Ger Groot

Valsemunters

Het verschil tussen het verhaal en het betoog is er vooral een van verknoping. Het eerste rijgt zijn zinnen aaneen volgens de tijdslogica van het «en toen… en toen», het tweede volgens de logica van de conclusie: «en dus… en dus». Dwingender en soms ook tragischer wordt de eerste naarmate haar onontkoombaarheid meer gaat lijken op de tweede.

In een betoog is er – ideaal gesproken – immers geen ontkomen aan. De argumentatie vormt een gesloten reeks gevolgtrekkingen naar het voorbeeld van de mathematica. Geen speld is daar meer tussen te krijgen, maar die hechtheid betaalt ze wel met een verlies aan werkelijkheid. Alleen in een abstract universum van begrippen, axioma’s en afleidingsregels heerst de rigueur van zekerheid.

In de realiteit zijn de verbanden altijd minder eenduidig. Nooit vallen de dingen samen met de woorden, laat staan met de begrippen. De taal die haar het meest nabijkomt, is die van de éne constaterende zin waarin woord en ding heel even in elkaars nabijheid komen. Zo’n zin maakt een gebaar naar de werkelijkheid, maar is niet de afspiegeling ervan.

Uit dergelijke zinnen bestaat het verhaal, dat hen dan ook alleen maar in tijdsvolgorde achter elkaar kan zetten. Het duidt aan, maar synthetiseert of definieert niet – en daarom kan het ook niet concluderen. In dat gebrek aan stelligheid ontplooit zich de ruimte van het verhaal, waarbinnen de personages van de roman reële, dus tegenstrijdige persoonlijkheden kunnen worden en de plot altijd meerdere facetten en (dus) interpretaties bezit.

In diezelfde openheid eclipseert de auteur en weet hij zich desnoods aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken. Zelfs wanneer hij «ik» zegt spreekt hij (anders dan de essayist) nog altijd niet in eigen naam en wat zijn personages zeggen is niet wat hij zegt. Wat zegt hij dan wél? Voor de morele strekking van zijn verhaal kan hij wellicht ter verantwoording worden geroepen, maar zelfs dan weet hij zich gedekt door het besef dat ook die betekenis niet eenduidig is.

Is de vertelling zo het katholieke genre bij uitstek, de verhandeling klinkt daarentegen op als het reformatorische protest. De essayist beweert en staat voor zijn beweringen. Hij kan niet anders, want het argument waarin hij de werkelijkheid heeft samengevat staat geen andere uitleg toe. Hij verdwijnt niet achter zijn woorden maar valt ermee samen – en is daarover moreel en juridisch verantwoording schuldig.

Ook de protestantse deugdzaamheid van de verhandeling staat echter op een wankel fundament. Om eerlijk te kunnen zijn, heeft ze eerst de werkelijkheid moeten vervalsen. Haar volzinnen kunnen slechts voorgeven de wereld weer te geven nadat zij haar eerst van haar tweeduidigheid hebben ontdaan.

Daarmee hangt de zekerheid van het betoog letterlijk boven een afgrond, die het laat doorgaan voor de onwrikbare rede zelf. Pas wanneer ze de werkelijkheid verlaten heeft, voelt de verhandeling zich in haar eigen element.

Volledig overtuigend wordt zij daarin nooit. Haar ontegensprekelijke gelijk in het debat vervliegt zodra ze haar conclusie heeft geformuleerd. Dat de wereld zelf altijd weerbarstiger is, weet iedere lezer met enige ervaring of verstand. En juist die wereld blijft ons, óók in haar literaire vorm, nog altijd het meest nabij. In de koffer, op het nachtkastje of waar ook maar de leeskeuze haar vrijheid neemt, moet het essay het bijna altijd afleggen tegen de vertelling of roman.

Maar zelfs in die levensechtheid is die laatste sluwer dan gedacht. Ook zij kan het uiteindelijk niet stellen zonder valsheid. De schrijver kiest wat hij vertelt, volgens een opzet die hij slinks verbergt achter het realistische «en toen». Zijn ratio is niet minder abstract maar wel subtieler dan die van de essayist – en daarom is hij de beste valsemunter van de twee. Zelfs in een wereld die – dankzij het woord – eenieder tot bedrieger maakt, weet hij als beste zijn handelswaar als echt te slijten.