Van armenarts tot radicaal joods patriot

Salvador Bloemgarten
Hartog de Hartog Lémon, 1755-1823: Joods revolutionair in Franse tijd
Aksant, 498 blz., € 39,90

In het voorjaar van 1942 hing de toen zeventienjarige Salvador Bloemgarten aan de lippen van zijn geschiedenisleraar Jacques Presser, die de leerlingen van de vijfde gymnasiumklas van het Joods Lyceum uitgebreid vertelde over de faites et gestes van Napoleon. Dat moeten boeiende lessen geweest zijn, want hij had twee jaar ervoor zijn dikke boek over de kleine Corsicaan geschreven, dat wegens de joodse afkomst van Presser uiteraard pas na de oorlog kon verschijnen. Dat boek bevat niet alleen een schat aan interessante feiten en smakelijke anekdotes, het is ook ongemeen fel van toon. Presser had zich namelijk onder meer laten leiden door de overeenkomsten tussen Napoleon en die andere dictator, die druk bezig was Pressers eigen leven overhoop te gooien. Saai kunnen die lessen dus inderdaad niet geweest zijn.

Achteraf verbaasde Bloemgarten zich erover dat Presser wel veel aandacht schonk aan het optreden van de Franse tiran, maar dat hij vrijwel volledig voorbijging aan wat er in Nederland in de jaren 1795-1815 was voorgevallen. Nu stond Presser bepaald niet alleen in zijn desinteresse voor deze periode, want over het algemeen werd de zogenoemde Franse Tijd ook door veel historici gezien als een beschamend tijdvak. Pas vanaf de jaren zestig is er meer serieuze aandacht gekomen voor de Bataafse Republiek en het bewind van Lodewijk Napoleon.

Toch had het volgens Bloemgarten wel in de lijn der verwachting gelegen dat Presser zich voor deze periode had geïnteresseerd, aangezien juist toen de grondslag werd gelegd voor de emancipatie en integratie van de Nederlandse joden. Pas toen werden joden namelijk erkend als gelijkberechtigde staatsburgers. Wellicht om het verzuim van zijn leermeester goed te maken heeft Bloemgarten, die in 1993 een vuistdikke levensbeschrijving publiceerde van de grote vakbondsleider Henri Polak, nu een biografie geschreven van een joodse politicus die in de Franse Tijd een belangrijke rol speelde en die zelfs de eerste joodse volksvertegenwoordiger ter wereld werd.

Hartog de Hartog Lémon werd in 1788 door de Hoogduitse Joodse Gemeente van Amsterdam aangesteld als armenarts. Al vroeg werd hij beïnvloed door de ideeën van de Verlichting, en dan vooral door de joodse variant daarvan, de Haskalah, die in Duitsland werd aangevoerd door de filosoof Moses Mendelsohn. Hoewel de overgrote meerderheid van de Amsterdamse joden Oranjegezind was, heeft Lémon waarschijnlijk sympathie gehad voor de in 1787 verjaagde patriotten. Toen dezen in 1795, vergezeld door troepen van het revolutionaire Frankrijk, terugkeerden en de Bataafse Republiek werd uitgeroepen, schaarde Lémon zich aan hun zijde.

Hij werd secretaris van de in dat jaar opgerichte joodse patriottenclub Felix Libertate en bepleitte de wettelijke gelijkberechtiging van de Nederlandse joden. Toen dit in 1796 daadwerkelijk gebeurde, bleek dat dit nog allerminst het einde betekende van de discriminatie van joodse burgers. Niet alleen orangisten en een flink deel van de patriotten voelden weinig voor het accepteren van joden als gelijkwaardige burgers, ook het uiterst conservatieve joodse establishment wilde niets weten van dergelijke revolutionaire denkbeelden. Naar aanleiding van zijn radicale opvattingen was Lémon trouwens al ontslagen als armendokter.

Lémon, in 1797 gekozen tot afgevaardigde van de tweede Nationale Vergadering, neigde steeds meer naar de meest radicale factie van de patriotten, de unitarissen, die een einde wilden maken aan de federale structuur van de oude Republiek en streefden naar een moderne eenheidsstaat. Hij was ook betrokken bij de unitaristische staatsgreep van januari 1798, die ertoe leidde dat Nederland een voor die tijd tamelijk democratische grondwet kreeg.

Daarna trok hij zich terug uit de politiek, om tien jaar later door koning Lodewijk Napoleon gevraagd te worden lid te worden van de pas opgerichte Opperconsistorie van Hoogduits Joodse Gemeentes, die ervoor moest zorgen dat de asjkenazische joden daadwerkelijk integreerden in de Nederlandse samenleving. Nadat Nederland in 1810 bij Frankrijk was ingelijfd was het de bedoeling dat alle joodse kerkelijke organisaties rechtstreeks vanuit Parijs zouden worden bestuurd. Uiteraard voelde Lémon daar niets voor en hoewel hij het zelf altijd ontkend heeft, was hij begin 1813 betrokken bij een samenzwering tegen het Franse gezag. Hierna zuchtte hij ruim een jaar in een Franse gevangenis.

Lémon heeft dus een opmerkelijk en boeiend leven geleid, maar een echt meeslepend boek is deze biografie niet geworden. Dat valt de auteur echter nauwelijks aan te rekenen. Dat hij een grootse biografie, waarin werk én leven van de hoofdpersoon gelijkelijk aan bod komen, kan schrijven, heeft hij bewezen met zijn boek over Henri Polak. Voor dit boek kon Bloemgarten echter niet beschikken over persoonlijke documenten als brieven en dagboeken, zodat hij het leven van Lémon volledig moest reconstrueren uit officiële bronnen en publicaties. Door de relatief schaarse gegevens te verwerken in een breed opgezette studie waarin het aarzelende en moeizame begin van de emancipatiestrijd van de Nederlandse joden centraal staat, heeft hij desondanks een belangwekkend boek geschreven.