Valse hoop

László Darvasi, Het treurigste orkest van de wereld.Vertaling Frans van Nes, uitgeverij Van Gennep, 191 blz, 3 34,90
Van de Hongaarse schrijver László Darvasi (1962) had ik nog nooit gehoord toen ik zijn vertaalde verhalenbundel Het treurigste orkest van de wereld begon te lezen.

Nu weet ik niet alleen dat hij in de Zuidhongaarse stad Szeged woont, voor een weekblad in Boedapest schrijft en het literaire tijdschrift Jelenkor uitgeeft, maar ook dat hij indrukwekkende en uitermate raadselachtige verhalen kan schrijven die ik niet zomaar kan of wil samenvatten.
In de twaalf bijeengebrachte verhalen gaat het in de meeste gevallen om een kalende jongeman die het vertelcentrum vormt. In het openingsverhaal ‘Op de berg’ verliest hij zijn vaderen treedt hij in zijn voetsporen; in 'De rozenstruiken van Veinhagen’ is er sprake van een 'kale kotser’, de zoon van de mandenmaker, die ineen gelovige stad wordt opgepakt omdat hij de rozenstruiken heeft ondergekotst, een daad die schijnbaar te maken heeft met een moord.
Moord en onschuld, ongereptheid en bezoedeling, verdwijningen en hoopvolle zoektochten naar een greintje betekenis in deze wereld - misschien kan ik met deze trefwoorden Darvasi’s intrigerend ongrijpbare verhalen voorlopig duiden, vertellingen die zich in een duister gebied tussen goed en kwaad ophouden. In het verhaal 'Kutuzovs kleinzoon’, waarin een 28-jarige, dodelijk zieke, kale en ongerepte jongeman de tijd lijkt te zijn kwijtgeraakt, wordt de pijn opgevoerd als de enige zekerheid in het leven. 'Er is iets grondig verpest, al sinds het begin der dingen, de mensen zijn van schrik aan het werken geslagen, maar niet om het te herstellen, dat is niet eens bij ze opgekomen. Volgens mij werken de mensen uit vertwijfeling, en niemand is vatbaarder voor corruptie dan de mens in vertwijfeling.’
De vertwijfelde personages in Darvasi’s verhalen willen wel hoop koesteren, of de moed der wanhoop, maar ze weten dat God het heeft laten afweten en dat daarom goed en kwaad een kluwen vormen waarin de mens verstikt. Is die wijkende hoop nog te herkennen, vraagt de kale jongeman zich af? Hij houdt van het licht, maar in het donker bedenkt hij dat 'God wel harder werkt dan de Duivel, maar ook minder begaafd is’. Het langere slotverhaal 'De blauwe waterval van Fulda’, wordt verteld vanuit dokter Jakob Waase, een inrichtingsarts. Hij heeft het over 'een twijfelachtige overdaad waarin wij mensen gevangen zitten’ en vraagt zich af of het vertellen van het levensverhaal van twee van zijn patiënten wel zin heeft als hij niet eens weet wat hen heeft gedreven: het lot, Gods wil of de voorbestemming. De dokter, die zijn verhaal schrijft om het zwijgen van zijn lievelingspatiënt op te heffen, heeft het niet zo op God. De mens is dan wel op de zesde dag geschapen, God rustte uit op het zevende dag,waardoor die mens op de wereld was geworpen waarin God even afwezig was, want rustende: 'en kan er goed of kwaad zijn in een wereld waarin in plaats van God alleen zijn verbod boven de hoofden zweeft.’? En hoe zit het dan met de zonde?
In het fantastische bordewijkiaanse titel verhaal,waarin iemand een heel symfonieorkest compleet met dirigent op zijn rug heeft laten tatoeëren en klassieke klanken in zijn lijf hoort rond gaan,voorspelt de verteller dat zelfs de sterkste karakters zich in de onvergeeflijkste zonde zullen storten. In 'Het treurigste orkest van de wereld’ vormen strijd, doel en geluk de 'drie planeten van de hoop’, al is het maar vragender wijs. Maar de politiek of 'de nieuwe trend’ zoals het jonge Hongaarse kapitalisme in het verhaal 'De blindeback’ heet, kweekt valse hoop. László Darvasi is een schrijver die me door zijn objectieve stijl vol korte zinnen soms aan Agota Kristof deed denken, dan weer aan F. Bordewijk, Franz Kafka en aan zijn landgenoot György Konrád, de meesterverteller die de jongere generatie Hongaarse schrijvers nooit onberoerd kan laten.