Israël: De dreiging van binnenuit

Valse veiligheid

De raketten uit Gaza worden onverbiddelijk beantwoord, maar Israël was niet voorbereid op het joods-Palestijnse geweld in de straten. Met permanente dreiging ‘slechts’ van buiten rekende Israël zich rijk.

14 mei in Shuafat, een overwegend Palestijnse wijk in Oost-Jeruzalem © Ahmad Gharabli / AFP / ANP

Terwijl afgelopen week het geweld tussen Israël en Hamas oplaaide, was er een voetnoot bij het nieuws die meer over de huidige situatie vertelde dan de honderden raketten die vanuit de Gazastrook naar Israëlische steden werden gevuurd. Die salvo’s waren tot op zekere hoogte bekend terrein, en de disproportionele Israëlische reactie daarop ook. Maar wat vorige week gebeurde was een unicum: Israël reageerde op het oplaaiende geweld met een verplaatsing van ordetroepen van Palestijns gebied naar Israël, in plaats van andersom. Negen compagnieën Israëlische grenstroepen reden van de Westoever naar Israëlische steden om te proberen de situatie onder controle te krijgen. Sinds Israël ruim een halve eeuw geleden het militair bestuur over de Palestijnen die binnen zijn grenzen wonen ophief, schreef The Times of Israel, had het land nooit de noodtoestand afgekondigd om het gezag over hen te herstellen. Tot vorige week.

Als iets voor het eerst in decennia gebeurt, betekent dat niet per se dat er een nieuwe fase is aangebroken. Maar er zijn meer opvallende feiten in de nieuwste ronde van het Israëlisch-Palestijns geweld. Zoals de gebeurtenis die er de aanleiding voor vormde. Dat was een nationalistische mars waarin rechts-religieuze joodse Israëliërs met vlaggen door de Arabische wijk van Jeruzalem zouden trekken. Een maand eerder was een nationalistische mars in Ballymena, Noord-Ierland, ook al onderdeel van oplaaiend geweld aldaar. De overeenkomst is meer dan toeval, volgens Menachem Klein, hoogleraar politicologie aan de Bar-Ilan Universiteit en oud-adviseur van de Israëlische regering tijdens de Camp David-top in 2000. ‘Wat we nu zien, is dat het Palestijns-Israëlisch conflict is verschoven van een strijd om territorium naar een etnisch conflict zoals in Sarajevo of Belfast’, zegt hij in een telefonisch gesprek. ‘Ik zie in Israël geen erkenning van wat dat betekent.’

Even een paar stappen terug, om die uitspraak in perspectief te plaatsen. Het geweld dat de afgelopen week oplaaide tussen Israël en de Palestijnen vormt nog altijd een deel van de nasleep van het mislukte vredesproces. Dat begon met de Oslo-akkoorden van 1993, die via een aantal stappen zouden uitmonden in twee staten, Israël en Palestina. In de loop van de jaren negentig liep dat proces steeds meer spaak, en een paar nieuwe overlegrondes rond 2000 repareerden dat niet. Palestijnen kwamen in opstand in de Tweede Intifada en het Israëlische leger nam steden op de Westoever opnieuw in, terwijl het Gaza juist verliet. Na een interne Palestijnse machtsstrijd nam Hamas de controle over de Gazastrook over. De Westoever bleef in naam gecontroleerd door Fatah, onder president Mahmoud Abbas, maar in werkelijkheid maakte Israël er de dienst uit. Daar is sindsdien vaak sprake van kleinschalig geweld tussen joodse kolonisten en Palestijnse inwoners, terwijl tussen Israël en Hamas een paar keer grootschalig geweld is uitgebroken.

Cruciaal voor deze situatie is dat er in het hele gebied maar één staat bestaat: Israël. Het is daarmee in feite een ‘één-staat-oplossing’ voor de tegenstrijdige claims op het gebied. Zo’n één-staat-oplossing wordt vanouds zowel door linkse Israëliërs (en sommige Palestijnse intellectuelen) gesteund – één staat met gelijke rechten voor iedereen – als door rechtse Israëliërs – die evenwel alleen volledige burgerrechten voor joodse inwoners willen, of zelfs de Palestijnse inwoners willen verwijderen.

In het veiligheids-establishment van Israël bestaat overweldigende steun voor een ‘twee-staten-oplossing’. Een reeks interviews van twee wetenschappers wees twee jaar geleden uit dat onder ex-generaals en voormalige directeuren van veiligheidsdiensten een ‘bijna volledige consensus’ bestaat dat er twee staten moeten komen. De Israëlische premier Benjamin Netanyahu bewijst er ook soms lippendienst aan. Maar in de praktijk heeft hij dat, net als zijn (eveneens) rechtse voorgangers Ehud Olmert en Ariel Sharon, altijd tegengewerkt, door de politieke autonomie van de Palestijnse Autoriteit te ondergraven en steeds meer joodse kolonisten in Palestijnse gebieden toe te laten. Aan Palestijnse kant is nooit een serieuze tegenpartij gekomen – mede door Israëls sabotage daarvan. In Israël wordt algemeen geaccepteerd dat er geen ‘partner voor vrede’ is (overigens een term die door de linkse premier Ehud Barak is gemunt). Anno 2021 is ‘twee staten’ alleen nog een theoretische mogelijkheid.

‘Om normatieve en strategische redenen’, schreef een groep politicologen afgelopen zomer, ‘waren Palestijnen, Israëliërs en de internationale gemeenschap bereid om te leven met het voorwendsel dat er misschien nog twee staten zouden komen.’ Maar dat is voorbij. ‘Israël en Palestina: Een Eén-Staat Realiteit’, heette de conferentie waarop dat gebeurde. Die realiteit impliceert dat de dagelijkse praktijk van ongelijkheid tussen Israëliërs en Palestijnen niet een tussenfase is, maar permanent. ‘Het Israëlisch-Palestijnse conflict waar diplomaten een halve eeuw aan werkten, is voorbij’, concludeerde een discussiestuk van de Amerikaanse denktank Carnegie onlangs. ‘Niet dat er een oplossing gevonden is. Juist het tegenovergestelde: alle onrecht en onveiligheid die de inwoners raken in het gebied tussen de Jordaan en de Middellandse Zee zijn nu zo diep ingebed in het dagelijkse leven dat geen diplomatiek raamwerk ze nog kan aanraken.’

De trotse Israëlische Palestijnen willen niet blijven bestaan als een tegensamenleving

Ook in Israël was dat natuurlijk bekend. Maar daar groeide de afgelopen jaren de overtuiging dat Israël de sleutel had gevonden voor zijn problemen met de Palestijnen. Die sleutel lag in een brede mix van maatregelen: snoeiharde vergeldingen tegen Hamas, een afscheidingsmuur, liquidaties van Palestijnse militanten, juridische en economische druk op Palestijnen in omstreden gebieden, uitgebreide netwerken van informanten en lange gevangenisstraffen, een groeiende hoeveelheid kolonisten in Jeruzalem en op de Westoever, en meer. Nog steeds was er regelmatig geweld, maar dat leek geen essentiële bedreiging meer. ‘Er is de afgelopen jaren een gevaarlijk naïeve consensus ontstaan dat Israël het Palestijnse conflict met succes had onderdrukt’, schreef New York Times-columnist Thomas Friedman: een consensus die geloofde dat Palestijnen ‘zich maar hadden neergelegd bij een leven onder permanente Israëlische controle’.

Daarom is de schok over het jongste geweld zo groot; de consensus blijkt vals. Israël is gewend geraakt aan periodieke raketsalvo’s vanuit Gaza, ‘massive retaliation’ met de eigen luchtmacht en beelden van Israëlische ordetroepen die vechten met Palestijnse demonstranten – op de Westoever. Vorige week spijkerden winkeliers in verschillende Israëlische steden hun etalages dicht nadat groepen Palestijnse Israëliërs vochten met de politie en op sommige plekken auto’s verbrandden, joodse Israëliërs aanvielen en synagogen in brand staken. Een ‘pogrom’ door een ‘bloeddorstige Arabische menigte’, noemde de Israëlische president Reuven Rivlin het geweld. De volgende dag reden bussen vol joodse ultranationalisten door het land om in diezelfde steden jacht te maken op Palestijnse landgenoten – sommigen werden live op de Israëlische televisie afgetuigd. Na uren van stilte riep premier Netanyahu op tot een ‘einde aan de anarchie’ en veroordeelde hij Palestijnse en joodse Israëliërs die elkaar ‘grepen en probeerden te lynchen’.

‘We zien een situatie in onze gemengde steden die we nooit eerder hebben gezien’, zei Israëls nationale politiechef. De schok daarover was groot. President Rivlin noemde de uitbarsting van geweld een ‘onzinnige burgeroorlog’ en zei later dat ‘een burgeroorlog een bedreiging zou zijn van ons bestaan, gevaarlijker dan alle dreigingen die we hebben van buiten’.

Volgens de valse veiligheidsconsensus zou die binnenlandse dreiging ook helemaal niet moeten bestaan. In die consensus komt alle dreiging van buiten. Vanuit Iran, dat een onverzoenbare doodsvijand is. Vanuit Libanon, waar Hezbollah is gelegerd. Vanuit Gaza, waar Hamas de scepter zwaait. Vanaf de Westoever, waar de Staat Palestina (voorheen Palestijnse Autoriteit) geen greep heeft op terroristische groepen. Israëls eigen Palestijnen die twintig procent van de bevolking vormen, komen in dat dreigingsidee niet voor. Volgens objectieve maatstaven, zoals inkomen of opleiding, zijn zij beter af dan Palestijnen in Gaza, op de Westoever of in de vluchtelingenkampen in Libanon. En dus bestaan zij in de consensus over het onderdrukte conflict niet.

‘Israëliërs leven in ontkenning van de werkelijkheid’, zegt politicoloog Menachem Klein hierover. ‘Ze leven in de illusie dat Palestijnen buitengesloten zijn uit Israël. We zien ze niet, er is geen Intifada en met de muur langs de Westoever en de scheidingszone tussen Gaza en Israël lijken ze succesvol uit Israël verwijderd. De meeste joodse Israëliërs geloven onterecht dat Israël de oorlog met de Palestijnen heeft gewonnen, dat het een manier heeft gevonden om het conflict te beheersen en dat de zaken op deze manier verder kunnen gaan.’

Klein voorspelde deze trend tien jaar geleden in zijn boek The Shift: Israel-Palestine from Border Conflict to Ethnic Struggle. ‘We zien in Israël nu een jonge, hoogopgeleide, assertieve generatie opstaan’, zegt hij. ‘Deze Israëlische Palestijnen willen deel zijn van de staat, meer dan hun ouders en grootouders. Maar tegelijkertijd zijn zij trotse Palestijnen. Zij gaan hun identiteit niet opgeven. Ze willen gelijkheid en integratie. Ze willen erkenning als een etnische en culturele minderheid en zijn niet bereid om te blijven bestaan als een soort tegensamenleving. Bovendien zie je dat deze jonge generatie Palestijnse Israëliërs het politieke vacuüm in de Palestijnse politiek instapt. Zij werpen zich op als eigenaar van de Palestijnse identiteit en zijn niet bereid om de politieke grenzen die tussen verschillende Palestijnen opgetrokken zijn te accepteren als een betekenisvolle onderscheiding.’

Die politieke grenzen zorgen overduidelijk voor politieke impotentie bij de Palestijnen. De Palestijns-Israëlische politicus Mansour Abbas van de partij Verenigde Arabische Lijst flirtte de afgelopen maanden eerst met Netanyahu’s zeer rechtse regering, wendde toen haar koers en stond vorige week op het punt om samen met andere partijen Netanyahu naar huis te sturen. Hamas-leider Ismail Haniyeh dicteerde vanuit Qatar de lijn van zijn organisatie, terwijl Mahmoud Abbas even ervoor voor de zoveelste maal Palestijnse verkiezingen had uitgesteld, en vanaf de Westoever Palestijnse autoriteit voorwendde.

Ondertussen is de nieuwe realiteit dat jonge Palestijnen vanachter al die grenzen instant-verbinding met elkaar maken via sociale media, met name TikTok, en video’s sturen van Israëlisch geweld, van hun eigen demonstraties en van hun eigen aanvallen op joodse Israëliërs. Sommige TikTok-video’s werden binnen enkele dagen tientallen miljoenen keren bekeken. ‘Jullie weten wat je moet doen’, schreef een gebruikster uit Gaza bij haar video van huilende Palestijnse kinderen en de vernietiging van een flatgebouw. De Israëlische regering lijkt vooralsnog weinig te kunnen doen tegen die nieuwe dimensie van het Palestijns-Israëlische conflict. ‘We handelen nu, zolang het nodig is, om rust te herstellen. Het zal tijd kosten’, zei Netanyahu. Dat lijkt vooral een wensdroom.