Van boodschappenlijstje tot bestseller

STEFAN BOLLMANN
VROUWEN DIE SCHRIJVEN LEVEN GEVAARLIJK
Met een inleiding door Kristien Hemmerechts
Amsterdam University Press, 152 blz., € 24,95

‘Vrouwen en literatuur’, het is een onderwerp waar ik zo langzamerhand van ga zuchten. Laten we gewoon boeken lezen en niet meer zeuren over de sekse van de auteur. Tegelijkertijd besef ik de luxe van deze vermoeidheid. Nog geen honderd jaar geleden was het slechts enkele vrouwen gegund te publiceren en ook voor hen die dit voor elkaar kregen, ging het schrijven nog altijd met strijd gepaard. Bovendien, zo stelt Stefan Bollmann in het onlangs verschenen boek Vrouwen die schrijven leven gevaarlijk, betekent het schrijven voor vrouwen in landen als Iran of Pakistan nog altijd een ‘gevaarlijk leven’, omdat deze repressieve maatschappijen er nog lang niet aan toe zijn de gelijke rechten van vrouwen te erkennen. Toch heeft Bollmann in zijn keuze van schrijvende vrouwen die hij in zijn boek bespreekt zich grotendeels beperkt tot auteurs uit de Europese en Amerikaanse cultuur. Wel hoopt hij dat een ‘historische blik op de eigen cultuur ons iets kan leren over processen die zich nu elders in de wereld voordoen’.
Vrouwen die schrijven leven gevaarlijk lijkt op het eerste gezicht een kunstboek. Het heeft een groot formaat en op vrijwel iedere bladzijde staat een paginagroot portret afgebeeld. Aan de hand van deze schrijversportretten traceert Bollmann de geschiedenis van de literatuur die door vrouwen is geschreven. Hij laat deze geschiedenis in de Middeleeuwen beginnen, bij Hildegard von Bingen, een vrouw die tussen 1098 en 1179 leefde en in een visioen werd opgedragen te gaan schrijven. Echter pas nadat paus Eugenius III haar had bezocht en haar gave als zieneres had erkend, genoot ze het voorrecht om te schrijven en kon ze zich openlijk aan deze religieuze taak wijden.

Het volgende portret is al van een heel wat wereldlijkere vrouw: Christine de Pizan (1365-1430). Zij besloot nadat haar man was overleden voor zichzelf te zorgen en een ‘mannelijk’ bestaan te gaan leiden. Ze leefde, misschien wel als allereerste vrouw, van de inkomsten van haar oeuvre. Bollmann beschrijft dat ze in haar boeken pleitte voor seksuele onthouding. Niet zozeer uit preutsheid, zoals veel mannen dachten, maar om vrouwen te ontlasten van de aanspraak die mannen maakten op hun lichaam en leven. Volgens Bollmann gingen de pogingen van vrouwen om toegang te krijgen tot het mannelijke literaire bolwerk van oudsher gepaard met de pogingen om mannen een nieuw idee van de liefde bij te brengen. Tegenover de beschikbaarheid en idealisering van de vrouw wilden zij een gecultiveerd liefdesconcept plaatsen, waarin oprechtheid en integriteit kernwaarden waren.

Het is opvallend dat tussen de eerste vrouwelijke auteurs die Bollmann in zijn boek bespreekt maar weinigen zich concreet probeerden in te zetten voor gelijke rechten van de vrouw; ze probeerden liever op een indirecte wijze in hun werk de ideevorming rond het karakter van de vrouw te beïnvloeden dan dat ze zich openlijk met politieke kwesties inlieten. Misschien was dit terrein nog te ondoordringbaar, te onbekend of letterlijk te gevaarlijk. Dat het gevaarlijk kon zijn blijkt wel uit het lot van de Française Olympe de Gouges, die in 1789 parallel aan de verklaring van de mensenrechten een Déclaration des droits de la Femme opstelde, waardoor ze op het schavot belandde. Omstreeks dezelfde tijd verdedigde ook Mary Wollstonecraft (1759-1797) de rechten van de vrouw. Wollstonecraft vergeleek de onderdrukking van de vrouw met de onderdrukking van slaven, die beiden dom gehouden moesten worden zodat ze maar niet naar meer vrijheid zouden verlangen.

Wellicht zijn er ook maar zo weinig literaire auteurs die zich met de rechten van vrouwen hebben ingelaten doordat literatuur zich niet leent voor daadwerkelijk politiek activisme. Als de kwaliteit van het boek voorop staat, kan het werk niet ondergeschikt worden gemaakt aan een politieke boodschap, zoals ook de dochter van Wollstonecraft moet hebben beseft. Wollstonecraft overleed toen ze 38 was bij de geboorte van deze dochter, Mary Shelley, die op haar twintigste de beroemd geworden roman Victor Frankenstein: The Modern Prometheus schreef. Andersom zijn er wel boeken ingezet als politiek wapen die in eerste instantie niet als zodanig bedoeld waren. De negerhut van oom Tom is hier een goed voorbeeld van. De schrijfster van dit boek, Harriet Beecher-Stowe (1811-1896), had niet de intentie met haar boek een politiek pamflet te schrijven; ze wilde de geest van de tijd in beeld brengen. En dit deed ze op indrukwekkende wijze.

Hoewel literatuur zich doorgaans niet leent voor politiek activisme vormen romans wel bronnen van reflectie op leven en maatschappij, wat op zich natuurlijk ook de politiek raakt. Zo zijn de romans van de eerste vrouwelijke auteurs allemaal een product van de strijd tegen de ideevorming rond het karakter van de vrouw, tegen de berustende, opofferingsgezinde volgzaamheid die van oudsher van de vrouw werd verwacht. Uit Bollmanns boek blijkt dat de vroege schrijfsters stuk voor stuk worstelden met het alledaagse leven dat hun nauwelijks toestond om te schrijven; waren het geen morele criteria die hun werden opgelegd, dan was het wel het gebrek aan tijd en ruimte in het huishouden. Jane Austen (1775-1817) schijnt haar boeken in de gemeenschappelijke woonkamer te hebben geschreven, waar ze telkens haar werk bedekte als er iemand binnenkwam en voorwendde een boodschappenlijstje te schrijven, een van de weinige dingen die een vrouw wel geoorloofd was te schrijven.

Bollmann vertelt dat aan het eind van de achttiende eeuw Adolph Freiherr von Knigge de burgers praktische levenswijsheid in de geest van de Verlichting bijbracht, en dat een van de wijze lessen nog altijd was dat ‘vrouwpersonen’ verboden moest worden zich met literatuur bezig te houden. ‘Waar haalden vrouwen de moed vandaan, zo vroeg Knigge zich af, om zomaar te willen meepraten en een gefundeerd oordeel te willen geven over zaken die eeuwenlang tot het exclusieve domein van mannen hadden behoord?’ Knigge schreef zijn praktische levenslessen in een periode waarin vrouwen meer vrije tijd kregen dankzij de industrialisering, die ervoor zorgde dat allerhande zaken ineens fabrieksmatig vervaardigd werden. ‘Zeker in welvarende, stedelijke milieus stond het leven van de vrouw niet meer uitsluitend in het teken van huiselijke plichten als naaien, spinnen, weven, brood bakken, inmaken en het vervaardigen van kaarsen en zeep’, zo schrijft Bollmann.

Al nam de hoeveelheid vrije tijd van vrouwen toe en daarmee de tijd om zich aan literatuur te wijden, de maatschappelijke en sociale verwachtingen ten opzichte van de vrouw als zorgende, ontvangende, onbaatzuchtige huisvrouw die met liefde al haar aandacht aan anderen wijdt, drukte nog zwaar op de schouders van de vrouwen die zich het liefst zouden willen terugtrekken om in stilte en afzondering te kunnen schrijven. Deze rolpatronen achtervolgden zelfs Virginia Woolf (1882-1941) nog en brachten haar ertoe het essay A Room of One’s Own te schrijven, waarin ze stelt dat iedere vrouw die wil schrijven op z’n minst een eigen kamer nodig heeft. Een stelling die in 1928, toen haar essay verscheen, kennelijk nog behoorlijk opzienbarend was.

Het verbaast dan ook niet dat voor veel vrouwen die Bollmann in zijn boek heeft opgenomen het schrijven gepaard gaat met een zoektocht naar autonomie en authenticiteit. Zo gaven schrijfsters als George Sand (1804-1876) en later Sylvia Plath (1932-1963) zowel in hun leven als in hun werk uitdrukking aan het verlangen om aan de heersende beeldvorming van ‘de vrouw’ te ontsnappen, om op die manier hun authentieke ik te ontdekken. Virginia Woolf stelde hier echter tegenover dat geen enkele schrijver geheel authentiek kan zijn, aangezien alle schrijvers in eerste instantie lezers zijn, die zich steeds tot de gelezen werken blijven verhouden.

Vrouwen die schrijven leven gevaarlijk geeft een helder overzicht van de geschiedenis van de door vrouwen geschreven literatuur. Door de grote hoeveelheid schrijfsters komt iedere auteur echter maar kort aan bod, waardoor de tekst wat oppervlakkig blijft en de keuze enigszins willekeurig overkomt. Waarom staat Anna Bijns er niet in, of Gertrude Stein of Anne Sexton? Aan de meeste schrijfsters die er wél in staan wordt één pagina tekst gewijd die naast het portret van de auteur is afgedrukt. Anders dan in het boek dat hieraan voorafging, Vrouwen die lezen zijn gevaarlijk (2005), gaat Bollmann ook nauwelijks in op de portretten zelf. In het boek over de geportretteerde lezende vrouwen schetste Bollmann naast een geschiedenis van het lezen tevens een ontwikkeling van de verbeelding van vrouwen binnen de kunstgeschiedenis. Helaas zijn in het boek over de schrijvende vrouwen de portretten niet meer dan illustraties.

Kristien Hemmerechts, die voor beide boeken een voorwoord schreef, vult de tekst van Bollmann hierin enigszins aan door een onderscheid te maken tussen vijf soorten schrijversportretten. Het vijfde type laat volgens Hemmerechts de auteur zien zoals ze is, hieraan voldoet volgens haar de foto van Doris Lessing. Lessing maakt zich niet druk over hoe ze op de foto zal overkomen, ze is bezig met haar werk, ze kijkt niet in de lens, maar zit na te denken. Als dit het beste uitdrukking geeft aan wie of wat een schrijfster is, klopt het ook dat Bollmann zich niet met de afbeeldingen heeft beziggehouden; het gaat in de literatuur immers niet om het auteursportret, maar om wat de auteur heeft geschreven. Tegenwoordig kunnen we daaraan toevoegen dat de literaire kwaliteit van het werk voorop staat en dat het er niet toe doet of de auteur een man of een vrouw is. Bollmanns boek herinnert er echter aan hoe recent deze opvatting eigenlijk is, en hoe lang vele schrijfsters ten eerste als schrijvende ‘vrouwen’ werden gezien.