Van bruidsjurk tot mantelpakje

Ze vliegt zich suf, redt het werk van honderdvijftig Oost-Europese vrouwen en slaapt alleen. Op haar visitekaartje staan negen telefoon- en faxnummers. Het leven van een carrièrevrouw, wier oma trouwde in het wit.

“MANNEN GEBRUIKEN vrouwen het liefst als asbak. Ze spugen erin en lopen weer door”, waarschuwde mijn oma. “Laat dat je niet gebeuren, meisje!”’ Ze imiteert het deftige accent van haar grootmoeder op fluistertoon: over seks praten was toen not done voor een dame! ‘Die asbakken - je zag ze in openbare gebouwen, op zo'n metalen poot, met afgebladderde verf, vol rochels en peuken - d‡t was oma’s reactie op mijn eerste verliefdheid!’ Ze schudt haar hoofd. Lacht. 'Op de bruiloft van een achternicht kon ik mijn ogen niet van de bruidegom afhouden. Wat glansde zijn haar, wat bewoog hij mooi in dat pak! Nadat hij de bruid had gekust, rende ik naar hem toe: “Mag ik ook zo'n zoen?” De genodigden klapten van plezier, maar oma was ontsteld! Ik was een jaar of zes toen.’
Nu is ze drieëndertig. En zakenvrouw. Ze neemt een vliegtuig als de bus, woont in hotelkamers en heeft 'geen lol’ in interviews. Na de studie in Leiden, een modebedrijfje dat ze in haar vrije tijd had opgericht, en een 'echte’ baan bij de bank, heeft ze drie jaar geleden haar werkterrein verruimd. Op haar visitekaartje staat: Managing Director for South East Europe. Daaronder negen telefoon- en faxnummers van kantoren in vijf verschillende landen, waar zij de baas is. Ze is op geen van de nummers te bereiken. 'Clinton bellen gaat vast makkelijker ja’, lacht de secretaresse op het hoofdkantoor in Den Haag. 'Neemt ze mobiel ook niet op? Alle vier niet? O, dan zit ze in een vliegtuig, ben ik bang.’
Op het vliegveld in Sofia is haar tred nauwelijks bij te houden. Bij de incheckbalie biedt de medewerker aan haar ticket te upgraden naar de business-class. 'Dat is puur vriendelijk bedoeld, hij ziet me zo vaak’, zegt ze. De ober in de lounge begroet haar als een oude bekende: 'Net aangekomen? Nee? Jammer! Ik had gehoopt dat we tijd hadden om iets te drinken samen.’ Oók puur vriendelijk bedoeld, vindt zij. 'Ik kom terug’, stelt ze moederlijk gerust. De ober kijkt ernaar uit. Dat doet hij al jaren.
Op het vliegveld in Wenen, waar ze op de volgende aansluiting wacht, koopt ze in minder dan een kwartier lingerie, een zonnebril en een horloge. 'Ik ben jaloers op mensen die exact datgene inpakken wat ze nodig hebben. Ik laat altijd wel 'ets in een ander land liggen! Dan koop ik maar weer hetzelfde model. In Zuidoost-Europa zijn mensen arm, ik kan niet steeds met een ander horloge op het werk verschijnen, dat kun je niet maken, vind ik.’
Als ze haar paspoort openklapt, lacht de douanier haar toe. 'Mijn oma heeft haar leven lang naar Parijs gewild’, vertelt ze. 'Toen opa leefde is het er niet van gekomen, daarna vond ze er zonder hem “toch niets aan”. De nacht voor haar dood bleef ze de straatnamen in het Frans opdreunen. Toen heb ik gezworen dat het met mij nooit zover zou komen.’ De douanier schuift het paspoort terug: 'Nieuw kapsel? Staat fantastisch’, zegt hij. Zij glimlacht: 'Dáár heb ik me aan gehouden, lijkt me.’
HAAR GROOTMOEDER groeide op in Oost-Europa. Ze was een mooi meisje. Als ze met chaperonnes door de straten flaneerde, floten de mannen. Op een avond klonk muziek onder het balkon. Een mannenstem zette een liefdeslied in. De moeder versperde de weg naar het raam en slingerde de theepot met inhoud naar buiten. 'Zoon van de slager, niets voor jou!’
Grootvader spuugde nooit in het openbaar. Hij kwam uit een ander land, was van adellijke afkomst en at zelfs een maïskolf met mes en vork. De moeder had deze keer geen bezwaar: oma trouwde in het wit, nauwelijks achttien. Drie zwangerschappen werden afgebroken. 'Kinderen van emigranten worden nooit gelukkig’, vond opa. De vierde keer snoerde ze net zo lang haar korset in tot het te laat was om in te grijpen. Opa nam zijn verlies als een heer. Hij was dol op zijn kind, maar zijn kleindochter werd zijn oogappel. 'Als ik kwam logeren, sliep ik bij hem in de kamer. Twee mahoniehouten bedden gescheiden door een dressoir. Daarop de radio. Voor het opstaan luisterden we naar het nieuws, terwijl oma ontbijt klaarmaakte in de keuken. Zij sliep in de andere kamer. “Omdat oma het altijd warm heeft en opa koud”, zeiden ze. Ik zocht er nooit wat achter.’
Voor het boarden belt ze haar chauffeur in Sarajevo. Ze wil dezelfde dag nog naar de textielfabriek in het binnenland, om met de manager te praten. 'Reserveer jij de kamers? Dat fijne hotel met kogelgaten en kakkerlakken ja! Thuis douchen hè, er is vast geen water.’ Dan belt ze haar baas in Nederland. 'Ben ik niet welkom op de algemene directievergadering? O, juist. Dan zie ik de uitnodiging in Boekarest, daar ben ik overmorgen.’ Als ze ophangt verzucht ze: 'Vergeten, aan mijn hoela! Ik durf te wedden dat geen van de héren is vergeten.’ Een maand later zal ze plaatsnemen aan de tafel waar nog nooit een vrouw heeft gezeten. De foto’s. Overleg bestuur: mannen met stropdassen, zij in blauw mantelpakje. Bespreking met de minister: mannen met stropdassen, zij in het rood. Lezing bij Defensie: zij in okergeel. Receptie: ze schiet in de lach. 'Die rok is wel kort ja! Ach, natuurlijk kijken de heren naar mijn benen. Maar ik doe me toch ook niet dommer voor dan ik ben?’
Als ook de laatste passagiers naar het vliegtuig zijn doorgesluisd, rinkelt haar mobiel. Ze kijkt naar de display: 'Mijn zus, sorry, die móet ik even nemen.’ Een minuut lang zegt ze niets. De stewardess wenkt. Zij draait zich af en zegt, op fluistertoon: 'Dóe het nou gewoon! Alsjeblieft, papa en mama willen zó graag kleinkinderen. Wat? Nee joh, ik heb er nu echt geen tijd voor.’
HAAR EERSTE liefde leerde ze kennen op de middelbare school. Ze waren onafscheidelijk. Maar zijn moeder spoot gif: 'Dat meisje komt uit een emigrantenfamilie, niets voor jou!’ Hij woonde in Wassenaar, hij was bevriend met de prinsjes, zijn moeder wilde dat zo houden. Toen is háár moeder woedend geworden: 'Mijn dochter te min, wat denkt ze wel? Heeft die vrouw ooit gestudeerd? Ooit zelf gewerkt? Wat heeft zij ooit gedaan behalve haar handje bij haar rijke man ophouden?’ Uiteindelijk loste de eerste liefde de toestand op door met haar beste vriendin het bed in te duiken. 'Ik werd een hopeloos, treurig, onzeker, zichzelf hatend hoopje. Dat je het verdriet beter van je af kunt slaan, zo hard en zo gemeen als je maar kunt, desnoods op een boksbal, wist ik toen nog niet.’ Dat ontdekte ze pas jaren later. 'Gek genoeg gaf oma troost. Ze kwam en nam me in haar armen. Urenlang hield ze me vast. Bij vertrek zei ze: “Ieder mens heeft bij de geboorte een pareltje gekregen. In een schelp die je zelf open moet zien te krijgen. Sommige mensen laten er mos op groeien: hun parel zal nooit schitteren. Als jij je parel goed verzorgt, kom je vanzelf iemand tegen die zijn parel naast de jouwe kan leggen. Pas dan kun je een ketting maken.”’
In Sarajevo wacht de chauffeur in de aankomsthal. Hij heeft een verrassing. Haar koffer die vorige week zoek is geraakt, is aangekomen. 'Je zal je spullen wel gemist hebben’, zegt hij. Zij klapt knipogend het groene gevaarte open. Pakken koffie (voor de secretaresse), babyluiers (voor de schoonmaakster), waxinelichtjes (voor de buurvrouw). De chauffeur krijgt thee voor zijn nieren en reumazalf voor zijn vrouw. Hij schudt dankbaar zijn hoofd: 'Ben je alweer met je koffer naar de supermarkt geweest? Je maakt al je geld aan ons op!’
'Daarom gaan we nu gauw weer geld verdienen’, grapt zij. 'Rijden maar.’
Ze voelt zich in Zuidoost-Europa als een vis in het water. 'Logisch, mijn grootouders komen hier vandaan. Wat vroeger mijn leven verwarde, omdat ik naast de Nederlandse nog een andere mentaliteit kende, is me nu tot voordeel.’ Dat ze een vrouw is, is juist minder moeilijk dan thuis. 'In communistische landen was het vrij gewoon dat vrouwen werken. Grootouders zorgden voor de kinderen. Als ik mijn vriendinnen in Nederland zie, altijd onderweg van kantoor naar crèche, was dat nog niet zo gek geregeld.’
Ze arriveert pas de volgende avond in haar woning in Sarajevo. De werkster heeft boven de slaapkamerdeur op post-it blaadjes 'welkom thuis’ geschreven. Op de tafel heeft ze een briefje gelegd: 'Blijf je deze keer langer? Ik mis je.’ Ze stopt het briefje in haar nachtkastje, smeert een broodje met kaas en pepers, neemt een snelle douche en steekt zich in pumps en zijde voor het zakendiner. 'In Nederland zou ik denken: voor de vijfde keer uit eten deze week, bah! Maar hier is van zo'n etentje mede afhankelijk of honderdvijftig vrouwen, die geen man meer hebben door de oorlog, geen huis én hongerige kinderen, straks aan het werk kunnen. Als de fabriek wordt opgeknapt hebben honderdvijftig vrouwen weer een baan, dat is toch prachtig! Misschien is mijn manier van leven zwaar, maar ik weet tenminste waar ik het voor doe.’ Dan olijk: 'Daarbij, wat zou ik vanavond thuis moeten? In mijn eentje voor de tv?’
Toen ze na de dood van haar man alleen achterbleef, wilde grootmoeder niet verder leven. 'Vijftig jaar bij elkaar. Stel je voor! Mijn relaties duurden niet eens vijf jaar!’ zegt ze. 'Oma had veel talenten, toch is ze vooral de vrouw van haar man gebleven. Ten onrechte roemloos gestorven, zeg maar. Mijn ambitie is niet de roem, maar wel het geluk. Hoe kun je gelukkig zijn als je je ten koste van jezelf aan een ander aanpast? En dat is wat mijn vriendjes toch wilden: hoe succesvoller ik werd, hoe kleiner zij zich voelden.’
Ze loopt van de ene naar de andere kamer op zoek naar haar kokerrok. 'Ik weet nooit waar de werkster de boel laat. Ik hoop maar dat ze de rok niet zelf heeft aangetrokken’, lacht ze. Ze heeft de rok van grootmoeder gekregen. 'Toen oma niet meer voor zichzelf kon zorgen, heeft mijn moeder haar thuis verpleegd. Die laatste nacht… ze was zo mager, zo moe. Opeens werd ze klaarwakker: “Opa is na de oorlog gevangen genomen. De communisten vonden iemand van adel per definitie verdacht, dat weet je toch?” vroeg oma.’ Zij knikte. ’“Toen heb ik dat mooie pakje aangetrokken, met die parelmoerknopen. Diezelfde dag had ik een baan.”’ Ook dát wist ze. 'Oma had de directeur wijsgemaakt dat ze rechten had gestudeerd, dat haar diploma in de oorlog was verbrand: “Ik ben geen lid van de Partij, maar ik heb wel hersens. Het valt te bezien of voor uw medewerkers hetzelfde geldt.” Toen opa vrijkwam, wilde ze de baan niet opgeven. Deze keer nam hij zijn verlies niet als een heer: “Ik zag hem in de lunchpauze met een andere vrouw. Tóen heb ik de lakens van mijn mahoniehouten bed naar de andere kamer verhuisd. Nu weet je dát ook. Een straf van twintig jaar”, fluisterde oma. Ik keek naar haar te groot geworden nachtjapon… haar verschrompelde handen… Ik dacht: ze is nog een jong meisje! “Ik heb het meest mijzelf gestraft”, is het laatste wat ze zei.’
De telefoon rinkelt, maar ze neemt niet op. Ze speelt met haar sigarettendoosje. Zegt: 'Ik heb mijn studie afgemaakt.’ Glimlacht: 'Rechten ja.’ Pakt een sigaret. 'Ik slaap níet in mijn eentje omdat ik het “altijd warm” heb.’ Legt de sigaret terug. 'Maar of ik gelukkiger ben dan oma, dat weet ik niet.’
Ze ritst de kokerrok los, trekt in kleermakerszit de la van haar nachtkastje open. Onderin de brief van grootmoeder. Als ze het lijntjespapier openvouwt vullen haar ogen zich met tranen. 'Shit! Die hete pepers zitten aan mijn vingers’, vloekt ze. Ze leest voor: 'Lief meisje. Ik heb gehoord dat je naar de Cariben bent afgereisd. Waarom zo ver weg? Het geluk is niet afhankelijk van het aantal kilometers dat je aflegt in de hoop het te bereiken! Het is voor mij niet makkelijk geweest mijn dromen te verwezenlijken. Ik heb mijn best gedaan goed te zorgen voor mensen waar ik van hou. Nu ben ik omringd met jullie, mijn familie, en jullie liefde. Ik zal niet eenzaam sterven. Dat is veel waard. Ik hoop dat jij op een dag een gezin zal stichten dat jou net zo veel liefde zal geven. Geniet van verre streken, maar gooi het geluk dat zo dichtbij is, niet weg!’ Bij de laatste woorden vloeien de tranen over haar wangen. 'Die godvergeten pepers’, vloekt ze nog een keer.
TEGEN KERST draait de textielfabriek op volle toeren. De chauffeur rijdt de werkster naar de Engelse les, hijzelf volgt een computercursus. 'Je wilt toch niet eeuwig werkster of chauffeur blijven’, had ze gezegd. Daarna heeft ze haar baan opgezegd. 'Zelfs de obers op gróte vliegvelden herkennen me! Ik wil niet mijn leven onderweg slijten’, vertelt ze haar zus door de telefoon. 'Huisvrouw? Nee gék, ik zoek gewoon iets dichter bij huis. Wat? Hahaha, dat huis moet ik óók nog vinden ja. Wie het is? Hoezo?’ Ze zwijgt even. Zegt dan: 'Ik had toch die pepers… ja, toen is het op mijn lenzen gekomen, ik kon ze niet meer in, een ramp! Komt, vlák voor de vergadering, zijn chauffeur mijn kantoor binnen, met een nieuw paar! Midden in Bosni’!’ Ze drukt haar sigaret uit, schuift de asbak opzij. Zegt, op fluistertoon: 'Een man die begrijpt dat je met bril op écht geen zaken kan doen, die heeft vast een pareltje, denk je niet?’