Over onbeleefd zijn

Valse god

Of het nu gaat om het door Brexit verdeelde Groot-Brittannië of om Trump: we leven in onbeleefde tijden. Onbeleefdheid zelf is niet het onheil, schrijft Rachel Cusk. Het is een voorbode, niet een verschijningsvorm, van het kwaad.

Op het vliegveld staan grote drommen voor de paspoortcontrole. Er is een beambte aanwezig: hij moet de mensen de juiste rij in sturen. Ik kijk al een poosje hoe hij ze staat toe te blaffen. Ik zie hoe overijverig hij oplet, er mensen uitpikt om te bestoken. Als ik bij hem in de buurt kom, spreek ik hem aan.

U hoeft niet zo onbeleefd te doen, zeg ik.
Met een ruk draait hij zijn hoofd om.
U bent onbeleefd, kaatst hij terug. U bent degene die hier onbeleefd is.

Dit is een doorgangsplaats: er zijn hier mensen in alle soorten en maten, van allerlei leeftijden, rassen en nationaliteiten, mensen die in allerlei uiteenlopende omstandigheden verkeren. Er zijn in deze douanehal zoveel versies van leven vertegenwoordigd dat het onmogelijk lijkt dat we het ooit over een gezamenlijke versie eens zullen worden.

Nee, dat ben ik niet, zeg ik.
Wel waar, zegt hij. U bent onbeleefd.

De man draagt een uniform, maar het is geen erg indrukwekkend uniform: een wit synthetisch overhemd met korte mouwen en een goedkope stropdas bedrukt met het embleem van het vliegveld. Het is precies het soort uniform dat een buschauffeur zou kunnen dragen, of iemand achter de balie van een autoverhuurbedrijf, iemand die het aan werkelijk gezag ontbreekt maar die uit hoofde van zijn functie voortdurend met mensen moet omgaan, iemand wiens persoonlijkheid er eigenlijk niet en tegelijk alles toe doet. Hij is kwaad. Zijn gezicht is rood en zijn uitdrukking onvriendelijk. Hij kijkt mij – een alleenreizende vrouw van 48, een vrouw aan wie ongetwijfeld valt af te zien dat zij een bevoorrecht leven leidt – vol verachting aan. Blijkbaar ben ik degene, niet hij, die de sociale gedragscode heeft overtreden. Blijkbaar was het onbeleefd van me om hem onbeleefdheid aan te wrijven.

De sociale gedragscode bestaat uit ongeschreven regels, en het heeft me altijd geboeid hoe lastig dit het maakt om vast te stellen wat de waarheid is. Vaak doet de waarheid zich voor als een bedreiging van de sociale gedragscode. Daarin lijkt ze op onbeleefdheid. Als mensen de waarheid spreken, kan dit hun het bevrijdende gevoel geven niet langer de schijn te hoeven ophouden, net zoals onbeleefdheid een bevrijdend gevoel geeft. Om die reden is het niet verwonderlijk dat oprechtheid soms wordt aangezien voor onbeleefdheid, en onbeleefdheid voor oprechtheid. Wat precies wat is, valt misschien alleen te achterhalen door te onderzoeken wat de gevolgen zijn.

De rij beweegt zich naar voren. Ik kom bij de paspoortcontrole, ga er doorheen en laat de man achter me. Als ik naderhand over dit incident vertel loop ik tegen problemen aan. Zo betrap ik me erop dat ik details over het lelijke uiterlijk van de man aanvoer als bewijs voor zijn slechte karakter. Als ik me probeer te herinneren of er nog iemand was die zich ongemakkelijk voelde bij zijn gedrag of daar aanstoot aan nam, blijk ikzelf de enige van wie ik het zeker weet. Op een willekeurige andere dag loopt er in de douanehal vermoedelijk een volkomen beleefde man rond die de menigte in goede banen leidt, ouden van dagen te hulp schiet, zich verontschuldigt voor de drukte, behulpzaam uitleg geeft aan mensen met een gebrekkige kennis van het Engels: die man zou een mooi verhaal opleveren over individualiteit als het meest hoopvolle wat er bestaat.

Dit verhaal dient als bewijs voor mijn angst dat mensen die Groot-Brittannië, mijn land, willen binnenkomen worden gediscrimineerd en geïntimideerd. Er zijn veel mensen die die angst niet delen. Voor hen bewijst mijn verhaal hooguit één ding, namelijk dat ik ooit een keertje een onbeleefde man ben tegengekomen op een vliegveld.

***

Een nieuwe dag, een nieuw vliegveld. Deze keer is de situatie ondubbelzinniger: mijn land heeft per referendum besloten om de Europese Unie te verlaten en onbeleefdheid viert hoogtij. Mensen behandelen elkaar met onverholen minachting. De mensen in uniform – luchthavenpersoneel – gedragen zich ongemeen lelijk bij de uitoefening van hun nepmacht, terwijl de rest van ons elkaar wantrouwig aankijkt en zich ondertussen afvraagt wat we moeten verwachten van deze nieuwe, scriptloze werkelijkheid en aan welke kant de ander staat. Er is al beweerd dat deze situatie uit haat is ontstaan, maar als dat waar is, gaat het volgens mij om zelfhaat.

De geüniformeerde vrouw bij de veiligheidscontrole smijt de grijze plastic bakken een voor een op de lopende band en wel met zo’n geweld dat ze om aandacht lijkt te vragen. Ze laat geen gelegenheid voorbijgaan om kenbaar te maken dat ze haar zelfbeheersing heeft laten varen: haar ware aard krijgt vrij spel, als een dier dat uit zijn kooi is ontsnapt. Zonder uitzondering beledigt ze iedereen die in haar rij langskomt, terwijl ze tegelijkertijd niemand persoonlijk aanspreekt: wij zijn niet langer individuen; we zijn een kudde die stilzwijgend en met gebogen hoofd de zweep van de drijver over zich heen laat komen. Ze ziet er ongezond uit, haar gezicht zit onder de ontstoken ogende rode puistjes, haar vormeloze witte lijf kronkelt welhaast onder zijn eigen woede, alsof het uit zijn vel wil springen.

De persoon voor me in de rij is een uitermate verzorgde zwarte vrouw. Ze reist samen met een kind, een schattig meisje met zorgvuldig ingevlochten haar. Ze heeft twee grote doorzichtige ziplockzakken met cosmetica en crèmes in haar grijze bak gelegd, maar dat is kennelijk niet toegestaan; ze mag maar één zak meenemen. De vrouw in uniform laat de rij wachten, houdt de twee zakken welbewust omhoog en kijkt de eigenaar ervan strak aan.

Wat hebben we hier? schampert ze. Wat is hier de bedoeling van?
De vrouw legt uit dat ze ervan uitging, omdat ze met z’n tweeën reizen, dat ze twee zakken mochten meenemen. Haar stem is zacht en beleefd. Het kleine meisje staart met wijd open ogen voor zich uit.
Dan heeft u het mooi mis, zegt de vrouw in uniform.
Ze geniet zichtbaar van de situatie. Het is overduidelijk dat ze op een slachtoffer heeft staan azen en zich daar nu op heeft gestort.
Daar komt u dus niet mee weg, zegt ze grijnzend, en ze schudt haar hoofd. Hoe halen mensen als u zich dat soort dingen in hun hoofd?

De rest van ons kijkt toe hoe ze de vrouw de zakken laat uitpakken om te beslissen welke van haar bezittingen de prullenbak in zullen verdwijnen. Voor het overgrote deel zijn ze nieuw en zo te zien prijzig. In een andere werkelijkheid had hun geparfumeerde vrouwelijkheid gezien kunnen worden als bespotting van de lelijkheid van de vrouw die met over elkaar geslagen armen en een smalende blik toeziet op hun vernietiging.

Het onophoudelijke commentaar van de vrouw in uniform op wat er gebeurt is zo onaangenaam dat ik me realiseer dat ze half gestoord moet zijn, vermoedelijk door de combinatie van macht en machteloosheid. Iedereen houdt zich afzijdig. Ik vraag haar niet of het zo onbeleefd moet. In plaats daarvan probeer ik te bedenken, zoals steeds vaker in dit soort situaties, wat Jezus zou hebben gedaan.

Mijn reisgenoot – een schilder – houdt niet van conflicten. Als wij aan de beurt zijn staart de vrouw in uniform naar de zak die hij in de bak heeft gelegd. Zijn verftubes zitten erin. Ze zijn gedeukt en bespat door gebruik en het zijn er zoveel dat de zak bovenaan niet dicht kan. Ze slaat haar armen over elkaar.

Wat zijn dat? vraagt ze.
Dat zijn tubes verf, antwoordt hij.
Die kunt u niet meenemen, zegt ze.
Waarom niet? vraagt hij vriendelijk.
De zak moet dicht kunnen, zegt ze. Daarom.
Maar ik heb ze nodig om te kunnen schilderen, zegt hij.
Ze mogen niet mee, zegt ze.

Hij kijkt haar zwijgend aan. Hij kijkt haar recht in de ogen. Hij staat volkomen roerloos en zegt niets. Heel lang blijft hij haar aankijken. Haar ogen zijn klein en lichtblauw en machteloos. Ze vallen me nu pas op. Mijn vriend knippert geen moment met zijn ogen en kijkt niet weg, en terwijl de seconden wegtikken staat de vrouw daar aan de grond genageld, met haar oogjes zo ver mogelijk opengesperd. Gedurende die seconden lijkt het of er lagen van haar wezen worden afgepeld: ze wordt versimpeld, op orde gebracht, doordat er naar haar wordt gekeken. Hij geeft haar zijn volledige aandacht, en ik kijk toe hoe zich een vreemde transformatie voltrekt. Uiteindelijk doet hij zijn mond open.

Wat kan ik volgens u het beste doen? vraagt hij, op heel kalme toon.
Nou, meneer, zegt ze, u reist met deze dame samen, misschien heeft zij ruimte in haar zak.
Ik reik mijn zak aan, en de vrouw begint zelf verftubes van de ene zak in de andere over te laden. Haar handen gaan voorzichtig en precies te werk. Ze doet er heel lang over. Uiteindelijk trekt ze de sluitstrip dicht en legt de zak zachtjes terug in de bak.

Dank u wel, zegt hij.
Het zou zonde zijn geweest om ze weg te gooien, nietwaar? zegt ze.
Dat kun je wel zeggen, ja, zegt hij. Fijn dat u me heeft geholpen.
Een fijne vakantie gewenst, meneer, zegt ze.

***

De samenleving werkt uitermate efficiënt als het gaat om het straffen, tot zwijgen brengen of verloochenen van waarheidzeggers. Onbeleefdheid daarentegen wordt vaak verwelkomd als ging het om een valse godheid. Naderhand kan spijt over de afstraffing van de waarheidzegger krachtige gevoelens van aanbidding oproepen, terwijl onbeleefdheid juist glashard wordt ontkend. Zijn mensen onbeleefd omdat ze ongelukkig zijn? Is onbeleefdheid als naaktheid, een staat die vraagt om tact en vergevensgezindheid van de geklede mens?

Door beleefd te zijn tegen onbeleefde mensen geven we hun misschien hun waardigheid terug, al plaatst de verbetenheid van de onbeleefden de voorstanders van beschaafde omgangsvormen wel voor een uitdaging. Het is een daad van ontremming: net als een pepmiddel geeft het een heerlijk gevoel ontsnapt te zijn aan bewakers die verder niemand kan zien. Bij het terugblikken op gebeurtenissen speelt onbeleefdheid vaak een rol in de morele opbouw van een drama: het is een zichtbaar teken van innerlijk of onzichtbaar onheil. Onbeleefdheid zelf is niet het onheil. Het is een voorbode, niet een verschijningsvorm, van het kwaad.

Is onbeleefdheid een wezenlijk onderdeel van het immuun­systeem van de beschaving?

In het Verenigd Koninkrijk woeden heftige discussies over de voors en tegens van de uitslag van het Brexit-referendum. Ik begin te begrijpen hoe het is om het kind van scheidende ouders te zijn. Eerst was er één waarheid, één verhaal, één werkelijkheid – nu zijn het er twee. Beide partijen beschuldigen elkaar en tussen de roepende stemmen, de onverzoenlijke standpunten, het venijn en de verontrusting, de verwarring en overdrijving en kritiek, is het enige wat als een paal boven water staat dat de ene partij aantoonbaar botter is dan de andere. Zelfs als je niet wist waar de ruzie over ging was je tot die conclusie gekomen, lijkt me.

In de nasleep van hun overwinning betonen de winnaars zich opvallend kleinzielig. Ze betitelen hun tegenstanders als een ‘progressieve elite zonder voeling met het echte leven’, brandmerken hen als neerbuigend en vervuld van eigenbelang. De progressieve elite krijgt het stempel van slechte verliezers opgedrukt, alsof het referendum een voetbalwedstrijd was. Wanneer er wordt geprotesteerd tegen of geklaagd over de uitslag en de consequenties ervan, wordt dat onmiddellijk gebagatelliseerd en overstemd.

In de weken voor het referendum gingen de uiteindelijke winnaars met taal om zoals een klein kind met een bom omgaat: ze leken geen idee te hebben van de gevaren of de kracht ervan. Ze bezigden zinnen als ‘Wij willen ons land terug’ en ‘Pak de macht weer terug’ die voor velerlei uitleg vatbaar zijn. Nu klagen ze dat ze verkeerd zijn neergezet – als racisten, vreemdelingenhaters en idioten. Ze willen de discussie het liefst beëindigen, het slagveld van de taal achterlaten waar alleen nog de stomvervelende analyse van de details rest. Ze doen een botte uitspraak in de hoop dat de kwestie daarmee is afgedaan, en natuurlijk is die onbeleefd: ‘Jullie hebben verloren. Wen er maar aan.’

Ondertussen heeft die progressieve elite een theorie ontwikkeld: ze is ervan overtuigd dat veel Brexit-stemmers spijt hebben van hun keuze. Geen schralere troost dan een die wordt ontleend aan de wroeging van de tegenstander. In de psychoanalyse worden gebeurtenissen gereconstrueerd met de wetenschap van hun afloop: het navertellen ervan werkt therapeutisch omdat aan leed dat op het moment zelf zinloos leek een betekenis wordt toegekend. De progressieve elite verkeert in shock; ter verzachting van de mentale nood klampt ze zich vast aan het idee dat de winnaars spijt hebben, maar omdat de uitslag van het referendum niet kan worden teruggedraaid, moet het verhaal wel de vorm krijgen van een tragedie.

Anders dan de winnaars zijn de verliezers bijzonder spraakzaam. Vaardig en precies verwoorden zij de logica van hun leed, waarbij ze nieuwe expressieve hoogtepunten bereiken. De stortvloed aan mooischrijverij die op het referendum volgt staat in schril contrast met hun zwijgzaamheid vooraf. De progressieve elite komt op voor de eigen werkelijkheid, maar te laat. Sommigen dringen aan op tolerantie en begrip; anderen hebben het over de verschillende stadia van rouw; weer anderen roepen op moed te tonen en pal te staan voor de waarden van het progressieve denken. Dit is fraai om te zien, maar het is onduidelijk tegen wie ze het hebben.

Ondertussen wordt in het stadje Harlow in Essex op straat een Pool vermoord door een witte jeugdbende, blijkbaar omdat ze hem zijn moedertaal hoorden spreken.

***

Wat is de morele status van onbeleefd zijn? Kinderen krijgen in onze maatschappij het vaakst te horen dat ze onbeleefd zijn; zij zijn meteen ook de meest onschuldige onbeleefden. We leren kinderen dat het onbeleefd is om de waarheid te zeggen, te zeggen: ‘Dit is vies’ of ‘Die mevrouw is dik’. We leren ze ook dat het onbeleefd is ons niet te gehoorzamen. We commanderen ze, zeggen: ‘Zit stil’ of ‘Ga naar je kamer’. Op een gegeven moment begon ik me af te vragen, als ik mijn kinderen zo toesprak, of ik zo ooit met een volwassene zou omgaan, en in bijna alle gevallen luidde het antwoord nee. Het werd me toen duidelijk dat onbeleefdheid in wezen een verbale overtreding is: onbeleefdheid kon worden gedefinieerd binnen het moraalsysteem van de taal, zonder per se door een concrete handeling te worden bekrachtigd. Een concrete handeling maakt taal irrelevant. Zodra woorden zijn gevolgd door daden, is het gesprek afgelopen.

Onbeleefdheid dient met andere woorden als een barrière tegen handelen. Het is wat tussen gedachte en daad in staat; het markeert het moment waarop een overtreding kenbaar wordt maar er nog tijd is om die te voorkomen. Moeten we daaruit afleiden dat een onverdraagzame opmerking – hoe naar om te horen ook – een belangrijke sociale buffer is tussen denkbeelden en handelen? Is onbeleefdheid een wezenlijk onderdeel van het immuunsysteem van de beschaving, een soort antilichaam dat in actie komt bij de besmettelijke aanwezigheid van het kwaad?

In de Verenigde Staten noemde Hillary Clinton de helft van Donald Trumps aanhangers ‘a basket of deplorables’ – een mandje onverlaten. Eerst schokte de opmerking me in positieve zin. Ik bewonderde Clinton om haar moed en eerlijkheid en dacht tegelijkertijd na over haar vreemde woordkeuze. ‘Een mandje onverlaten’ klonk bijna als een uitspraak van Dr. Seuss: typisch iets voor hem om onverlaten in een mandje te gooien, ter lering en vermaak van zijn jonge lezers. Maar als openbare uitspraak bleek de formulering een verkeerde uitwerking te hebben. Het mandje begon te praten, zich te roeren: het bleek gevuld met allerlei hoogst beledigde personen. Clinton had de fout begaan onbeleefd te zijn. Het ‘mandje onverlaten’ had helemaal niets met Dr. Seuss te maken. Het was de snobistische taal van de progressieve elite, die hier op heterdaad was betrapt bij het begaan van een grove morele misser: het ontkennen van de waarde van ieder individueel mens. Toch maakte Clintons tegenstander zich met regelmaat ongestraft aan precies hetzelfde schuldig. Was de onbeleefdheid van Clinton een ander soort onbeleefdheid dan die van Trump?

In Groot-Brittannië tweet een man dat iemand politicus Anna Soubry zou moeten ‘Jo Cox-en’. De amoraliteit van de Engelse taal: in de aanloop naar het referendum werd het parlementslid Jo Cox beschoten en met een mes vermoord door een extreem-rechtse nationalist; iemand ‘Jo Cox-en’ is een vrouwelijk parlementslid vermoorden dat ervoor pleit in de Europese Unie te blijven. De man die de tweet post wordt gearresteerd.

Inmiddels is het de normaalste zaak van de wereld dat mensen die er progressieve waarden op na houden doodsbedreigingen ontvangen. De doodsbedreiging is, neem ik aan, de meest extreme vorm van onbeleefdheid: het punt waarop woord moet worden opgevat als daad, waarop het immuunsysteem van de beschaving niet meer werkt. ‘Ik kan je wel vermoorden’, zei mijn moeder vaak tegen me, en ik wist niet of ik haar moest geloven of niet.

Voor zover ik weet uit de progressieve elite geen doodsbedreigingen. Zouden degenen die daartoe gerekend worden betere manieren hebben? Zouden ze hun vijanden evengoed dood wensen maar zonder het te zeggen? En als ze hen dood wensen – op een beleefde manier dan, als een leugentje om bestwil – is die zonde dan minder kwalijk vanwege de welgemanierdheid waarmee ze begaan wordt? De conservatieven lijken geen probleem te hebben met hun eigen voorliefde voor doodsbedreigingen. In Amerika uitte Trump er versluierd zelfs een aan het adres van Clinton. In de kranten lezen we dat Trump de Clintons heeft uitgenodigd op zijn trouwerij, dat hun dochters goed bevriend zijn. Is dit verbale geweld dan misschien gewoon onvermogen? Is dit het verbale equivalent van iemand die niet kan pianospelen en zich waagt aan Rachmaninovs Derde?

Het moge duidelijk zijn dat de onbeleefdheid van deze publieke figuren hun toehoorders vermaakt en oplucht. Wat hun dat gevoel geeft is misschien niet zozeer de mogelijkheid van feitelijk geweld als wel een soort intellectueel losknopen, een bevrijding uit het korset van de taal. Misschien zijn ze in hun leven voortdurend overtroefd door anderen die zich beter kunnen uiten, maar komen ze erachter dat ze een meester zijn in deze nieuwe vaardigheid: onbeleefd zijn.

Wanneer mijn moeder zei dat ze me wel kon vermoorden kwam dat voort uit haar frustraties over mijn linguïstische vermogens. Waar ik in onze gesprekken geen rekening mee hield was het verschil in onze sociale positie. Zij was een huisvrouw met weinig opleiding en een rap vervagende schoonheid. Ze deed dingen voor mij zoals koken en schoonmaken, terwijl ik op weg was naar de universiteit en de vrijheid. Toch bezat ze in mijn ogen uitzonderlijk veel macht, de macht namelijk om me een zwartgallige levensvisie op te dringen en mijn toekomstverwachtingen de bodem in te slaan. In onze gesprekken dacht ik een tiran voor me te hebben tegen wie ik me alleen met woorden kon verweren. Maar het waren juist die woorden die haar tot geweld aanzetten. Haar gesloof, haar identiteit als moeder, haar status; al die dingen speelden geen rol in de taaleconomie. Ter compensatie formuleerde ze een verhaal over zichzelf vol leugens en simplificaties die mij woest maakten. Ik wilde haar corrigeren door haar de waarheid te vertellen – misschien dacht ik dat we ons zouden verzoenen als ik haar maar met voldoende trefzekerheid beledigde – maar ze weigerde zich te laten corrigeren, tot inkeer gebracht te worden.

Uiteindelijk won ze omdat ze bereid was het morele fundament onder de taal op te offeren. Het maakte haar niet uit wat ze zei, of liever gezegd, ze putte pervers plezier uit het verkeerd gebruiken van woorden; daarmee nam ze mij mijn wapen af en brak dat voor mijn ogen doormidden. Ze maakte me belachelijk om de woorden die ik gebruikte, en ik kon niet reageren door haar met de dood te bedreigen. Ik kon niet zeggen: ‘Ik kan je wel vermoorden’, want dat was niet waar, en in wat taal aangaat had ik al mijn troeven gezet op het vertellen van de waarheid.

Hoe kunnen we ons het beste uitdrukken als taal niet naar behoren werkt wanneer je niet op gelijke voet staat?

***

In een kledingwinkel in Londen grasduin ik in een rek op zoek naar iets nieuws. Bij mijn binnenkomst was de winkelbediende meteen op me af komen draven met een riedeltje dat duidelijk was voorgeschreven door het management. Ik hou er niet van om zo te worden toegesproken, al begrijp ik heus wel dat de winkelbediende het niet uit vrije wil doet. Ik zei haar dat ik geen hulp nodig had. Ik zei dat ik haar wist te vinden als ik iets wilde vragen. Maar een paar minuten later staat ze weer voor mijn neus.

Heeft u een leuke dag gehad? vraagt ze.

Om eerlijk te zijn? Het is een dag vol bezorgdheid en zelfkritiek geweest, zorgen over de kinderen en geld, en alsof dat nog niet erg genoeg was, heb ik nu ook nog de stomme fout begaan hier binnen te lopen in de nergens op gebaseerde verwachting iets te vinden waardoor ik er leuker uit zal zien, en dat er leuker uitzien zal helpen.

Ja hoor, zeg ik.
Er valt een stilte waarin ze misschien wacht tot ik haar dezelfde vraag stel, wat ik niet doe.
Zoekt u iets in het bijzonder? vraagt ze.
Niet echt, zeg ik.
Dus u kijkt zomaar wat rond, zegt ze.
Er valt een stilte.
Heb ik al gezegd dat we beneden nog meer maten hebben?
Ja, dat zei u al, zeg ik.
Als u iets in een andere maat wilt, zegt ze, vraagt u het dan gerust.
Dat zal ik doen, zeg ik.

Als we ophouden elkaar als individuen aan te spreken, toestaan dat taal een dwangmiddel wordt, zijn we verloren

Ik richt mijn aandacht weer op het rek en merk dat dit korte gesprekje het waanidee dat ik lelijk en onsympathiek ben alleen maar erger heeft gemaakt, en dat mijn behoefte aan een gedaanteverandering groter is dan ooit. Ik haal een jurk uit het rek. Hij is blauw. Ik bekijk hem op het hangertje.

Goede keus, zegt de winkelbediende. Een pracht van een jurk. Geweldige kleur ook.

Onmiddellijk hang ik hem terug in het rek. Ik loop een eindje verder de winkel in. Na een tijdje begin ik de winkelbediende te vergeten. Ik mijmer over kleren, over de vreemde belofte die ervan uitgaat, over het feit dat kledingproblemen zoveel gelijkenis vertonen met problemen in de liefde. Weer haal ik een jurk uit het rek, een flamboyante bordeauxrode.

Tjee ja, die zou te gek staan, zegt de winkelbediende. Is het de goede maat?
Ja, zeg ik.
Zal ik hem voor u in de paskamer hangen? vraagt ze. Dat is wel zo makkelijk, nietwaar? Dan heeft u uw handen vrij om verder te zoeken.

Voor het eerst kijk ik haar aan. Ze heeft een breed gezicht en een brede mond waarmee ze voortdurend en wanhopig glimlacht. Ik vraag me af in hoeverre ze haar baan aan die glimlach te danken heeft. Ze is ouder dan ik verwacht had. Ze heeft rimpels in haar gezicht en al doet ze nog zo haar best, haar mond verraadt dat verdriet haar niet onbekend is.

Graag, dank u wel, zeg ik.

Ik geef haar de jurk en ze brengt hem weg. Ik merk dat ik geen zin heb om nog langer in de winkel te blijven. Ik wil de jurk niet passen. Ik heb geen zin om mijn kleren uit te trekken en mezelf in de spiegel te zien. Ik overweeg er stilletjes vandoor te gaan nu de winkelbediende uit zicht is, maar het feit dat ik de jurk in de paskamer heb laten hangen weegt te zwaar. Misschien brengt hij toch een gedaanteverandering teweeg. Op weg naar de paskamer kom ik de winkelbediende tegen, die er net vandaan komt. Ze zet grote ogen op en heft haar handen in gespeelde verbazing.

Zo snel had ik u niet verwacht! roept ze uit. Heeft u niets anders kunnen vinden dat u leuk vindt?
Ik heb nogal haast, zeg ik.
Ach ja, ik weet precies wat u bedoelt, zegt ze. We hebben allemaal zo’n haast tegenwoordig. Ergens rustig de tijd voor nemen is er gewoon niet meer bij, toch?

De paskamers zijn leeg: er zijn geen andere klanten. De winkelbediende drentelt achter me aan als ik de paskamer binnenga waar ze de jurk heeft opgehangen. Ik vraag me bijna af of ze mee naar binnen zal gaan. Ik trek het gordijn achter me dicht en voel me opgelucht. Mijn spiegelbeeld staart me woest aan en ziet er vreemd uit. Ik heb vaker in dit soort doosachtige ruimtes gestaan, alleen met mezelf, en er lijkt tussen die momenten een verband te bestaan waar ik niet echt de vinger op kan leggen. Alsof het leven een bordspel is en dit het startpunt waar ik steeds onverklaarbaar naar word teruggestuurd. Ik trek mijn kleren uit.

Lukt het allemaal? vraagt ze.
Ik sta daar in mijn ondergoed en haar stem klinkt zo luid en nabij dat ik me rot schrik.
Hoe gaat het daarbinnen? Lukt het een beetje?
Ja hoor, prima, zeg ik.
Hoe zit hij? vraagt ze. Wilt u een andere maat proberen?
Ik kan het geritsel van haar kleren en het schurende geluid van haar in een panty gehulde benen horen. Ze staat pal achter het gordijn.
Nee, zeg ik. Het is prima zo, echt.
Waarom komt u niet naar buiten? oppert ze. Dan kan ik met u meedenken.

Opeens ben ik kwaad. Ik vergeet mijn medelijden met haar, ik vergeet dat zij er niet voor gekozen heeft om deze dingen te zeggen, ik vergeet dat deze baan misschien niet goed bij haar past. Ik voel me in het nauw gedreven, vernederd en verkeerd begrepen. Voor mijn gevoel hebben mensen altijd een keus als het om taalgebruik gaat en berust de morele en sociale basis van ons bestaan op dat principe. Ik wil haar vertellen dat er mensen zijn die zichzelf hebben opgeofferd om dat principe te verdedigen. Als we ophouden elkaar als individuen aan te spreken, wil ik tegen haar zeggen, als wij toestaan dat taal een dwangmiddel wordt, zijn we verloren.

Nee, zeg ik. Ik kom niet naar buiten.
Achter het gordijn valt een stilte. Dan hoor ik het geritsel van haar kleren terwijl ze wegloopt.
Wat u wil, zegt ze, met een stem die voor het eerst als haar eigen stem klinkt. Het is een vlakke, ongekunstelde stem, een stem die zich niet verbaasd toont als de dingen verkeerd aflopen.

Ik kleed me weer aan, hang de jurk op het hangertje en verlaat de paskamer. De winkelbediende staat met haar rug naar me toe in de uitgestorven winkel en kijkt met over elkaar geslagen armen uit het raam. Ze vraagt niet of het allemaal gelukt is of wat ik van de jurk vond en of ik van plan ben hem te kopen. Ze biedt niet aan om de jurk van me over te nemen en in het rek terug te hangen. Ze is beledigd en dat laat ze heel duidelijk merken. Ik hang de jurk zelf terug.

Ik heb mijn dag niet, zeg ik tegen haar, bij wijze van verontschuldiging.
Ze schrikt even op en uit haar mond ontsnapt een geluid.
Ik stel me voor hoe ze vanavond naar huis gaat, uit haar hum.

***

Wat Jezus deed was zichzelf opofferen, hij gebruikte zijn lichaam om woord in daad om te zetten, om het kwaad zichtbaar te maken. Terwijl hij gekruisigd werd, bleef hij over het algemeen beleefd. Hij gaf anderen veel om spijt van te hebben. Hun spijt hield tweeduizend jaar christendom in stand. Is spijt daarom de machtigste emotie van allemaal?

Mijn moeder en ik spreken elkaar niet meer, maar ik denk de laatste tijd wel over haar na. Ik denk na over feiten, hoe ze mettertijd aan kracht en helderheid winnen, terwijl onze perspectieven vervagen of veranderen. Het verlies van de ouder-kindrelatie is een feit. Het is tevens een falen. Het is spijtig. De laatste keer dat mijn ouders mij spraken zei mijn vader iets heel onbeleefds. Hij zei dat ik uit mijn nek lulde. Hij verbrak de verbinding meteen nadat hij het gezegd had en sindsdien heb ik niets meer van hem gehoord.

Nog lange tijd erna was ik volkomen van mijn stuk door zijn woorden: dat mijn vader het woord ‘lullen’ in de mond nam en dat hij beweerde dat ik uit mijn nek lulde leek de grond onder mijn voeten weg te slaan. Toch was ik voor de helft van hem gemaakt: dat was precies de reden, realiseerde ik me, dat hij zich die uitspraak meende te kunnen permitteren. Ik was zijn kind; hij vergat dat ik even echt was als hij.

Je zou kunnen zeggen dat de ene helft van ons land tegen de andere helft heeft gezegd dat ze uit hun nek lullen en die woorden welbewust koos in de wetenschap dat de andere partij júist onbeleefdheid – de schennis van taal – het moeilijkst te verkroppen vindt.

In het stuk Philoctetes van Sophocles is de man die het meest lijdt ook de man met het machtigste wapen, een onfeilbare boog die, zou je kunnen zeggen, symbool staat voor het idee van trefzekerheid. De hardvochtige Odysseus liet de gewonde Philoctetes achter op een eiland, om tien jaar later tot de ontdekking te komen dat de Trojaanse Oorlog zonder de boog van Philoctetes niet gewonnen kan worden. Hij keert terug naar het eiland met het voornemen de boog koste wat kost in handen te krijgen. Philoctetes op zijn beurt heeft tien jaren doorgebracht in ondraaglijke pijn: het lot heeft beschikt dat Asclepius in Troje de enige arts is die hem kan genezen, toch sterft hij nog liever dan dat hij Odysseus helpt door met hem mee te gaan. Het verstrijken van de tijd heeft niets aan deze impasse veranderd: Philoctetes kan Odysseus nog steeds niet vergeven, Odysseus kan nog steeds niet begrijpen waarom Philoctetes zich zo in zijn eer aangetast voelt. Er is een derde voor nodig, Neoptolemus, een jongen rein van hart, om de impasse te doorbreken en een eind te maken aan de oorlog en de pijn. Odysseus dringt er bij Neoptolemus op aan om vriendschap te sluiten met Philoctetes zodat hij de boog kan stelen en hij beroept zich daarbij op hun hogere doel. Ondertussen vertelt Philoctetes Neoptolemus over de lijdensweg die hij heeft moeten doorstaan en wekt zijn empathie en medelijden. In zijn tweestrijd realiseert Neoptolemus zich twee dingen: dat kwaad nooit gerechtvaardigd is, ook niet als je onder bevel staat van een ander, en dat de boog waardeloos is zonder Philoctetes zelf. De morele kracht van het individu en de poëtische kracht van het lijden zijn de twee onmisbare componenten van de waarheid.

Wat Neoptolemus zelf betreft zou je kunnen zeggen dat hij symbool staat voor het idee van goede manieren. In dit drama hebben de expressieve man en de onbeleefde man elkaar nodig, maar zonder de man met goede manieren kunnen ze zich nooit verzoenen.

‘Zorg dat ze ophoudt!’ smeekten mijn dochters me toen ze jonger waren en de een iets deed wat de ander niet aanstond. Met andere woorden: grijp in door mijn versie van het verhaal te bevestigen, behoed me voor deze aantasting van de ervaring mij te zijn. Je zou kunnen zeggen dat ze gerechtigheid wilden, onpartijdigheid – maar meestal kwam ik tot de conclusie dat onpartijdig zijn niet zo makkelijk was. Er zaten altijd twee kanten aan hun verhalen, en ik slaagde er zelden in er één versie van te maken.

Het beste wat we kunnen doen in de huidige situatie lijkt me streven naar goede manieren. Ik heb me dan ook voorgenomen om beleefder te zijn. Ik weet niet of het zinvol is: misschien is dit een gevaarlijke tijd voor beleefdheid. Misschien brengt die beleefdheid wel offers met zich mee. Misschien is het nodig de tegenstander de andere wang toe te keren. Een vriend van me beweert dat dit het begin van het einde van de huidige wereldorde is: volgens hem eten we over een paar decennia ratten en tulpenbollen, zoals mensen al eerder hebben gedaan in tijden van maatschappelijke crisis. Ik denk na over de rol die goede manieren zouden kunnen spelen in de situatie waarin men ratten eet – een belangrijke, lijkt me. Voor iemand die nooit op de proef is gesteld, nooit het slachtoffer is geweest van hongersnood of oorlog of extremisme of discriminatie en daarom misschien niet weet of ze oprecht is of onoprecht, moedig of laf, onbaatzuchtig of egoïstisch, gelijk heeft of ongelijk, zou het heel wat schelen om een kompas te hebben om op te kunnen varen.


Dit is een bewerkte voorpublicatie uit Coventry, de essaybundel van Rachel Cusk die deze maand bij De Bezige Bij verschijnt. Vertaald door Jeske van der Velden en Caroline Meijer; 256 blz., € 22,99