Het Amerikaanse Arbeidsethos

Van acht tot acht

Lediggang wordt niet gewaardeerd in de Verenigde Staten, laat staan dat men er tijd voor heeft. Waar komt deze hang naar nijverheid vandaan? ‘De behoefte aan flow zit diep in de mens verankerd.’

HET KABAAL, PARDON, de muziek, is oorverdovend in de spinning room van sportschool Crunch in downtown Brooklyn, waar alle stationaire fietsen bezet zijn. Het is kwart over zes ’s ochtends en we doen het op Lady Gaga, een extra lange mix van Pokerface, ideaal om bij te spinnen. Instructrice CC laat ons steeds langere tempoversnellingen uitvoeren, tot Gaga weer bij haar refrein is aangekomen, dan is het tijd om de zwaarste versnelling in te schakelen en onder CC’s aansporingen een fictieve berg te beklimmen. Dat gaat van ‘Trap die pizza van gisteren uit je pedalen!’ tot aan ‘Wees sterk. Blijf sterk. Je hebt zoveel kracht als jij wilt.’ (De dagen na Obama’s verkiezingsoverwinning liet CC haar klas tijdens de sprints ‘Yes we can’ brullen.)
Wat bezielt deze pakweg veertig mensen om op dit vroege tijdstip zo onmenselijk hard op een stationaire fiets tekeer te gaan? Of misschien kan ik beter vragen: wat bezielt mij om daaraan mee te doen? Toen ik nog in Amsterdam woonde, kwam ik wel eens om half zes ’s ochtends thuis. Hier sta ik regelmatig rond die tijd op om te hardlopen voordat het buiten te heet is geworden, of om, zoals vandaag, een spinningklasje mee te pakken. Het antwoord op die vraag ligt ongetwijfeld deels besloten in het woord ‘cultuur’. In een stad waar het gewoon is om je werkdag om acht uur te beginnen met een ‘werkontbijt’ in een van de ongeveer negentienduizend restaurants, is het zo gek niet om in alle vroegte te gaan sporten. Zeker als je werkdag zelden voor acht uur ’s avonds eindigt en je daarna dat nieuwe toneelstuk nog wilt zien. Of je vrienden, of de kinderen. Of als je uitgeblust nog wat naar de televisie wilt staren.
Voor menige New Yorker is de werkdag overigens nog lang niet voorbij als hij ’s avonds zijn kantoor uit loopt. Ik denk aan twee architecten, vrienden van me, die overdag bij respectabele bureaus werken en ’s avonds de renovatie van een brownstone tekenen in opdracht van een vriend van een bekende, in de hoop dat dit leidt tot cliëntèle voor hun nog op te richten eigen bureau. Dromen doet leven. Of doet harder werken en minder leven, ’t is maar hoe je het bekijkt.
Natuurlijk houdt niet iedereen een dergelijk leeftempo aan, getuige alleen al de groepen mensen die, vooral in de armere wijken, vaak hele dagen op straathoeken hangen. Maar die luttele deeltjes ledigheid zijn te spaarzaam om het gemiddelde energieniveau noemenswaardig te verminderen. Iedereen die wel eens door midtown Manhattan heeft gelopen, weet waarover ik het heb. Een zekere nerveuze, aanstekelijke energie jaagt de mensen voort over de trottoirs.

NIET ALLEEN IN de hypercompetitieve wereldstad New York, maar ook elders in dit land wordt stevig aangepoot, zoals ook blijkt uit cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO): in 2009 werkte de gemiddelde Amerikaanse werknemer in totaal 1776 uur, bijna veertig procent meer dan bijvoorbeeld de Nederlandse (1288 uur) of Duitse werknemer (1309).
Volgens de Amerikaanse econoom Jared Bernstein, topadviseur van vice-president Joe Biden, zijn bovenstaande cijfers te herleiden tot het strenge Amerikaanse arbeidsethos. ‘De VS laten zich er graag op voorstaan een meritocratie te zijn, een maatschappij waarbinnen iedereen op zijn prestaties wordt beoordeeld’, zegt hij over de telefoon. ‘Helaas meet de meerderheid deze merites, ten onrechte, aan het aantal uren dat je in je werk stopt.’
Het verschil in werkuren tussen Amerika en Europa zit ’m behalve in langere werkweken ook in het aantal vakantiedagen. Amerika is de enige westerse democratie die geen verplicht minimum aantal betaalde vakantiedagen kent. Een gevolg daarvan is onder meer dat de Amerikaanse werknemer gemiddeld maar vier vrije weken (inclusief feestdagen) heeft. Nederlanders en Fransen doen het met ruim zeven weken.
‘Je zou kunnen zeggen dat Amerikanen leven om te werken en Europeanen werken om te leven’, schrijft de Zwitserse denker Alain de Botton, die filosofie gestudeerd heeft aan Harvard, in een e-mailinterview over de verschillende benaderingen. ‘Voor een Amerikaan is vakantie eerst en vooral een middel om zich weer op te laden voor het werk, waar immers de ware actie plaatsvindt.’

DAT STRENGE ARBEIDSETHOS leidt soms tot een afkeer van luiheid, zo merkte de Amerikaanse historicus en literatuurwetenschapper Tom Lutz op een dag bij zichzelf. Lutz’ zoon Cody was net afgestudeerd en had besloten om een jaar niets te doen voordat hij zou gaan studeren. En nietsdoen deed Cody: hele dagen lag hij bij zijn vader op de bank tv te kijken. Tot woede van Lutz, die zich vervolgens afvroeg waar deze woede vandaan kwam – had hij in de jaren zeventig zelf niet ook jarenlang in het kader van ‘tegenculturele activiteiten’ lopen lanterfanten?
Dit zelfonderzoek zette Lutz, tenslotte historicus, aan tot het bestuderen van de Amerikaanse houding ten opzichte van werken en nietsdoen sinds de totstandkoming van het land, hetgeen leidde tot de publicatie van Doing Nothing: A History of Loafers, Loungers, Slackers and Bums in America (2006). ‘Het soort woede dat ik ervoer is wijdverspreid door de Amerikaanse cultuur’, zegt hij over de telefoon vanuit zijn woonplaats Los Angeles. ‘De luilak zegt: ik trek me niets van de rest van jullie aan, ik doe waar ik zin in heb. Het is opmerkelijk hoeveel weerstand dit oproept in een maatschappij die doordrenkt is van individualisme en die wantrouwend staat tegenover collectivisme. We moeten niets van socialisme weten, maar we keuren ook een dergelijke individuele beslissing over werk af.’
Werkende aan Doing Nothing ontdekte Lutz wel meer tegenstrijdigheden in de Amerikaanse houding tegenover luiheid: ‘Beroemde Amerikaanse luilakken – zoals Sydney Johnson, die zichzelf ‘The Idler’ noemde, en Jack Kerouac – bleken later workaholics die nog niet uit de kast waren gekomen. Sydney Johnson schreef eigenhandig een woordenboek. Jack Kerouac zien we in On the Road doelloos rondzwerven, maar hij wilde in werkelijkheid zo snel mogelijk naar zijn moeders huis om te beginnen met typen.’
Andersom kwam Lutz het ook vaak tegen in de Amerikaanse geschiedenis. ‘Veel van de kampioenen van het arbeidsethos, zoals founding father Benjamin Franklin, waren vermomde luilakken. Toen John Adams naar Parijs ging om de daar in ballingschap verblijvende Franklin te bezoeken, bleek deze nooit voor lunchtijd uit zijn bed te komen en niets anders te doen dan met de vrouwtjes flirten.’
Dankzij deze tegenstrijdigheden is de luilak zo’n krachtig figuur in de Amerikaanse kunst, stelt Lutz: ‘De luilak is een culturele identiteit die iedereen kan besluiten aan te nemen. The Dude (archetypische luiaard gespeeld door Jeff Bridges – mvg) in de film The Big Lebowski is een geweldig voorbeeld. We houden van The Dude vanwege het idee dat we ook zo zouden kunnen zijn. Tegelijkertijd weten we hoe moeilijk dat is. Niet alleen omdat we geen geld voor een dergelijk leven hebben, maar ook omdat we weten dat het niet echt een optie is, omdat we weten dat de argumenten voor de waarde en bevrediging van “werk” valide zijn.’
Tot die conclusie kwam Lutz zelf ook: ‘Er is een zeker plezier dat we ontlenen aan het aanspreken van al onze talenten en mogelijkheden, het uiterste uit jezelf halen. Dat plezier, dat de Hongaarse professor Csíkszentmihályi flow noemt, krijg ik van schrijven. De behoefte aan flow zit diep in de mens verankerd.’
Overigens is echt helemaal niets doen geen sinecure, merkt Lutz nog op: ‘Daarvoor zou je een jarenlange training tot boeddhistische monnik moeten ondergaan. De frase “nietsdoen” is op zichzelf al een indicatie van het soort leugens dat we onszelf vertellen over onze inactiviteit.’
Ook filosoof Alain de Botton is sceptisch over de gangbare percepties van luiheid en nietsdoen: ‘Het is goed mogelijk dat iemand die lui oogt in feite reuze productief is. Neem mijn held Marcel Proust, die zijn hele leven op bed lag. Iedereen die hem kende noemde hem lui, in tegenstelling tot zijn hardwerkende broer, die dokter was. Uiteraard hebben we Prousts luiheid inmiddels geherinterpreteerd.’ (De Botton refereert aan de totstandkoming van Prousts romancyclus À la recherche du temps perdu.)
‘Wie niets uitvoert, vergooit duidelijk zijn leven’, vervolgt De Botton. ‘Maar je leven leiden op een manier die de markteconomie niet waardeert of beloont, is niet noodzakelijkerwijs slecht. Een dichter, een verpleger en een priester doen allen dingen die niet veel geld opleveren, maar die wel zeer waardevol zijn. We moeten dus onderscheid maken tussen de menselijke en de financiële waarde van onze handelingen. Voor dat onderscheid laat het Amerikaanse arbeidsethos niet veel ruimte: dat heeft voornamelijk oog voor het financiële aspect.’

EVEN LOS VAN de culturele bespiegelingen van Bernstein, De Botton en Lutz over het Amerikaanse arbeidsethos: niet zo lang geleden werkten Amerikanen en Europeanen nog ongeveer evenveel. Sterker, in 1970 werkten Fransen tien procent meer dan Amerikanen. De verwachting was toen dan ook dat Amerika en Europa gelijke tred zouden houden. In 1967 voorspelde de Amerikaanse futurist Herman Kahn dat Amerikanen rond de eeuwwisseling een vierdaagse werkweek zouden hebben en dertien weken vakantie per jaar. De grote vraag was: wat gaan Amerikanen straks met al die vrije tijd doen?
Het is er duidelijk niet van gekomen, maar vreemd was Kahns gedachte niet. Tussen 1900 en 1950 was de Amerikaanse werkweek immers al met een kwart gekrompen en er was geen reden om aan te nemen dat die trend zou ombuigen. In Europa gebeurde dat inderdaad niet en is men steeds minder gaan werken. Amerikanen werken tegenwoordig echter ongeveer evenveel als in 1970. Alleen in de arbeidsproductiviteit per uur bleven de twee werelden gelijk opgaan.
Een duidelijk en logisch gevolg daarvan is dat Amerika, gemeten naar bruto nationaal product per inwoner, rijker is geworden. Amerikanen hebben de toegenomen arbeidsproductiviteit ingeruild voor meer geld, Europeanen voor meer vrije tijd. Volgens de conservatieve econoom en Nobelprijswinnaar Edward Prescott waren de Europese belastingverhogingen sinds 1970 de belangrijkste oorzaak hiervan – de hogere tarieven zouden Europese werknemers de prikkel tot meer werken hebben ontnomen. De economen Alberto Alesina, Edward Glaeser en Bruce Sacerdote legden de verklaring voor het plotselinge verschil bij de macht van de Europese vakbonden. Toen in de jaren zeventig zowel Europa als de VS door de oliecrisis werd getroffen en loonstijgingen niet haalbaar waren, vocht de Europese vakbeweging met succes voor minder werk en meer vakantie, tegen hetzelfde salaris. Voor Amerikaanse werknemers veranderde er niets, behalve dat er in de daaropvolgende jaren steeds meer van hen zou worden verwacht zonder dat daar een loonsverhoging (aangepast aan inflatie) tegenover stond.
Tevredenheidsonderzoeken onder de Amerikaanse beroepsbevolking doen vermoeden dat een vakbeweging met scherpere tanden geen kwaad had gekund. Sinds 1987 meet de Conference Board, een non-profitorganisatie gefinancierd door Amerikaanse business executives, of Amerikanen gelukkig zijn met hun werk. Het aantal dat aangeeft gelukkig te zijn, neemt elk jaar verder af. In 1987 was dit nog 61 procent, in 2009 was het 45 procent. Als belangrijke reden voor hun ontevredenheid geven Amerikanen onder meer aan dat hun werk oninteressant is, dat hun inkomens niet groeien en dat ze overwerkt zijn.
In zo’n ontwikkeling past de opkomst van de zogenaamde slow movement, een nationale campagne die beweert dat ‘snelheid doodt’ en daarom een lans breekt voor luiheid. De beweging steunt willekeurige acts of slowness, zoals het uitzetten van de Blackberry of tijd doorbrengen met vrienden. Bekende groepen die uit deze beweging zijn voortgekomen zijn onder meer Slow Food USA, dat een alternatief wil bieden voor het eten van fastfood en de productie van industrieel voedsel, en Take Back Your Time, een groep die mensen wil leren hoe ze van hun behoefte om ‘druk te zijn’ kunnen genezen.
Tom Lutz voelt sympathie voor die groepen, maar wil ze geen al te grote maatschappelijke betekenis toekennen: ‘Er zijn altijd mensen geweest die klagen over de snelheid van het hedendaagse leven. In de Romeinse literatuur vind je al schrijvers die betogen dat het tijd is om te stoppen en uit de rat race te stappen. In Amerika was dit vooral aan het begin van de twintigste eeuw een dominant thema. Dat is ook een van de redenen dat we in die periode de Nationale Parken hebben gecreëerd. Daar konden de overhaaste mensen tot rust komen.’
Vooralsnog lijkt de financiële crisis niet tot een algehele ondermijning van het Amerikaanse arbeidsethos te hebben geleid. Er is in ieder geval geen sprake van een nieuwe culturele figuur à la The Dude. ‘In slechte tijden is de luiaard geen populair figuur’, zegt Lutz. ‘Iedereen is bezorgd over zijn baan of is op zoek naar werk, dus er is minder tijd om te luieren. De laatste slacker-roman die ik heb gelezen is van Sam Lipsyte. En dat is geen twintiger-in-opkomst maar een academicus van in de veertig.’
Alain de Botton verwacht daarentegen wel dat veel Amerikanen als gevolg van de crisis hun relatie tot werk zullen heroverwegen: ‘Het idee dat goede dingen gebeuren als je maar hard genoeg werkt, staat op de tocht. Nu is immers gebleken dat je ondanks hard werken in een lastige situatie terecht kunt komen. Er is geen goddelijke gerechtigheid.’ Daarnaast wijst De Botton op de dankzij de technologie almaar groeiende arbeidsproductiviteit: ‘Daardoor is er niet genoeg werk voor iedereen en zullen we een tijdlang een werkloosheid van tussen de tien en twintig procent hebben. Marx zou dit paradijselijk hebben gevonden, maar het kapitalisme ziet het als een zonde. Amerikanen hebben nog geen goede manier gevonden om over het goede leven buiten het werk na te denken. Werkloosheid is iets om je voor te schamen. We zouden er goed aan doen om onze negatieve connotaties met werkloosheid te heroverwegen, zeker nu het ernaar uitziet dat ons een toekomst van structurele werkloosheid wacht.’
Dat ziet Lutz voorlopig niet gebeuren in zijn land. Hij noemt racisme als een van de spelbrekers: ‘Amerika’s lange, gecompliceerde relatie met racisme en etnische verdeeldheid draagt ook bij aan onze enigszins militante relatie met werk.’ Opnieuw wijst hij op de ambiguïteit in het Amerikaanse denken. ‘Neem bijvoorbeeld de aanname dat African-Americans in New York luiaards zijn die op andermans zak teren, of dat illegale Mexicaanse immigranten verantwoordelijk zijn voor de begrotingstekorten in Californië omdat ze gratis van sociale voorzieningen gebruikmaken. En zet dat af tegen een diepgeworteld maar onuitgesproken schuldgevoel over onze hardwerkende onderklasse, waarvan het merendeel gekleurd is. Deze mensen doen het werk waarin de rest geen zin heeft. Of waarvoor men te lui is, zo je wilt. Dit zijn de mensen die onder erbarmelijke omstandigheden in onze vleesverwerkingsfabrieken werken. Die het fruit plukken voor onze Slow Food-beweging. Die in de keukens van de Slow Food-restaurants van New York werken, keukens waarin uiteraard niet langzamer wordt gewerkt dan in andere restaurantkeukens.’