Menno Hurenkamp

Van belang naar identiteit

Zelfs als niemand meer naar de kerk gaat, blijft Nederland een christelijke natie. Dat zegt minister-president Jan Peter Balkenende. Laten we hem eerst nageven dat hij ondanks de genadeloze kritiek op zijn waarden-en-normenproject vaster in zijn morele zadel raakt. Nu de feiten. Dat Nederland een christelijke natie blijft of zou zijn geweest is betwistbaar. Religiositeit was in ieder geval niet de eerste drift onder onze beroemde zeevaarders. Je kunt je verder afvragen of het wenselijk is dat Nederland een christelijke natie is. Maar beide doet er hier niet toe. Balkenende illustreert kernachtig hoe sterk de rol van identiteiten in de Nederlandse politiek is toegenomen ten opzichte van de rol van belangen. Balkenende zegt: Nederland blijft christelijk, en niet: Nederland blijft een verzorgingsstaat, of: Nederland blijft een consensusdemocratie. Dat wil hij ongetwijfeld óók, maar hij begint er niet uit zichzelf over. Hij stelt de vraag naar wat je bént boven de vraag naar wat je wílt. Het is geen toeval dat dit keurig aangrijpt bij zijn verlangen in de sociale zekerheid te snijden. Niet alle belangenorganisaties zijn immers uitgespeeld, maar neem de vakbeweging, hét instituut van de collectieve belangen: eerst het belang van menselijke arbeidsomstandig heden, toen het belang van normale werkweken, en inmiddels het belang van pre-vervroegde-uittreding-met-behoud-van-salaris-ten-koste-van-iedereen-behalve-mezelf. In Buitenhof van zondag zat een man die leek op Elco Brinkman die diskjockey Ruud de Wild imiteerde, of wellicht leek hij op Ruud de Wild die Elco Brinkman imiteerde. Deze FNV-onderhandelaar moest ons ervan over tuigen dat er met de bond niks mis was. Onbegonnen werk. De afstand tussen de belangen van bijstandsontvangers, vijftigplussers (in duizenden euro’s dan wel jaren), werkloze migranten én die van de vakbondsbonzen zelf zijn zo groot dat het wel heel gek moet lopen als inderdaad serieus verzet tegen het kabinet op gang komt. Het méér van de bijstandsgerechtigde gaat bijna onvermijdelijk ten koste van de vijftigplusser. Een échte linkse partij of vakbond is er voor de losers, migranten en ongeletterden. Maar de machtsbasis van de progressieve beweging ligt bij kleinkinderen van arbeiders en kinderen van ambtenaren – professorabele politici voor wie het een ondoenlijke opgave is om al die uiteenlopende belangen geloofwaardig te verdedigen. Zo’n zelfde Werdegang zie je bijvoorbeeld bij milieubelangen.

En terwijl op belangen minder mensen te mobiliseren vallen, wordt het weer makke lijker ze te werven op basis van hun identiteit – daarvoor zorgen de druk van migratie, terrorisme en mondialisering wel. Het betekent dat de solidariteit die je geeft of ontvangt meer afhankelijk wordt van waar je vandaan komt, en minder van het gevaar dat je loopt. Balken ende vindt die ontwikkeling vermoedelijk mooi. Zelf behept met een eenduidige, gelovige identiteit weet hij er in ieder geval veel beter gebruik van te maken. Voor linkse politici, die worstelen met de constatering dat letterlijk de hele wereld nog steeds in God gelooft, is dat moeilijker.