Valse vriend Pakistan

TIEN JAAR nadat CIA-medewerkers Pakistan binnenstroomden om daar de war on terror voor te bereiden, is het Pakistaanse leger in de hoogste staat van paraatheid gebracht. Het gevaar wordt verwacht uit dezelfde hoek van waaruit de afgelopen tien jaar meer dan twintig miljard dollar aan (militaire) hulp naar Pakistan vloeide: de VS. De kans op oorlog tussen deze twee voornaamste strijders in de ‘oorlog tegen terreur’ is een even onwaarschijnlijk als zorgwekkend einde van een decennium dat Pakistan een van de grootste zorgenkinderen ter wereld heeft gemaakt.
In die tien jaar heeft Pakistan zijn strijd tegen binnenlandse extremisten en afscheidingsbewegingen gevoerd, zijn er talloze geheime operaties geweest tegen even geheime groepen en is het grensgebied met Afghanistan in een permanente staat van semi-oorlog geraakt, met onbemande Amerikaanse vliegtuigen die er dag en nacht kunnen toeslaan. Dat alles heeft grote gevolgen gehad. Pakistan was altijd al een incompetent en corrupt bestuurd land met grote etnische en religieuze spanningen, maar die latente problemen zijn de afgelopen tien jaar verergerd. De Pakistaanse Taliban hebben inmiddels een achtste deel van het land in handen. Sektarisch geweld is door het hele land toegenomen, niet in het minst in Karachi, de grootste stad van het land. Er gaat steeds minder geld naar onderwijs, gezondheidszorg en andere civiele taken, terwijl de vermeende dreiging uit India bakken met geld blijft kosten - onder meer voor het beruchte atoomarsenaal. Maar het voornaamste gevaar voor Pakistan lijkt te liggen in de groei van religieus extremisme, een gevaar dat delen van de Pakistaanse militaire en politieke top willens en wetens hebben aangewakkerd door steun aan extremistische groepen zoals de Taliban en de Haqqani-clan.
Die Haqqani’s zijn de oorzaak van de huidige oorlogsdreiging, doordat dit fundamentalistische misdaadsyndicaat onlangs aanslagen uitvoerde op de Amerikaanse ambassade in Afghanistan. De Pakistaanse geheime dienst hielp daarbij mee, volgens de Amerikaanse stafchef Mullen. En dat wordt in Pakistan geïnterpreteerd als een opmaat tot een aanval op de Haqqani-clan binnen Pakistan - net zoals de VS ongevraagd Bin Laden doodden in zijn Pakistaanse villa. Islamabad wil zo'n aanval niet nog eens ongestraft voorbij laten gaan.
Als het zo ver komt, zouden veel Amerikaanse militairen en politici opgelucht zijn dat het uit is met de valse vriendschap met Pakistan. Ook in andere westerse landen is er vaak woede om het dubbelspel dat in Islamabad wordt gespeeld - geld aannemen en de bondgenoot spelen maar ondertussen de Taliban en andere vijanden helpen. Die woede is natuurlijk terecht. Maar wellicht erger dan dat Pakistan een valse vriend was, is dat westerse landen erbij stonden te kijken hoe Pakistan zichzelf steeds meer verstrikte en wegzonk in de 'oorlog tegen terreur’. Door eigen keuzes in Islamabad, maar wel in het kader van een door anderen gekozen oorlog en met een flinke mep subsidie.