende mascotte in een bedreigend monster) wordt door Hamburg heel levendig en kleurrijk verbeeld in een breed uitgesponnen klaaglijke openingsmelodie die overgaat in een geagiteerde achtervolgingsscène met opgewonden uithalen.
Maud Sauer, die zelf de tible bespeelt in het orkest, heeft een stuk geschreven dat helemaal de tekenfilmachtige kwaliteiten van deze penetrante klanken uitbuit. In 'El drac de l'Estany’ rijgen snelle motiefjes, op en neer springende nootjes en buitelende loopjes zich aan elkaar.
Huba de Graaff benadrukt daarentegen de uitbundige kant van de cobla. 'Falanx-II’ is een grootse carnavaleske muziek waarin een ingehouden, zacht middendeel als contrast dient.
Het is niet de eerste keer dat Nederlandse componisten stukken schrijven voor een exotische bezetting, zoals het gamelanorkest of de Afrikaanse duimpiano. Of dit nu een interessante kruisbestuiving is of een wanhopige poging iets nieuws te bedenken, is een moeilijk te beantwoorden vraag. Ook Dobles Mixtes geeft daar geen uitsluitsel over. Vast staat dat de essentie van de cobla, die krakkemikkige klank, bestand is tegen welke muzikale benadering dan ook.