Van bakkerszoon tot Notenkraker

Hoe kon Peter Schat, de excentrieke componist, veranderen in een ontluisterde buitenstaander? De biografie geeft er een antwoord op – deels, en voorlopig.

Eerlijk gezegd kende ik de muziek van Peter Schat nog niet. Pas nadat Connie Palmen haar geruchtmakende held uit Lucifer (2007) op hem baseerde, ben ik het wat gaan beluisteren, en ik concludeerde dat Schat waarschijnlijk tot het soort kunstenaars behoort van wie het levensverhaal fascinerender is dan het oeuvre zelf.

De biografie die Bas van Putten aan hem wijdde, heeft dat vermoeden versterkt, en misschien zelfs gerechtvaardigd. Het boek begon in eerste instantie ook met een ‘ongerichte fascinatie voor dit kleurrijke bestaan’, naar die amokmaker met zijn onstuitbare energie. ‘Ik geloof dat zijn leven het verhaal is van die hongerige vitale drang en dat, om met de deur in huis te vallen, de kunst er deel van was maar niet het doel.’

Medium anp 908615

Symposion, Schats laatste opera uit 1989, had Van Putten in een recensie gekraakt, en als de biograaf en de componist elkaar tien jaar later op een Amsterdamse gracht kruisen herkennen ze elkaar maar groeten ze niet. ‘Nooit vergeet ik hoe Schat kijkt. Voor mijn indruk heb ik pas nu het woord: betrapt, bijna beschaamd. Ik zie een man die niet wil dat ik zie wat er van hem geworden is.’

Zulke citaten geven al aan dat dit allerminst een conventionele biografie is, of beter, dat het dit niet uitsluitend is. Want behalve een uitvoerig gedocumenteerd en een zeer secuur gereconstrueerd levensverhaal – Van Putten werkte zeven jaar aan deze 550 pagina’s; en dat is alleen nog maar het eerste deel van een tweeluik – is dit boek ook te lezen als de zoektocht en de worsteling om iemands leven te kunnen begrijpen, elk leven, en zeker dat van iemand zo vol ‘innerlijke tegenstrijdigheden’.

En er is een derde niveau waarop dit boek te lezen is, even meeslepend als de eerste twee, namelijk als studie naar een explosief tijdsgewricht, de jaren vijftig en zestig, en de culturele ontwikkelingen hierin, die de biografie uitvoerig belicht omdat Peter Schat hier een sleutelfiguur in was.

Het leest, aanvankelijk, als een van-krantenjongen-tot-miljonair-epos. De streng protestantse bakkerszoon maakt furore in de moderne Nederlandse muziekwereld, brengt de internationale muziek-avant-garde van Schönberg, Stockhausen en Boulez naar Nederland, groeit uit tot ‘boegbeeld van de artistieke voorhoede’ en beweegt zich in het kringetje van intellectuelen en kunstenaars als Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen, en wordt lid van de Herenclub van Harry Mulisch, die samen met Hugo Claus het libretto schreef voor zijn opera, of ‘totaalkunstwerk’ Reconstructie (1969).

Mulisch, in 2010 door de biograaf geïnterviewd: ‘Ik had twee vrienden in die tijd, de ene was Peter en de andere was Donner, maar de vriendschap met Donner ging wat mij betreft veel dieper dan die met Peter Schat, die ik misschien wel enigszins heb verwaarloosd.’ In de jaren tachtig werd Schat zelfs door Mulisch uit de Herenclub gezet, een gebeurtenis die volgens Van Putten ‘een fatale wending aan zijn leven heeft gegeven’.

Alleen daarom al is het jammer dat dit eerste deel van de biografie zo rond 1970 ophoudt en niet, zoals aanvankelijk wel de bedoeling was, één boek is gebleven. Onbevredigend is dat de neerwaartse beweging van de hemelbestormer nu uitgesteld is. Voor een deel neemt Van Putten dat bezwaar wel weg. Bijvoorbeeld door de goede compositorische ingreep van een eerste hoofdstuk dat als het ware in vogelvluchtperspectief het complete landschap van Schats levensverhaal overziet en er alvast wat details uit tilt: Mulisch vertelt kleurrijk over de breuk, hoe hij de componist een ‘eerloze verrader, namelijk van jezelf, niet van ons’ noemt; we zien Schat alvast in actie bij de Aktie Notenkraker, waar componisten tegen het te behouden Concertgebouw ageerden; we horen over zijn Toonklok, het megalomane en nogal krankzinnige model waarmee Schat alle problemen van de westerse tonaliteit meende op te lossen; en we krijgen een tipje van de sluier opgelicht over de vraag die tout literatuurlezend Nederland al sinds Lucifer bezighoudt: heeft Schat nu wel of niet zijn echtgenote Marina Schapers van de rotsen geduwd in Griekenland?

Over cliffhangers gesproken. Het eerste deel van deze biografie eindigt er ook met eentje, haast even concreet. Op 22 juni 1970 vraagt Schat bij de gemeente Amsterdam een werkloosheidsuitkering aan. Ondanks het succes van Reconstructie. Van Putten: ‘Meer dan van tijd tot tijd een cause célèbre is Schat niet geworden, dat is de bizarre schaduwkant van twee kortlopende en wereldwijd besproken coups de théâtre. Al zijn waarde is dagwaarde, sensatiewaarde, aandachtswaarde – niets duurzaams, niets in de groei. Wat na de eerste bloeitijd zichtbaar wordt, is een haast griezelig gebrek aan voedingsbodem.’

Vrijwel alle kranten hebben de sterke schrijfstijl van Bas van Putten inmiddels al geprezen, dus dat hoef ik hier niet meer te doen, zeker niet voor lezers van dit blad, waar hij muziekjournalist is, die de bevlogen kracht natuurlijk al kennen waarmee hij de niet altijd even toegankelijke wereld van de muziek voor ons tastbaar en levend maakt.

Die kracht maakt ook dat je je erbij neerlegt dat het niet één boek is geworden, dat het in al zijn uitbundige onderzoekings- en verteldrift boven zichzelf uitgestegen is, ook omdat – dat proef je overal – Van Putten de componist recht wil doen, zich niet tevreden wil stellen met eendimensionaal gepsychologiseer of gemakkelijke verklaring. Stukje bij beetje dringt hij door tot de kernvraag, hoe het toch komt dat zo’n getalenteerd iemand, zo’n ‘spilfiguur’ uiteindelijk zo ‘dramatisch buitenspel’ is komen te staan. En die vraag zit niet alleen in de psychologie, maar ook in de toenmalige ideeën over ouders en macht en seksualiteit. Schat was zoon van een homoseksuele vader, en zelf waarschijnlijk biseksueel. Hij zou, naar eigen zeggen, ‘eigenlijk wel met de hele wereld naar bed willen’.

Van Puttens analyses gaan zo: ‘Wat Schat maakt, speelt met de volle kracht van zijn persoonlijkheid solistisch op de echte podia, waar hij onwenselijke conformistische krachten de dienst uit ziet maken. Met dat gezag zal hij aan tafel moeten, hij heeft geen keus. Hij wordt er heel goed in, met een handicap: hij wil de spelregels dicteren, en daar wringt al heel snel de schoen. Zijn probleem is een animaal temperament dat zonder omhaal dictatoriale eisen stelt. Nu ik. Maar hij is niet de enige.’

In die houding lag de kiem van zijn ondergang. Zo veranderde hij van avant-gardist in traditionalist, mede doordat Boulez en Stockhausen hem afwezen. ‘De modernistische elite was de muur waarop zijn kracht te pletter sloeg.’ Dat patroon belooft zich in deel twee voort te zetten en te intensiveren. Dat we daar nog op moeten wachten is jammer, maar begrijpelijk als het gaat om het levensverhaal van iemand voor wie geldt: ‘Publicitair gesproken heeft zijn roerige persoonlijkheid zijn muziek verslagen.’