Essay De natuur voorbij De wil van technologie

Van aap tot app

Technologie bevredigt verlangens, bespaart arbeid en brengt mensen in contact met ideeën en met elkaar. Tegelijk leidt technologie een autonoom bestaan en vormt daarmee net zo'n grote kracht als de onbedwingbare natuur.

HET GROOTSTE DEEL VAN MIJN LEVEN heb ik heel weinig bezeten. Ik heb mijn studie niet afgemaakt en bijna tien jaar in afgelegen delen van Azië rondgezworven, op goedkope gympen en gekleed in jeans, met veel tijd en zonder geld. De steden die ik het best kende, waren vervuld van middeleeuwse rijkdom; de landen waar ik doorheen kwam, werden beheerst door oude agrarische tradities. Als ik een fysiek object wilde pakken, was dat vrijwel zeker van hout, vezels of steen. Ik at met mijn handen, trok te voet door bergdalen en sliep waar ik maar kon. Mijn persoonlijke bezittingen bestonden uit een slaapzak, een stel schone kleren, een zakmes en een paar camera’s. Dicht op het land levend ervoer ik de indringendheid van alles om me heen, die je voelt als de buffer van de technologie wordt weggenomen. Ik had het vaker heel koud en warm, was vaak doorweekt en werd sneller door insecten gebeten.
Ik keerde terug naar de Verenigde Staten en kocht een goedkope fiets, waarmee ik van west naar oost een slingerende tocht van achtduizend kilometer over het Amerikaanse continent maakte. Het hoogtepunt was mijn tocht door het nette boerenland van de Amish in oostelijk Pennsylvania. Ik bewonderde de Amish om hun spaarzame bezittingen.
Toen ik in de jaren vijftig en zestig opgroeide in een buitenwijk in New Jersey werd ik omringd door technologie. Maar tot mijn tiende hadden wij geen televisie en toen er een bij ons thuis binnenkwam, taalde ik er niet naar. Ik zag wel welke uitwerking hij had op mijn vrienden. De technologie van de tv had een opmerkelijk vermogen om mensen op specifieke tijden te verleiden en ze dan urenlang in de ban te houden. Ik merkte op dat andere bazige technologieën, zoals de auto, ook in staat leken mensen zo ver te krijgen dat ze zich dienstbaar jegens de technologie gingen opstellen. Mensen werden ertoe aangezet nog meer technologieën te gaan kopen en gebruiken (autowegen, drive-in-bioscopen, fastfood). Ik besloot de technologie in mijn eigen leven tot een minimum te beperken.
Toen mijn fietstocht dwars door het land ten einde was, was ik 27. Ik trok me terug op een goedkoop, afgelegen stukje land in de staat New York, met veel bossen en zonder bouwvoorschriften. Met een vriend hakte ik eiken om om er timmerhout van te maken, en met zelfgemaakte balken en planken bouwden we een huis. De stenen en balken vervulden me met Amish-achtige tevredenheid. Maar ik was geen Amish. Ik bedacht dat als je een grote boom wilde omzagen het een goed idee was om een kettingzaag te gebruiken. Ieder lid van een in een oerwoud levende stam dat er een zou weten te bemachtigen, zou het daarmee eens zijn. Als mijn reizen in de oude wereld me iets hadden geleerd, was het dat aspirine, katoenen kleding, metalen kookpotten en telefoons fantastische uitvindingen zijn. Overal in de wereld grijpen mensen ernaar zodra ze maar enigszins kunnen. Iedereen die ooit een mooi ontworpen handgereedschap heeft vastgehouden, weet dat het je ziel kan verwarmen. Vliegtuigen hadden mijn horizon verbreed, boeken hadden mijn geest verruimd, antibiotica hadden mijn leven gered, fotografie had mij inspiratie gegeven.
Ik raakte gefascineerd door de uitdaging om de werktuigen te kiezen die mijn geest konden verheffen. Op mijn 28ste begon ik per postorder reisgidsen te verkopen met goedkope informatie over manieren om in de technologisch eenvoudige omstandigheden te geraken waarin de meeste aardbewoners nog verkeerden. Ik leende de computer van een vriend (een vroege Apple II) om mijn jonge bedrijfje te automatiseren, en ik kreeg een goedkoop telefoonmodem om mijn tekst naar de drukker te sturen. Ik kreeg een gastaccount, die me in staat stelde gebruik te maken van een experimenteel teleconferentiesysteem dat werd beheerd door een hoogleraar aan het New Jersey Institute of Technology. Ik had al snel in de gaten dat ik in iets groots en meeslepends verzeild was geraakt: de voorhoede van een online-gemeenschap. Ik kwam erachter dat deze hightech-computernetwerken voor vroege gebruikers zoals ik helemaal niet geestdodend waren; ze vúlden onze geest juist. Er was iets onverwacht organisch aan deze ecosystemen van mensen en elektronische verbindingen. Uit het niets bouwden we een virtueel gemenebest op.
Naast het vermogen van technologie om verlangens te bevredigen (en te creëren), en zo nu en dan arbeid te besparen, deed ze ook iets anders. Ze bracht nieuwe mogelijkheden met zich mee. Ik zag online-netwerken mensen in contact brengen met ideeën, mogelijkheden en andere mensen waarmee ze anders nooit in contact zouden zijn gekomen. Op het moment waarop deskundigen verklaarden dat het schrijven dood was, begonnen miljoenen mensen online méér te schrijven dan ze ooit tevoren hadden gedaan. Precies op het moment dat de deskundigen verklaarden dat mensen alleen nog maar in hun eentje wilden spelen, begonnen miljoenen zich aaneen te sluiten. Dit was nieuw voor mij. Ik besefte dat andere technologieën, zoals auto’s, kettingzagen, biochemie en ja, zelfs de televisie, hetzelfde deden, zij het langs enigszins andere wegen. Hierdoor kreeg de technologie voor mij een heel ander gezicht.
Toch bezit ik geen pda, smartphone of met bluetooth uitgerust apparaat. Ik twitter niet. Mijn drie kinderen zijn opgegroeid zonder televisie en we hebben er nog steeds geen in huis. Ik heb geen laptop en neem geen computer mee op reis. Ik rijd tegenwoordig vaker op de fiets dan in de auto. Ik zie dat mijn vrienden vastgekleefd zitten aan hun trillende handhelds, maar ik blijf de overvloed aan technologie op afstand houden, zodat ik me er gemakkelijker bewust van kan blijven wie ik ben.
Ik erken dat mijn relatie met technologie vol tegenstrijdigheden zit. Onze levens worden vandaag de dag gekenmerkt door een grote, voortdurende spanning tussen de deugden van méér technologie en de persoonlijke behoefte aan minder: moet ik mijn kind dat speeltje wel geven? Heb ik de tijd om dit arbeidsbesparende apparaat de baas te worden? En op een dieper niveau: wat is die technologie eigenlijk die mijn leven overneemt? Kunnen we ons ertegen verzetten, of is iedere nieuwe technologie onvermijdelijk? Ik had behoefte aan antwoorden om me door mijn technologische dilemma heen te loodsen. En de eerste vraag waarop ik stuitte was tevens de fundamenteelste. Ik besefte dat ik geen idee had wat technologie werkelijk was. Onze verwarring over technologie begint meestal met een heel specifieke vraag: moeten we het klonen van mensen toestaan? Raken onze kinderen afgestompt van al dat sms'en? Willen we wel dat auto’s zichzelf parkeren? Maar tijdens mijn zoektocht besefte ik dat we, als we bevredigende antwoorden op deze vragen willen vinden, eerst de technologie als geheel moeten bekijken.

HET WOORD TECHNÈLOGOS komt uit het Grieks. Als de oude Grieken het woord technè gebruikten, betekende het zoiets als kunst, vaardigheid, kunstnijverheid of zelfs handigheid. Vindingrijkheid is misschien de beste vertaling. Technè werd gebruikt om het vermogen aan te duiden de omstandigheden te slim af te zijn, en als zodanig was het een eigenschap die door dichters als Homerus zeer werd gewaardeerd. Odysseus was een meester op dit gebied. Plato vond echter, net als de meeste filosofen uit die tijd, dat technè, dat hij definieerde als handwerk, minderwaardig, onrein en gedegenereerd was. Vanwege zijn minachting voor praktische kennis heeft Plato alle verwijzingen naar kunstvaardigheid weggelaten in zijn uitgebreide classificatie van alle kennis. Voorzover wij weten werd het woord technè pas in de Rhetorica van Aristoteles voor het eerst gekoppeld aan het woord logos (dat woord of spraak of geletterdheid betekent). Aristoteles verwijst in deze verhandeling viermaal naar technèlogos, maar in alle gevallen is de exacte betekenis onduidelijk. Houdt hij zich bezig met ‘de spreekvaardigheid’ of met 'het spreken over kunst’, of misschien wel met een encyclopedie van de kunstnijverheid? Na deze vluchtige, cryptische verschijning is de term technologie feitelijk verdwenen.
Maar de technologie verdween natuurlijk niet. De Grieken hebben het ijzersmeden uitgevonden, evenals de blaasbalg, de draaibank en de sleutel. De Romeinen hebben het gewelf, het aquaduct, het glasblazen, het cement, het riool en de watermolen uitgevonden. Maar in hun eigen tijd en vele eeuwen daarna was het geheel van al wat werd gefabriceerd vrijwel onzichtbaar. Het werd nooit als een afzonderlijk onderwerp besproken, en kennelijk zelfs nooit overdacht. In de oudheid kon technologie overal worden gevonden, behalve in de hoofden van de mensen.
In de daaropvolgende eeuwen zijn filosofen het maken van dingen handvaardigheid blijven noemen, en was de uitdrukking voor vindingrijkheid kunst. Naarmate werktuigen, machines en apparaten zich verspreidden, werd het werk dat ermee werd uitgevoerd tot de 'nuttige kunsten’ gerekend. Iedere vorm van deze nuttige kunsten - de mijnbouw, het weven, het bewerken van metaal, het naaien - had zijn eigen geheime kennis, die werd doorgegeven via de relatie van meester tot leerling.
Tegen de tijd van de Europese Middeleeuwen manifesteerde de vindingrijkheid zich vooral in een nieuw gebruik van energie. Een efficiënt haam voor paarden had zich door de hele samenleving verspreid, waardoor de hoeveelheid akkerland drastisch kon worden uitgebreid, terwijl water- en windmolens werden verbeterd, zodat de aanvoer van timmerhout en meel groter werd en er beter kon worden drooggemalen. En al deze overvloed was mogelijk zonder slavernij. Lynn White, een technologiehistorica, schreef: 'De grootste glorie van de latere Middeleeuwen bestond niet uit kathedralen of epische verhalen of scholastiek, maar was erin gelegen dat voor het eerst in de geschiedenis een complexe beschaving werd opgebouwd die niet was gebaseerd op het werk van zwetende slaven of koelies, maar voornamelijk op niet-menselijke krachtbronnen.’ Machines werden onze nieuwe koelies.
In de achttiende eeuw was de Industriële Revolutie een van de revoluties die voor een maatschappelijke omwenteling zorgden. Mechanische wezens drongen boerderijen en huizen binnen, maar deze invasie was nog naamloos. Uiteindelijk gaf in 1802 een hoogleraar economie aan de Duitse universiteit van Göttingen, Johann Beckmann, deze opkomende kracht zijn naam. Beckmann betoogde dat de snelle verspreiding en het toenemende belang van de 'nuttige kunsten’ ons ertoe noopten die op een 'systemische manier’ te onderwijzen. Hij hield zich bezig met de technè van de architectuur, de technè van de chemie, metaalbewerking, metselarij en nijverheid, en beweerde als eerste dat deze kennisgebieden onderling verbonden waren. Hij bracht ze samen in één curriculum en schreef een leerboek getiteld Gids voor de technologie, waarmee hij het vergeten Griekse woord nieuw leven inblies. Beckmann was een van de eersten die erkenden dat onze creaties niet slechts een willekeurige verzameling uitvindingen en goede ideeën waren. Het geheel van de technologie was heel lang onzichtbaar voor ons geweest, omdat we van de wijs werden gebracht door de maskerade van het zeldzame persoonlijke genie. Toen Beckmann dat masker eenmaal had weggenomen, konden onze kunst- en nijverheidsproducten worden gezien als onderling samenhangende componenten, verweven tot een coherente onpersoonlijke eenheid.
Een voorwaarde voor iedere nieuwe uitvinding is de levensvatbaarheid van eerdere uitvindingen. Er kan geen sprake zijn van communicatie tussen machines zonder de geëxtrudeerde koperen zenuwen van de elektriciteit. Er kan geen sprake zijn van elektriciteit zonder het delven van steenkool of uranium, of het afdammen van rivieren, of zelfs het delven van edelmetalen voor de fabricage van zonnepanelen. Er kan geen sprake zijn van het metabolisme van fabrieken zonder de circulatie van voertuigen. Er kan geen sprake zijn van hamers zonder de zagen om handvatten mee te zagen, en er kan geen sprake zijn van handvatten zonder de hamers om de zaagbladen mee te slaan. Dit wereldwijde, cyclische, onderling verbonden netwerk van systemen, subsystemen, machines, pijpleidingen, wegen, kabels, lopende banden, auto’s, servers en routers, codes, rekenmachines, sensoren, archieven, reactoren, collectief geheugen en elektriciteitscentrales - dat hele grote apparaat van onderling verbonden onderdelen vormt één enkel systeem.

TOEN WETENSCHAPPERS GINGEN onderzoeken hoe dit systeem werkte, merkten ze al snel iets ongebruikelijks op: grote technologische systemen gedragen zich vaak als een zeer primitief organisme. Netwerken, met name elektronische netwerken, vertonen bijna-biologisch gedrag. In 1994 publiceerde ik Out of Control, waarin ik uitgebreid de manieren onderzocht waarop technologische systemen natuurlijke systemen gingen nabootsen. Ik verwees naar computerprogramma’s die zichzelf konden kopiëren en naar synthetische chemicaliën die zichzelf konden katalyseren - en zelfs naar primitieve robots die zichzelf konden construeren, net zoals cellen dat doen. Veel grote, complexe systemen, zoals het elektriciteitsnet, zijn ontworpen om zichzelf te kunnen repareren, ongeveer op dezelfde manier als onze lichamen dat doen. Computerwetenschappers gebruikten de principes van de evolutie om computersoftware te creëren die voor mensen te moeilijk was om te schrijven.
Tegelijkertijd ontdekten biologen dat levende systemen doordrenkt kunnen zijn met een abstract mechanisch proces als rekenen. Onderzoekers ontdekten bijvoorbeeld dat DNA gebruikt kan worden om de antwoorden te berekenen van moeilijke wiskundige problemen, net als met een computer. Als van DNA een werkende computer gemaakt zou kunnen worden, en een werkende computer net als DNA zou kunnen evolueren, dan zou er wel eens een zekere gelijkwaardigheid kunnen bestaan tussen dat wat is gemaakt en dat wat is geboren. Technologie en leven moeten een fundamentele eigenschap delen. In de jaren dat ik mijn hoofd over deze vragen brak, gebeurde er iets vreemds met de technologie: de beste technologie werd ongelooflijk immaterieel. Fantastische dingen werden steeds kleiner en gingen minder materie gebruiken, maar juist méér doen. Een deel van de beste technologie, zoals software, had helemaal geen stoffelijk lichaam. Deze ontwikkeling was niet nieuw; iedere lijst met belangrijke uitvindingen uit de geschiedenis bevat nogal wat zaken die behoorlijk immaterieel zijn: de kalender, het alfabet, het kompas, penicilline, dubbele boekhouding, het getal nul, lasers, elektriciteit, de siliciumchip enzovoort. Maar nu won het proces van ontstoffelijking aan vaart.
Wetenschappers waren tot een verbijsterend inzicht gekomen: hoe je het leven ook definieert, de essentie ervan ligt niet in stoffelijke vormen als DNA, weefsel of vlees, maar in de immateriële organisatie van de energie en informatie die in die stoffelijke vormen besloten ligt. En toen de technologie te voorschijn kwam uit haar sluier van atomen konden we zien dat het ook daar in de kern om ideeën en informatie gaat. Zowel leven als technologie lijkt te zijn gebaseerd op immateriële informatiestromen.
We hebben de neiging om technologie te beschouwen als glimmende gadgets. Zelfs als we erkennen dat technologie kan bestaan in een immateriële gedaante, zoals software, rekenen we daar meestal geen zaken toe als schilderijen, literatuur, muziek, dans en poëzie. Maar dat zouden we wel moeten doen. Als duizend tekstregels in een taal als Unix (de computercode voor een webpagina) als technologie gelden, moeten duizend regels Engels (Hamlet) dat ook doen. Ze kunnen allebei ons gedrag beïnvloeden, de loop van gebeurtenissen veranderen of toekomstige uitvindingen mogelijk maken. Een sonnet van Shakespeare en een fuga van Bach bevinden zich in dezelfde categorie als de zoekmachine van Google en de iPod: ze doen iets nuttigs en zijn aan het brein ontsproten.
Waarom zouden we deze enorme opeenstapeling van uitvindingen en creaties niet cultuur noemen? In de context van dit gebruik zou het begrip cultuur alle technologie omvatten die we tot nu toe hebben uitgevonden, plus de producten van deze uitvindingen, plus al het andere dat onze verzamelde breinen hebben voortgebracht. En als men met 'cultuur’ niet louter lokale etnische culturen aanduidt, maar de hele cultuur van de menselijke soort, komt deze term zeer nauw overeen met de grote technologische sfeer waarover ik het heb gehad.
Maar de term cultuur is te beperkt. Wat Beckmann in 1802 inzag toen hij aan de wieg stond van de term technologie was dat de dingen die wij aan het uitvinden zijn min of meer automatisch weer tot andere uitvindingen leiden. Technische vaardigheden maken nieuwe werktuigen mogelijk, die weer nieuwe vaardigheden voortbrengen, die weer nieuwe werktuigen mogelijk maken, enzovoort. Allerlei door mensen gemaakte voorwerpen werden zo complex in hun werking, en waren zo onderling verbonden in hun oorsprong, dat ze een nieuw geheel vormden: technologie. De term cultuur brengt deze essentiële, zichzelf voortstuwende motor die de technologie aandrijft niet zo goed over. Maar de term technologie is ook te beperkt, want technologie kan eveneens specifieke methoden en gereedschappen betekenen, zoals in biotechnologie, digitale technologie of de technologie van de Steentijd.
Daarom heb ik schoorvoetend een woord bedacht om het wereldwijde, onderling verbonden systeem van technologieën om ons heen aan te duiden. Ik noem het het technium. Het technium strekt zich uit tot ver buiten het domein van de glimmende hardware en omvat ook cultuur, kunst, sociale instellingen en intellectuele creaties van allerlei aard. Er vallen immateriële zaken onder als software, recht en filosofische concepten. En het belangrijkste is dat het de generatieve impulsen van onze uitvindingen recht doet die nóg meer instrumentenbouw, technologische vindingen en zichzelf verbeterende verbindingen tot stand willen brengen. De essentiële eigenschap van het technium is het idee van een zichzelf in stand houdend systeem van creatie. Op een bepaald moment in zijn evolutie raakte ons systeem van gereedschappen en machines en ideeën zo vol met terugkoppelingslussen en complexe interacties dat het een eigen leven ging leiden. Het begon een zekere autonomie uit te stralen.
Zijn er ook bewijzen voor de autonomie van het technium? Ik denk dat die er zijn, maar het hangt af van de vraag hoe we autonomie definiëren. De zaken die ons het dierbaarst zijn in het universum zijn uiteindelijk allemaal heel glibberig. Leven, brein, bewustzijn, orde, complexiteit, vrije wil en autonomie zijn allemaal termen die veelvoudige, paradoxale en inadequate definities hebben. Niemand kan het er precies over eens worden waar leven, brein, bewustzijn of autonomie beginnen en waar deze begrippen eindigen. Het beste wat we kunnen bedenken is dat deze toestanden niet binair zijn. Ze bestaan in een continuüm. Mensen hebben een brein, en honden ook, en muizen. Vissen hebben kleine hersenen, dus moeten ze ook een klein brein hebben. Betekent dit dat mieren, die nóg kleinere hersenen hebben, ook over een brein beschikken? Hoeveel neuronen heb je nodig om een brein te hebben? Autonomie kent een soortgelijke glijdende schaal. Een organisme of systeem hoeft niet volledig onafhankelijk te zijn om enige mate van autonomie te vertonen. Net als de kinderen of jongen van welke soort dan ook kan het zich een toenemende mate van onafhankelijkheid toe-eigenen, beginnend bij een heel klein beetje autonomie.
Hoe ontdek je nu autonomie? We zouden kunnen zeggen dat een entiteit autonoom is als ze een van de volgende eigenschappen heeft: zelfreparatie, zelfverdediging, zelfonderhoud, zelfbeschikking over doeleinden, zelfverbetering. Het gezamenlijk element van al deze kenmerken is uiteraard de verschijning, op enig moment, van een zelf. In het technium kennen we geen voorbeelden van een systeem dat al deze eigenschappen heeft - maar we hebben genoeg voorbeelden van systemen die er een paar hebben. Autonome drones (robotvliegtuigjes) kunnen zichzelf besturen en urenlang in de lucht blijven. Maar ze kunnen zichzelf niet repareren. Communicatienetwerken kunnen zichzelf wel repareren, maar zichzelf niet reproduceren. Er zijn zichzelf reproducerende computervirussen, maar die kunnen zichzelf niet verbeteren.
Diep ingebed in de enorme communicatienetwerken die de wereld omspannen treffen we ook bewijsmateriaal aan voor embryonale technologische autonomie. Het technium omvat 170 biljard computerchips die samen één gigantisch computerplatform vormen. Het totale aantal transistoren in dit mondiale netwerk is nu ongeveer net zo groot als het aantal neuronen in ons hoofd. En het aantal verbindingen tussen de bestanden in dit netwerk (denk aan alle links tussen alle webpagina’s ter wereld) is ongeveer even groot als het aantal synapsverbindingen in ons brein. Dit uitdijende planetaire elektronische membraan is dus al vergelijkbaar met de complexiteit van de menselijke hersenen. Er zijn drie miljard kunstmatige ogen (telefoons en webcams) op aangesloten, het verwerkt zoekopdrachten met een snelheid van veertien kilohertz (een nauwelijks hoorbare hoge toon) en is nu al zo groot dat het vijf procent van alle elektriciteit in de wereld verbruikt. Als computerwetenschappers de enorme verkeersstromen die er doorheen vloeien proberen te ontwarren, kunnen ze niet van elke bit de bron achterhalen. Zo nu en dan wordt een bit op incorrecte wijze doorgegeven, en hoewel de meeste van deze mutaties kunnen worden toegeschreven aan identificeerbare oorzaken als hacken, machinefouten of kabelschade blijven de onderzoekers zitten met een paar procent die op de een of andere manier zichzelf hebben veranderd. Met andere woorden, een klein deel van wat het technium communiceert is niet afkomstig van een door mensen gebouwd knooppunt, maar van het systeem zelf.
Uit nog diepgravender onderzoek van de informatie die door het netwerk van het technium stroomt, blijkt dat het langzaam zijn organisatiemethoden aan het veranderen is. In het telefoonnetwerk van een eeuw geleden werden boodschappen door het netwerk verspreid via een patroon dat wiskundigen toevallig noemen. Maar de afgelopen tien jaar is de stroom bits statistisch meer gaan lijken op de patronen die in zelforganiserende systemen worden aangetroffen. Om te beginnen vertoont het mondiale netwerk een zogenoemd fractaal patroon. Dit kennen we van de manier waarop de gekartelde contouren van boomtakken op elkaar lijken, of we ze nu van dichtbij bekijken of van veraf. Vandaag de dag verspreiden boodschappen zich door het mondiale telecommunicatiesysteem via het fractale patroon van zelforganisatie. Deze waarneming is geen bewijs voor autonomie, maar autonomie is vaak al lang zonneklaar voordat ze daadwerkelijk kan worden aangetoond.

WIJ HEBBEN HET TECHNIUM GESCHAPEN, dus we hebben de neiging onszelf er exclusieve invloed over toe te schrijven. Maar we hebben er lang over gedaan om te begrijpen dat systemen - alle systemen - hun eigen dynamiek produceren. Omdat het technium een product is van het menselijk brein is het ook een product van het leven, en in het verlengde daarvan zelfs een uitvloeisel van de fysieke en chemische zelforganisatie die het eerst tot leven leidde. Het technium deelt niet alleen een gemeenschappelijke oorsprong met het menselijk brein, maar ook met het eerste leven en andere zelforganiserende systemen. En net zoals het brein niet alleen de principes moet gehoorzamen die bepalend zijn voor het kenvermogen, maar ook de wetten die het leven en de zelforganisatie beheersen, moet het technium de wetten van het brein, het leven en de zelforganisatie gehoorzamen - náást ons menselijk brein. Van alle invloeden die hun uitwerking hebben op het technium is het menselijk brein er dus maar één. En deze invloed zou wel eens de zwakste kunnen zijn.
Het technium wil wat wij vinden dat het moet willen en wat we proberen het te laten doen. Maar naast deze impulsen kent het technium ook zijn eigen verlangens. Het wil zichzelf ordenen, zich rangschikken in hiërarchische niveaus, zoals de meeste grote, onderling diep verbonden systemen dat doen. Het technium wil ook wat ieder levend systeem wil: zichzelf voortplanten, blijven voortbestaan. En naarmate het groeit, nemen deze inherente verlangens aan complexiteit en kracht toe.
Ik weet dat deze bewering vreemd klinkt. Ze lijkt dingen te 'vermenselijken’ die duidelijk niet menselijk zijn. Hoe kan een broodrooster iets willen? Ken ik niet te veel bewustzijn toe aan levenloze voorwerpen, en geef ik ze door dat te doen niet meer macht over ons dan ze in werkelijkheid hebben, of zouden moeten hebben? Dat is een redelijke vraag. Maar het begrip 'willen’ beperkt zich niet tot mensen. De verlangens van een microscopisch, eencellig wezen zijn minder complex, minder veeleisend en minder omvangrijk dan de verlangens van jou en mij, maar alle organismen delen een paar fundamentele verlangens: ze willen overleven, groeien. Ze worden allemaal gedreven door deze 'verlangens’. De verlangens van een protozoïsch wezen zijn onbewust, onuitgesproken - en hebben meer weg van een impuls of een neiging.
In het geval van het technium betekent verlangen niet dat er sprake is van bewuste beslissingen. Ik geloof niet dat het technium (althans op dit moment) bewustzijn heeft. De mechanische verlangens ervan zijn niet zorgvuldig overwogen besluiten, maar eerder neigingen, impulsen, paden. De verlangens van de technologie lijken meer op behoeften, de aandrang om iets te doen. Zoals de onbewuste impuls van een zeekomkommer die op zoek is naar een partner. De miljoenen zich vertakkende betrekkingen en talloze invloedssferen tussen de delen onderling drijven het hele technium voort in bepaalde onbewuste richtingen.
Het technium is nu in de wereld net zo'n grote kracht als de natuur, en onze reactie op het technium zou dezelfde moeten zijn als onze reactie op de natuur. We kunnen niet eisen dat de technologie ons gehoorzaamt, niet méér in elk geval dan dat we kunnen eisen dat de natuur ons gehoorzaamt. We hoeven niet alles te doen wat het technium wil, maar we kunnen wel leren met deze kracht samen te werken in plaats van ertegenin te gaan. En om dit met succes te kunnen doen moeten we eerst het gedrag van technologie begrijpen. Om te kunnen beslissen hoe we op technologie moeten reageren, moeten we erachter zien te komen wat technologie wil.


Kevin Kelly was medeoprichter van Wired. Hij is uitgever van de site Cool Tools. Van 1984 tot 1990 maakte hij Whole Earth Review, tijdschrift voor onorthodox technisch nieuws. Hij was medeoprichter van de Hackers’ Conference en schreef Out of Control. Deze week verschijnt What Technology Wants bij Viking/Penguin. Dit is een voorpublicatie uit Wat technologie wil, de vertaling die in januari verschijnt bij Maven Publishers.
Vertaald door Menno Grootveld, Pon Ruiter en Wim Scherpenisse.


Het schilderij van Peter Doig is onderdeel van de tentoonstelling Windflower, Perceptions of Nature, t/m 15 januari, Kröller-Müller Museum