NEDERLANDSE SATIRE

Valt er nog iets te lachen?

Voor goede satire is het belangrijk te weten waar je voor of tegen bent. Waar zijn de Nederlandse satirici van vandaag nu echt tegen? Want het persifleren van Inge de Bruijn of Chazia Mourali kent toch zijn beperkingen.

Televisiesatire met eenzelfde effect als Zo is het toevallig ook nog eens een keer, Hadimassa en Koot en Bie bestaat niet meer. De leemte die hierna ontstond, is in de afgelopen jaren maar gedeeltelijk opgevuld door de (te korte) serie 30 minuten van Arjan Ederveen, Koefnoen en Jiskefet. En ook die laatste hebben alleen bij vlagen (met Debiteuren Crediteuren en De Lullo’s) de invloed gekregen die Van Kooten en De Bie in hun hoogtijdagen hadden. Waar ligt dat aan?
Er zijn veel verzachtende omstandigheden voor zo'n satire-loos tijdperk. Het is om te beginnen een uitzonderlijk genre - ook in de literatuur en de journalistiek zijn de hoogtepunten schaars. Satire vereist een superieur intellect, een vlijmscherpe pen en een sterke persoonlijkheid die volstrekt onafhankelijk kan opereren. Nog belangrijker is dat je enig idee hebt waar je voor of tegen bent. En vooral dat laatste is moeilijk, nu iedereen vooral overal tegen is. De Tegenpartij, door Koot en Bie als grap gelanceerd in 1980, is een serieuze volksbeweging geworden, met leiders die alle items van het partijprogramma van Jacobse en Van Es inmiddels tot hun eigen gedachtegoed hebben gemaakt - tot en met de filippica tegen ‘interrectuelen’ die de 'elite met designbrillen’ van Wilders zijn geworden, waarmee hij in een eigen poging tot satire een type introduceerde dat Koot en Bie al jaren geleden lieten zien.
Waar de klassieke satire een daad van het woord was, doet de televisiesatire het namelijk met rare brillen, grote oren, piekhaar, slechte tanden, kreukelpakken en hoge schoenen. En een imitatie-bekakte tongval dan wel provinciaal accent natuurlijk.
Toch kwam daar tussen 1963 en 1998, toen Koot en Bie stopten, nog wel iets bij. Er leek een wereld te winnen.
De jongeren verzetten zich tegen een oudere generatie machthebbers en er waren aansprekende taboes die konden worden doorbroken (vrije seks, drugs).
De kapitalistiese konsumptiemaatschappij werd met hetzelfde medium bestreden dat als symbool van al die consumptie werd beschouwd: de televisie. Het was prijsschieten voor Zo is het toevallig ook nog eens keer (1963-1966, een Nederlandse bewerking van That Was the Week that Was van de BBC), en Hadimassa (1967-1972). De ophef over Beeldreligie (1964), een item waarin de televisie aanbeden werd als een afgod, nu een gevaarloos museumstuk, riep Kamervragen op en er werd censuur geëist van de Vara. Het programma verdween twee jaar later alsnog, maar werd vrijwel meteen opgevolgd door Hadimassa. In plaats van journalisten (Blokker, Ferdinandusse) waren het nu acteurs die de leidende figuren werden, zoals Ton van Duinhoven, Annemarie Oster en een jong duo dat uit zou groeien tot de belangrijkste bestrijders van onzin en poeha: Van Kooten en De Bie, die hier begonnen als Klisjeemannetjes. Het was ook niet, of niet meer alleen, de macht die te kijk werd gezet, maar de camera werd omgedraaid en op het publiek zelf gericht. In plaats van machthebbers werden de onderdanen op de hak genomen, de 'anderen’ die te rangschikken zijn. Zoals Ari Versluijs en Ellie Uytenbroek jaren later met hun fotoserie Exactitudes tot dan onopgemerkte identieke mensen wisten te selecteren (vrouwen met grijs permanent in beige en lichtblauwe regenjassen, corpsballen met oranjebruine broeken), zo speelden Van Kooten en De Bie dat jarenlang klaar met hun eigen encyclopedie van de Nederlandse samenleving. Alsof ze onderzoekers waren van het Meertens Instituut (Voskuils Bureau), zo wisten ze feilloos de figuren te verbeelden die de terrassen, treinen, theaters en stadions van dit land bevolken. Cor en Cock van der Laak, Koos Koets, zwerver Dirk, Jet en Koosje Veenendaal, Carla en haar zoon Frank van der Putten ('daar ben ik voor behandeld’), Ralph en Thea Ternauw, de Regelneef, de Vieze Man, de Positivoos, oud-verzetsman Bussink en oud-leraar Duits O. den Beste, Aad van der Naad, vakbondsman, en Memien Holboog, ethica. Dit is het volk, en het is tekenend dat de politici die het leiden het moesten doen met wethouder Hekking en prof. dr. ir. Akkermans, die nog steeds zit te wachten op een mooie post in het kabinet.
Is het satire om een volk zo te portretteren? Wél als je merkt dat iedereen deze figuren in anderen herkent. Wél als duidelijk is dat ze nog steeds springlevend zijn. Lang nadat politici van naam het veld hebben geruimd, hoe fraai ooit ook gepersifleerd (zoals Van Thijn), is Hekking nog steeds actief. Hij is, goed geconserveerd, te vinden in vele gemeentebesturen. Onlangs dook de Vieze Man ook weer eens op, in een Postbus 51-spot die wijst op de gevaren van al te openhartig gebruik van internet ('lekker lenig’, zegt hij lebberend tegen de naïeve vrouw van wie we zojuist de vakantiefilmpjes in bikini zagen). Van Kooten en De Bie, en dat is hun onschatbare verdienste, hebben ervoor gezorgd dat iedereen soms even zelf satiricus kan worden als hij deze staalkaart van druktemakers en hun onmacht, onbenul, arrogantie en ijdelheid, altijd ijdelheid, er even bij pakt. En voor wie deze gouden periode van de televisiesatire heeft gemist, omdat hij te laat werd geboren, kan tegenwoordig elk moment van de dag terecht op YouTube of de Simplesite, waar ze keurig staan gerangschikt op onderwerp, om de intellectuele bagage aan te vullen. Niemand heeft nog een excuus als hij kritiekloos als een Ternauw of een Holboog door het leven gaat.
Jiskefet heeft dit niveau maar af en toe bereikt door een paar nog ontbrekende figuren voor dit theater van de lach te creëren. De Dierenwinkel, De Lullo’s, Debiteuren Crediteuren (Jos, Edgar, Storm) en de bewoners van bejaardenhuis Sint Hubertusberg hebben onvergetelijke momenten opgeleverd waarin veel varianten op het afknijpen van zwakke broeders de revue zijn gepasseerd. Eenzelfde eenzame hoogte bereikten Arjan Ederveen en Tosca Niterink met Kreatief met kurk en Borreltijd, waarin de hersenloos geworden televisie zélf onderwerp was. Koefnoen blonk daarna alleen nog uit in het nadoen van BN'ers, met een reeks technische hoogstandjes wat betreft aankleding en acteertalent. Maar het satirisch effect was aanzienlijk minder dan in de tijd van Koot en Bie. Het belang van het persifleren van Inge de Bruijn of Chazia Mourali kent toch zijn beperkingen, en in ieder geval zijn houdbaarheidsdatum.
Wat Koot en Bie hebben geperfectioneerd, maar wat al eerder in treiterige tv-documentaires als Verolme (1967) van Roelof Kiers tot wasdom kwam, is een satirisch oog, waarmee uiteindelijk zelfinzicht en mededogen met al die stumpers om ons heen wordt bereikt. Dat is onderdeel van de grote bewustwordingsgolf van de jaren zestig, die van alle kijkers zelfredzame huis-tuin-en-keukensatirici heeft gemaakt, in elke situatie.
Inmiddels ruilt de Nederlandse televisie veel satire in voor leedvermaak. Lachen doe je om de anderen die zich voor gek willen laten zetten in Idols-achtige situaties, of op de tribune bij Paul de Leeuw. De ironische distantie die het resultaat was van het levenswerk van Koot en Bie verandert daar ook vaak in de houdgreep van wrok en rancune. Dat is de minder mooie kant van de doorgeschoten individualisering. Iedereen wil spullenbaas zijn in een eigen droompaleis. Wie daar kritiek op heeft, kan een klap krijgen. Daar komt weinig satire aan te pas. Daarvoor volstaat het voetbalmodel, waarbij coaches en spitsen bij tegenslag met weinig woorden worden weggezet, en vooral zo snel mogelijk moeten worden vervangen door nieuwe exemplaren die voor instant succes moeten zorgen. Er is een vaste methode om wraak te nemen op de opgeblazen ego’s die het wagen om de baas te spelen.
Die bestaat uit het belachelijk maken van alles wat opvalt aan uiterlijk, spraak en lichaamshouding. Kortom: de bezigheid van omstanders op willekeurig welk terras, alleen nu met betere teksten en betere grime. De heren van Koefnoen die in Kopspijkers aanschoven, bevredigden die behoefte.
Terwijl de massa zo lekker bezig was, gingen de bankiers er stilletjes met het geld van het klootjesvolk vandoor. Dat zij nooit onderwerp van satire zijn geworden, laat zien dat het doelwit vaak wel erg dicht bij huis werd gezocht en er niet zo lang werd nagedacht over de grotere machtsstructuren, zoals een echte satiricus zou doen. Maar ja, die bankiers hadden toen ook nog geen bekend gezicht voor een groot publiek. En televisiesatire moet het wel van die gezichten hebben.
Er valt heus nog wel wat te lachen op tv, er zijn uitschieters, Mad Men bijvoorbeeld, waar een inktzwart beeld wordt geschetst van alle valkuilen die iedereen dagelijks voor elkaar graaft op het werk - daarbij vergeleken was Debiteuren Crediteuren kinderspel. Maar het zegt veel dat zulke kwaliteit Engelstalig is. Van eigen bodem was daar vorig jaar opeens de verrassing van ’t Vrije Schaep, een persiflage op het campingleven in de jaren zeventig, aanstekelijk gespeeld door gerenommeerde acteurs die met perfect tekstmateriaal de taalrijkdom van een verdwenen klasse demonstreerden, de Hadimassa van weleer. Satire was het niet, maar vermakelijk wel - voor een geoefend oog. Het is wachten op betere tijden.