Van boerenlullen en zakkenvullers

Een directeur van een middelgrote onderneming nam in 1980 158 duizend gulden mee naar huis. In 1992 was dat opgelopen tot 265 duizend gulden. Verdiende onze directeur in 1980 nog vier maal zoveel als de gemiddelde werknemer in zijn bedrijf en ruim zeven maal zoveel als het minimumloon, in 1992 was dat vijf, respectievelijk tien maal zoveel. De salarissen van de bestuurders van Neerlands grootste ondernemingen liggen daar nog weer ver boven. In 1987 waren er twaalf concerns waarvan de leden van de raad van bestuur een bezoldiging genoten van ruim een miljoen per persoon, in 1992 waren dat er 29. De werkelijke inkomensstijging ligt nog hoger. Behalve de salarissen stegen ook allerlei vormen van variabele beloning, bijvoorbeeld in de vorm van aandelenopties.

Natuurlijk gebeurt dat niet alleen in Nederland. Dezelfde trend valt vast te stellen in Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannie en de Verenigde Staten. Een trend die duidt op een omslag in de inkomensverhoudingen. Aan een lange periode van gestage inkomensnivellering is de laatste tien jaar een eind gekomen. Het gemiddelde besteedbare inkomen van de minst welvarende twintig procent van de Nederlandse huishoudens bleef tussen 1983 en 1991 vrijwel constant op een bedrag hangen tussen de veertieneneenhalf en vijftienduizend gulden, wat ten opzichte van de prijsstijging een reele daling met tien procent betekent. In dezelfde periode nam het inkomen van de meest welvarende twintig procent toe van 63 duizend tot tachtigduizend gulden, een reele stijging van twaalfeneenhalf procent.
Merkwaardig is dat deze ontwikkeling doorzet ongeacht of het economisch goed of minder goed gaat en ongeacht de samenstelling van de regeringen van de betrokken landen. Het lijkt erop dat een kaste van bestuurders van vooral grote internationale ondernemingen hun speelruimte ten opzichte van aandeelhouders, vakbonden en overheden zodanig hebben vergroot dat zij daarvan onder meer in de vorm van hogere inkomens profiteren. Die positie danken zij aan het feit dat hun bedrijven door internationalisering en flexibilisering steeds minder afhankelijk zijn van lokale overheden en vakbonden. De toezichthoudende commissarissen zijn, als bestuurders van weer andere ondernemingen, met hetzelfde sop overgoten.
Deze zegeningen druppelen na verloop van tijd uiteraard door naar de mindere goden: de kleinere ondernemers, het middenmanagement, zakelijke dienstverleners als accountants en juristen. En, blijkens de berichten over het contract van politiechef Nordholt, inmiddels ook naar de hogere ambtenaren. Ook daar is iemand die voor minder dan twee ton op de loonlijst komt, een boerenlul.
Typerend voor deze vorm van zakkenvullerij is dat de graaiers menen dat anderen daaraan geen aanstoot zullen nemen, maar er integendeel een bewijs in zullen zien van de kwaliteit van ‘hun’ baas. Zoals Nordholt meent dat het burgers en dienders niet interesseert wat hij verdient, maar wel dat hij de stad veiliger maakt. En dat doet-ie, kijk maar naar de cijfers. Met het grote geld doet ook de arrogantie waarvan het geld slechts de uitdrukking is, zijn intrede. Een vorm van arrogantie waarvan we nog meer te zien zullen krijgen. De gemeente Amsterdam liet weten al zijn topambtenaren opslag te willen geven. Nordholt toont zich andermaal een ware wegbereider.