Essay: De quasi-conservatief

Valse profeten

Voor oud links was vooruitgang een universeel project. Nu heeft nieuw rechts zich die agenda eigen gemaakt. De progressief van nu noemt zichzelf «neoconservatief». De echte conservatief blijft eenzaam achter.

Tien jaar geleden stuurde de rechtsfilosoof Andreas Kinneging mij een ansichtkaart met de blije tronie van Ronald Reagan. Als student was ik tijdens Kinnegings colleges onder de indruk geraakt van de conservatieve denkbeelden van de zichzelf «klassiek liberaal» noemende Friedrich Hayek. Ik begreep de boodschap: met de kaart liet Kinneging, toen nog de enige intellectueel onderlegde neoconservatief van Nederland, zien dat waardering voor de politieke filosofie van de econoom Hayek niet vrijblijvend is. Wie A zegt, moet ook B zeggen. En B betekende in de ogen van Kinneging: enthousiasme voor de regeringen van Margaret Thatcher en Ronald Reagan.

De ansichtkaart zag ik als een bewuste provocatie, met een didactisch doel. Want de voormalige filmster Reagan had in mijn ogen weinig van doen met de tot Brit genaturaliseerde Oostenrijkse aristocraat Hayek.

Net als bij Edmund Burke (1729-1797), de aartsvader van het conservatisme als politieke stroming, mochten maatschappelijke veranderingen bij Hayek slechts geleidelijk gestalte krijgen. «Grand designs» en abstracte ideeën waren ongeschikt als richtsnoer voor politiek handelen. «Spontane evolutie» (naar een woord van Hayek) werd niet uitgedacht in de studeerkamer, maar behoorde zich zonder al te veel inmenging van de staat te voltrekken in de vrije interactie tussen «self-utility maximizing men». Binnen het politiek-filosofisch raamwerk zoals Hayek dat uiteenzette in zijn Constitution of Liberty (1960) leek geen plaats voor de hervormingsdrang van Reagan en Thatcher, de toenmalige boegbeelden van de «Right Revolution», hoezeer beide staatslieden zelf ook dweepten met de Nobelprijs-winnende econoom. Beiden stonden immers een rigoureuze transformatie voor van verzorgingsstaten die, in overeenstemming met conservatieve wensen, geleidelijk en door trial and error tot stand waren gebracht.

Een rechtgeaarde conservatief kon, zo luidde mijn mondelinge reactie op de ansichtkaart, hun visioen van een nieuwe wereld moeilijk goedkeuren. Het was niet makkelijk om Kinneging op eventuele inconsistenties in zijn denken te wijzen. Hij was immers een overtuigd gelovige in de destijds nog kleine kerk van neoconservatieven. Maar hij was ook een goede docent: zijn provocaties werkten.

Een medestudent in die dagen, Peter Olsthoorn, schreef als reactie een opstel met de titel Waarom Hayek wél een conservatief is, in weerwil van Hayeks eigen essay Why I Am Not a Conservative (het naschrift in The Constitution of Liberty). Olsthoorn toonde aan waarom neoconservatieven ten onrechte wapperen met de boeken van Hayek.

Inmiddels is het doktor Olsthoorn. Onlangs schreef hij een soortgelijk artikel in Liberaal Reveil, het huisorgaan van het wetenschappelijk bureau van de VVD. Hij voelde zich kennelijk opnieuw uitgedaagd, dit keer door nieuwe zelfverklaarde conservatieven die zich enkele jaren terug verenigden in de zogenoemde Burke-stichting.

Onder de protectie van Andreas Kinneging staat deze stichting de verspreiding van het conservatieve gedachtegoed hier te lande voor. Het revolutionaire elan van de huidige Amerikaanse regering van George Bush jr. kan op royale steun rekenen van de jonge conservatieven van de Burke-stichting. Althans, van wat er nog over is van de stichting. Toen haar leden vorig jaar Pim Fortuyn tot «conservatief van het jaar» uitriepen, moeten anderen zijn afgehaakt. En nu de stichting ook de Amerikaanse verbouwing van de wereld steunt, moeten ook de loyale achterblijvers zich in rare bochten wringen om sympathisant te blijven. Olsthoorn schrijft: «Juist de combinatie van idealisme en geweld zou de conservatief moeten verontrusten. Zij herinnert aan de Jacobijnen tegen wie Edmund Burke terecht waarschuwde.»

Dat is waar. De Amerikaanse regering bedrijft niet louter machtspolitiek, maar houdt er ook universalistische en utopische uitgangspunten op na. In de veldtochten van Napoleon moest de «aristocratische orde» waar ook ter wereld sneuvelen. Nu dienen alle ondemocratische regimes te worden vernietigd, te beginnen in Afghanistan en Irak.

Even zelfverzekerd als de politieke erfgenamen van de Verlichting leven de wereldverbeteraars rond de regering-Bush in de veronderstelling dat, na vernietiging van de oude regimes, de «free market democracy» als enig leverbaar aantrekkelijk alternatief snel haar heilzame werking zal hebben. Zoals bij elke revolutionaire heilsprofetie is creatieve destructie het devies. De conservatieve notie dat er lessen zijn te trekken uit het verleden is verlaten. De neoconservatieven zijn wel neo, maar niet conservatief. Ze doen alsof.

Er ging een strijd aan vooraf voordat quasi-conservatieven als veiligheidsadviseur Richard Perle en anderen het oor kregen van de president. Eerst moesten ze de oude realisten verslaan die een rol hadden gespeeld tijdens de regering van Bush senior. Mannen als Brent Scowcroft, Jim Baker en ook Colin Powell. Maar 11 september 2001 zette de deur open naar een volledige reconstructie van de wereld, naar Amerikaans model. Het draaiboek daartoe had iedereen al kunnen lezen in het lijfblad van de revolutionaire conservatieven, The Weekly Standard, en op de opiniepagina’s van The Wall Street Journal. In 1997 hadden ze het Project for the New American Century (PNAC) opgericht. In hun manifest spraken ze van «Reaganite politics», van «militaire kracht en morele duidelijkheid». Tot de ondertekenaars van het PNAC-manifest behoorden vice-president Cheney, defensieminister Rumsfeld, diens onderminister Wolfowitz, gouverneur Jeb Bush, journalist Irving Kristol en filosoof Francis Fukuyama.

De Nederlandse diplomaat en kerkhistoricus Stefan van Wersch wilde Amerika begrijpen en zocht deze denkers al in de Clinton-jaren op, in het hol van de leeuw: de denktank American Enterprise Institute in Washington. De gesprekken daar vond Van Wersch weldadig politiek incorrect en vormden steevast een intellectuele uitdaging. Nadat Amerika in Irak de oorlog had ontketend nam hij voor het meinummer van de Internationale Spectator (het maandblad van de denktank Clingendael) nog eens zijn oude aantekeningen door. Het draaiboek voor het huidige regeringsbeleid bleek er inderdaad al te liggen. Hoewel het met grote geestdrift is geschreven, zoals het revolutionairen betaamt, is de huidige regering-Bush in zekere zin, schrijft Van Wersch, «doodsaai». Ze doet immers precies wat hij in zijn aantekeningenboekje terugvond: het ABM-verdrag de prullenbak in, het kernstopverdrag de nek omdraaien, het concept van de preventieve oorlog uitvoeren, Saddam Hoessein verjagen, elke scherpe resolutie tegen Israël boycotten, enzovoort.

Opvallend is dat uit Van Wersch’ aantekeningen blijkt dat de eschatologische verwachtingen van de nieuwe wereldverbeteraars geen praatjes voor de vaak zijn geweest, kortom niet louter een metafoor. De religieuzen onder deze quasi-conservatieven, door Van Wersch «christen-zionisten» genoemd, geloven daadwerkelijk in de komst van het duizendjarige rijk uit het twintigste hoofdstuk van het bijbelboek Openbaringen. Het is de verantwoordelijkheid van het machtigste land op aarde aan de komst ervan mee te werken.

In Europa, waar het millennarisme nauwelijks voet aan de grond heeft gekregen, wordt de invloed van de eindtijdtheologie in de Amerikaanse samenleving onderschat. Maar in Amerika, waar het millennarisme zo’n veertig tot zestig miljoen aanhangers heeft, speelt het een belangrijke rol. De politieke vertaling van de eindtijdtheologie komt bovenal neer op onvoorwaardelijke steun aan Israël. Een exclusief joods Israël is namelijk nodig in de schepping van een belangrijke volgende fase in het «eschatologisch spoorboekje», zoals Van Wersch dat noemt. Die fase zal leiden tot de onvermijdelijke bekering van alle joden en de uiteindelijke, beslissende slag bij Armageddon.

Bestaat de eindoverwinning voor de hele groep quasi-conservatieven uit de overwinning van de in alle omstandigheden zaligmakende market democracy, de millennaris tische christenen onder hen helpen actief mee aan de verwezenlijking van het koninkrijk Gods, hier op aarde.

Niet ten onrechte beweerde George Soros, de valutahandelaar met internationalistische politieke aspiraties, onlangs nog dat het Witte Huis wordt bevolkt door fundamentalisten. Tekenend is ook dat Cohn-Bendit, de oude studentenleider uit de jaren zestig en tegenwoordig fractievoorzitter van de Groenen in het Europese parlement, de neoconservatieven verwijt aan dezelfde revolutionaire hoogmoed te lijden als de bolsjewieken in de Russische Revolutie. Tijdens een gesprek in de Heinrich Böll Foundation in Washington wierp hij Richard Perle voor de voeten: «Jullie willen de hele wereld veranderen! Net als zij (de bolsjewieken) claimen jullie dat de geschiedenis zal aantonen dat de waarheid aan jullie kant staat. (…) U gelooft dat u weet wat goed is voor Irak, Syrië, Saoedi-Arabië, Noord-Korea, Liberia en Jemen.»

De quasi-conservatieven denken inderdaad dat de geschiedenis aan hun kant staat, net als Lenin en Trotski. Omdat de geschiedenis nu eenmaal haar onvermijdelijke loop heeft. Daarom geloven ze in het domino-effect: eerst democratie in Irak en dan verder voorwaarts. Kort voor de oorlog zei de neocon Michael Ledeen (werkzaam bij het American Enterprise Institute) tegen American Prospect: «Dit kan de oorlog blijken te zijn om de hele wereld opnieuw in te richten.»

Met conservatisme heeft dit allemaal weinig tot niets te maken. Ook de Hayek van The Constitution of Liberty zou huiveren bij de teksten van hen die zich neoconservatief noemen, los van de vraag of Friedrich Hayek nu tot de libertariërs, de klassiek liberalen, de neoliberalen of de conservatieven moet worden gerekend.

De Britse filosoof John Gray windt zich er al enige jaren over op dat de echte conservatieven alleen zijn gelaten. Ooit koesterde hij linkse sympathieën, later werd hij bewonderaar van Hayek en schreef een belangwekkend boek over diens politieke filosofie. Maar ondanks hun gedeelde scepsis over de kracht van de menselijke rede meende hij uiteindelijk toch dat Hayek al te sterk geloofde in de heilzame werking van de vrije markt en er te veel een klassiek liberaal concept van vooruitgang op nahield. Gray wil dichter blijven staan bij de traditie van de contra verlichting, zoals verwoord door Burke. Als leerling van Berlin heeft hij geleerd naar de donkere kant van het verlichtingsdenken te kijken. Dat denken staat aan de wieg van de moderniteit en die heeft ons in politieke zin vooral wreedaardige narigheid bezorgd.

Met name het inherente utopistische gehalte ervan is voor Gray een steen des aanstoots. Voortgekomen uit het christendom, met zijn concept van de Verlossing, kreeg het utopisme in de Verlichting een nieuwe theoretische onderbouwing, namelijk de illusie dat de mens zijn lot in eigen handen kan nemen door voortschrijdende technologische ontwikkeling. Communisme en nationaal-socialisme zijn voor hedendaagse denkers uit de contraverlichting loten aan dezelfde boom.

Wellicht overspeelt Gray zijn hand in zijn nieuwste boek, door zelfs de jihadstrijders van al-Qaeda als product van het modernisme te kwalificeren. «Evenals het communisme en het nazisme is de radicale islam modern. (…) Hun wortels werden gevormd door de meest utopische dromen van de Verlichting.» Moderniteit wordt voor de Britse filosoof een containerbegrip waar alles in past wat vies en voos is.

Maar Gray ergert zich terecht mateloos aan de universalistische pretenties van de quasi-conservatieven. In een interview met essayist Bas Heijne sprak hij in NRC Handelsblad van «rechtse bolsjewieken». Probeer je de hemel op aarde te vestigen, dan creëer je de hel. Altijd, zoals Karl Popper (1902-1994) al wist.

Kortom, John Gray is de werkelijke erfgenaam van het conservatieve gedachtegoed, niet de mannen van het American Enterprise Institute of de Burke-stichting. Want de waarachtige conservatief gelooft slechts in geleidelijke verandering, met behoud van historisch gegroeide conventies, mores en waarden. Hoe irrationeel die op het eerste gezicht ook lijken, ze geven richting aan het leven. Hoe meer sociale conventies, zo men wil: taboes, worden geslecht, des te meer regels moet de overheid uitvaardigen en handhaven om de maatschappelijke orde te behouden. De mens is van nature immers tot het slechte geneigd. Hij moet dus door conventies worden ingesnoerd. Laat je hem zijn gang gaan, dan zal hij zich van zijn meest zelfzuchtige kant laten zien.

Hoewel hij er aanvankelijk tegen streed, heeft de conservatief zich daarom neergelegd bij het bestaan van de democratie. Burke zelf is weliswaar altijd tegen de uitbreiding van het stemrecht geweest, maar inmiddels, zo oordeelt de burkeaanse conservatief, is de democratie een historisch gegroeide praktijk. In het Westen althans. Ze kan niet worden opgelegd aan volkeren die zich nog niet de gewoonten, normen en waarden van de democratie en de vrijheid hebben eigen gemaakt. Ian Buruma formuleerde het afgelopen weekeinde in NRC Handelsblad zo: «Democratie was in de ogen van de conservatieve realisten prima voor ons, maar niet voor vreemde volken met exotische namen.» In andere landen ontstaan andere regels, en alleen als die postvatten in de harten van de mensen, heeft het zin ze in wetten vast te leggen.

De echte conservatief heeft dus een particularistische opvatting van het recht. Voor hem is de samenleving niet maakbaar, en zeker niet de samenleving van een ander. De ware conservatief beseft de feilbaarheid van de mens. In de woorden van Burke: door zijn gebrekkige verstand en zijn onvermijdelijk ontoereikende kennis is het goed dat de mens «avails himself of the general bank and capital of nations and ages». Niet te veel voor jezelf denken. Want anders dan traditie, vooroordeel en gewoonte kan de rede slechts abstracte waarheden produceren die niet aansluiten bij de noden van concrete historische gebeurtenissen en geen rekening houden met de verscheidenheid aan culturen en samenlevingen. Burke: «De menselijke natuur is ingewikkeld; maatschappelijke kwesties zijn van de grootst mogelijke complexiteit; en daarom kan geen enkele simpele strategie of beschikking van macht in overeenstemming zijn met de natuur van de mens, of met the quality of his affairs.»

Olsthoorn schreef in Liberaal Reveil: «Een rechtgeaard conservatief zou zich toch unheimisch moeten voelen bij het staaltje onvervalst blauwdrukdenken dat ten grondslag ligt aan de buitenlandse politiek van Amerika.» Columnist J.L. Heldring heeft ook twijfels. Hij spreekt in zijn columns in NRC Handelsblad over het «radicale idealisme» van de neoconservatieven. Toch laat hij ze met rust en kiest er vooralsnog voor om links te wijzen op haar eigen inconsistentie. Dat is begrijpelijk. Wel woedend eisen dat dictators als Franco en Pinochet ten val worden gebracht, maar tegelijk ageren tegen een oorlog die een einde moet maken aan het schrikbewind van Saddam Hoessein.

Maar Heldring gaat iets te snel. Niet alle linkse commentatoren zijn inconsistent in hun opvattingen over de oorlog. Elsbeth Etty (NRC Handelsblad) en Mient Jan Faber (voorheen IKV) zijn wel consequent voor de oorlog geweest. Zijn er ergens slechte mensen aan de macht? D’r op af. Hupsakee. Het gaat hen niet om de gevolgen, als de goede intentie maar spreekt. Dat is de taal van de idealist. En die spraken ze altijd al, zowel in de jaren van Franco als tijdens de dictatuur van Pinochet. Het is geen toeval dat ook de quasi-conservatieve beweging in de VS voor een groot deel bestaat uit teleurgestelde democraten en zelfs marxisten die sinds de jaren zestig zijn opgeschoven. Net als Andreas Kinneging hebben velen van hen een radicaal-linkse achtergrond. Irving Kristol bijvoorbeeld was ooit trotskist.

Wellicht hebben deze idealis ten (van Perle tot Etty) ook meer een levenshouding gemeen dan een politieke doctrine. Het gaat ze in eerste instantie om de geestdrift. Van Wersch herinnert zich van zijn gesprek met Perle vooral diens «onwaarschijnlijk vastberaden persoonlijkheid». Herkenbaar, ook in de geschiedenis. Burke had een hekel aan zogenaamde enthousiastelingen, mensen die zonder enige twijfel als zalmen tegen de stroom in zwommen, en ook nog eens bevlogen kond deden van hun zwemtocht, in de overtuiging dat ze een voorhoede vormden. Natuurlijk, Faber en Etty hebben een ander mensbeeld dan Perle en Wolfowitz. Maar toch is er een merkwaardig verbond tussen hen ontstaan, het verbond van de moreel geladen geestdrift: niet denken maar doen. Over Burke hoor je ze niet. Dat is op zichzelf begrijpelijk. Ze zijn geen echte conservatieven.

Maar ook de leiding van de Burke-stichting laat zich weinig meer gelegen liggen aan de scherpzinnige mopperaar uit de pruikentijd. Dat is minder vanzelfsprekend. Bij die stichting, die het ware conservatisme zegt te willen bevorderen, lijken ze te geloven dat het in lijn is met de geschriften van Burke om de wereld met legertroepen een specifiek model van democratie op te leggen.

Dat is de paradox van het zogenaamde neoconservatis me. De ideologen die Burke de afgelopen tien jaar hebben willen opgraven, hebben zijn graf juist aangestampt.