Herman de Coninck

Van Bollekes doordrenkte tranen

Herman de Coninck
De gedichten
De Arbeiderspers, 688 blz., € 30,-

Mocht je in een café in Vlaanderen vertoeven en erachter komen dat je geen geld bij je hebt om de rekening te betalen, geen nood. Loop gewoon naar de eerste de beste stamgast toe, tik ’m op de schouder en zeg: ik ben een groot fan van Herman de Coninck. Je zult omhelsd worden, pintjes aangeboden krijgen en de rekening is vervolgens helemaal geen issue meer. Het werk van De Coninck is bij onze zuiderburen namelijk immens populair. Herman de Coninck (1944-1997) is nu exact tien jaar en twee weken geleden overleden. Zijn verzamelde poëzie, De gedichten, is meer dan zeshonderd pagina’s dik en bevat prachtige gedichten, afgewisseld met mindere regels en soms zelfs quatsch (‘Elke boom, herleid/ tot zijn skelet, staat helemaal los,/ total loss’). Hij is de koning van de beginregel, zoals in het gedicht AN 1969:

Ik herinner me vooral mij.

Of deze, de eerste regel van deel 14 van de cyclus Ter ere van de goedertieren maan:

Als ze bedacht hoe hij ook ’s nachts kon sterven, kreeg ze ’t koud.

Of deze, de beginregel van een titelloos gedicht:

Als ik moet kiezen tussen Joegoslavië en een paardebloem,

vind ik eigenlijk een paardebloem het interessantst.

AN 1969 is een variatie op de tearjerker To All the Girls I Loved Before van Julio Iglesias en Willie Nelson. De Coninck schmiert over ‘hoe ik ineens één/ vrouw had, in plaats van nu eens deze dan die’. De ladies man die het café niet kan verlaten, terwijl zijn vrouw hem vertwijfeld opwacht. ‘Ik zat in de kroeg te vertellen hoe mooi je wel was/ en hoe verlegen en toch brutaal, tot vriendinnen/ zeiden: ga dan thuis maar beminnen –/ en hoe ik dan toch nog een laatste glas’. Het is natuurlijk hopeloos arrogant, vooral door die beginregel, maar gelukkig vol zelfspot opgeschreven. Je zit er als lezer een beetje smalend bij, in zo’n Antwerps café, waar de grote dichter omringd door groupies zijn verhaal over de ware doet, wat de groupies doet balken in cynisme. En het is natuurlijk toch vooral een liefdesgedicht, maar dan betreft het klaarblijkelijk wel liefde op de voorwaarden van de ik-persoon.

In deel 14 van Ter ere van de goedertieren maan komt De Coninck op stoom (‘Dan was ze doodsbenauwd,// zelfs met een lamp, om rond het huis te gaan, om te zien/ of alles dicht was’), al blijft hij altijd een soort van Marnix Gijsen, wat wil zeggen dat de poëzie topzwaar blijft, door de non-fictie en ongeremde ontroering. Avant-garde is het in het geheel niet. Maar ga je mee in de van bollekes doordrenkte tranen, dan lees je een sonnet over een vrouw die haar overleden man nog zo nader op zich voelt dat het haar opvalt ‘hoe spierwit de berken er bij stonden’ en na een doorwaakte nacht ‘haar vlees schots en scheef aan haar lijf’ voelt zitten. ‘Het stond/ hem goed, dat proper hemd dat hij nooit dragen wou’, schrijft de dichter in een ander deel van de cyclus. Het is onthutsend eerlijk, zonder mistige omhaal. En het is een beetje ouderwets, maar dan toch duizendmaal beter te vreten dan de postmoderne non-lyriek die we tegenwoordig vaak voor de kiezen krijgen.

Als ik moet kiezen tussen Joegoslavië en een paardebloem,

vind ik eigenlijk een paardebloem het interessantst.

Hoe alles daarvan weggeblazen wordt en hoe het een paarde-

bloem blijft. Van Joegoslavië kun je zoiets niet zeggen.

Van mensen dan weer wel: hoe je alles kunt verliezen,

een vrouw, jeugd, dromen, en dat men dan zegt: hij

is dezelfde gebleven. Misschien is het onbelangrijke wel

het belangrijkst. Zo heb ik van jou vooral je oor nodig,

bijvoorbeeld om erin te zeggen dat onze kerselaar 975

kersen heeft, dingen die onder ons blijven, zoals wij,

of gewoon om eraan te knabbelen. Je oortje,

dat is waarom ik telkens weer van verre reizen terugkom,

om daarin ‘schatje’ te kunnen zeggen en te babbelen.

Ook hier weer die hoogmoed van een dichter die het behaagt om huiswaarts te gaan, waar hij in het onbelangrijke oor van een vrouw wat tegeltjesteksten zal ‘babbelen’. Het is een gedicht dat nogal ontspoort: de dichter die een lucide moment heeft als hij de _bull’s eye-_vergelijking maakt tussen een paardebloem en Joegoslavië en tussen een leeggeblazen paardebloem en gepijnigden, om vervolgens het wak in te schaatsen van kersenbomen en oorknabbelen.

Herman de Coninck is (schrijvers gaan nooit dood, dus ik gebruik de tegenwoordige tijd) misschien geen geniaal dichter, maar wel een nogal onweerstaanbare levensbeschrijver, een wonderlijke optekenaar en toch ook een schmierende lobbes. Of, in zijn eigen woorden: een ‘kleine weemoedige’ en tegelijkertijd een ‘grote overmoedige’. Het lijkt alsof hij de loden literatuurwetten soms terzijde wilde schuiven, om iets duidelijk te maken in plaats van te verbloemen. Hij was eerlijk, ook over zijn oneerlijkheid. Het heeft geleid tot een lezenswaardig nachtkastjesboek, bovenal om de prachtige beginregels:

Het leek wel een goeie driehoeksverhouding:

ik hield van jou

en van mij.