De componist als superster

Van C klein naar C groot

Ooit was hij niet meer dan een ornament aan het hof van de koning; later reisde de vorst als pelgrim naar zijn theaters toe. De statuur van de musicus in de samenleving is gegroeid.

JAAP VAN ZWEDEN verdient al gauw enkele miljoenen euro’s per jaar. Hij is chef-dirigent van drie orkesten – Dallas, Antwerpen en het Radio Philharmonisch Orkest – en gastdirigent bij diverse toporkesten. Net verlengde hij zijn contract met de radio tot en met 2015 en hij stapelt succes op succes in de opera’s van de Zaterdag Matinee. Hij verplaatst zich in snelle bolides, is de lieveling van De Telegraaf en werd als gast bij Pauw & Witteman geïntroduceerd als ‘superster’. En zoals een superster betaamt, heeft Van Zweden persoonlijke vetes, met vijanden groot en klein. Zo lukte het hem om De Telegraaf negatieve recensies te laten schrijven over zijn concurrent Jan Willem de Vriend, concerten die in de andere media louter lovend werden besproken. De grootste krant van Nederland maakte zelfs op de voorpagina melding over onvrede onder De Vriends orkestleden. Beide stukken waren zó tendentieus en negatief dat het voor de goede lezer alras duidelijk was dat hier meer aan de hand was dan een serieus onafhankelijk oordeel.
‘Superster’, rijk, baas van drie orkesten, in staat om de media naar zijn hand te zetten: Van Zweden heeft ontegenzeggelijk macht. Dit roept de vraag op: hadden musici altijd al vooraanstaande maatschappelijke posities?
Nee, zegt Tim Blanning, professor moderne Europese geschiedenis te Cambridge. In zijn zojuist gepubliceerde The Triumph of Music: Composers, Musicians and their Audiences, 1700 to the Present laat hij zien dat de musicus in driehonderd jaar tijd is opgeklommen van de laagste tot de allerhoogste sport op de sociale ladder. In 1700 was de musicus een dienaar aan het hof. Hij at in de kelder met keukenmeiden en lakeien. Vandaag de dag adviseert iemand als Bono staatshoofden, zijn hem talrijke onderscheidingen verleend als het Légion d’Honneur, was hij Time’s Person of the Year, en is hij medeorganisator van Live8 met 3,8 miljard kijkers.
Blanning laat zien dat de musicus zijn maatschappelijke positie in de afgelopen drie eeuwen heeft verbeterd en dat die vooruitgang, van dienaar tot Bono, bijna lineair verliep. Bovendien voorspelt Blanning dat de musicus nog heel lang zijn hoge maatschappelijke positie zal handhaven, zo niet nog verder zal uitbreiden.
Een belangrijke schakel in die vooruitgang is de regeerperiode van de keurvorst van de Palts, die Mannheim tussen 1743 en 1777 regeerde. Dat was een kunstmatig aangelegde stad, op een vierkant grid. Een toerist noteerde: ‘Met een geweldig paleis is Mannheim een mooie stad, maar het is zo gebouwd dat het lijkt dat de inwoners er meer moeten wonen dan er willen wonen. Het is gemaakt, niet gegroeid. Het heeft een despotisch voorkomen.’ Muziek was onderdeel van een groter plan van deze Karl Theodor, al was ze in eerste instantie ondergeschikt aan het ceremonieel dat de vorst verder aanzien moest verschaffen. Als leden van het hof zich in het paleis verzamelden, dan speelden de musici fanfaremuziek.
Het grotere plan draaide om meer macht en aanzien. Omdat Karl Theodor veel minder soldaten op de been kon krijgen dan vorsten van Oostenrijk of Pruisen voerde hij een andere oorlog voor aanzien binnen het Heilige Roomse Rijk. Karl Theodor, die zelf fluit en cello speelde, haalde de bekendste componisten naar Mannheim; volgens Mozart schiep hij misschien het beste orkest van Europa. Al gauw concurreerden vorsten met elkaar op cultureel gebied: wie heeft de beste opera, het beste orkest, de beste componisten, het mooiste theater. Deze competitie leidde tot hogere salarissen en pensioenen voor musici en betere werk- en leefomstandigheden.

DE MUSICUS ALS meest vooruitgeschoven pion in Karl Theodors machtsspel plaveide de weg, een eeuw later, voor Richard Wagner. In zijn autobiografie beschrijft de componist een ijltoestand: ‘Ik werd wakker uit een trance. De orkestrale prelude van Rheingold, die al lang in mij sluimerde, was aan mij geopenbaard; en ik zag meteen hoe ik eraan toe was: de inspiratie kwam van binnen, niet van buiten.’ Volgens Blanning heeft Wagner daarmee een treffende definitie gegeven van het Romantische project. Voor de uitvoering van zijn vierluik Der Ring des Nibelungen had Wagner, de eenling, inderdaad zelf de muziek gecomponeerd, het libretto geschreven, het orkest samengesteld, geld bij elkaar geschraapt en naar eigen inzicht het theater te Bayreuth vormgegeven. ‘Het theater is het meest omvattend, de belangrijkste van alle kunstzinnige instellingen, en voordat mensen zich in vrijheid aan hun meest nobele bezigheid kunnen wijden, en dat is kunst, hoe kunnen ze dan hopen vrij en onafhankelijk te zijn in andere, lagere richtingen?’ schreef hij. Het theater ontbeerde alle luxe of decoratie en Wagner liet het Festspielhaus niet voor niets bouwen in een afgelegen gat in Frankenland. Het was niet de bedoeling dat het publiek van zijn kunst lekker een avondje naar de opera ging; het moest een lange, uitputtende reis wagen naar het Festival, als pelgrims die verlossing zoeken.
Op 12 augustus 1876 vond in Bayreuth de première plaats van de Ring. Componisten als Bruckner en Tschaikovsky waren aanwezig en zo’n honderd journalisten uit vele landen. Maar bovenal kwam de Duitse keizer Wilhelm de Grote naar het dorpje. Dat is volgens Blanning een moment van grote symbolische waarde: niet langer wordt de musicus bij de keizer geroepen, maar de keizer komt naar hém. Niet in een gouden koets, maar per nachttrein.
De sacralisering in Wagners muziek is dan nog niet eens tot volle wasdom gekomen. Hij zou Parsifal nog componeren. Een werk vol christelijke symboliek waarin Parsifal uiteindelijk ter communie gaat bij de ridders van de Heilige Graal. Strikt genomen geen christelijk werk, maar wel een religieuze opera. En het is meer dan bidden. Wagner hoopte met Parsifal de nieuwe mens te scheppen. Het publiek moest ‘de waarheid van een kunstwerk’ ervaren. Eigenlijk zag Wagner kunst – zíjn kunst – de functie overnemen die religie eerder had.
Zo komen bij Wagner drie hoofdzaken samen: zijn maatschappelijke status was hoog; hij stond model voor het Romantische ideaal van de geniale eenling, en zijn muziek had een sacrale functie. Na Wagner gaat het verder bergopwaarts met de musicus, ook doordat de musicus in de twintigste eeuw maximaal kan profiteren van technologische ontwikkelingen. Arturo Toscanini speelt een rol in de internationale politiek en wordt wereldberoemd dankzij de televisie. In Nederland is Willem Mengelberg de ‘populairste Nederlander’ volgens het weekblad Het Leven in 1927. Een sleutelmoment na de oorlog noemt Blanning het eerste stadionconcert van de Beatles, net als een recent optreden van de Rolling Stones op een strand in Brazilië voor een publiek van één miljoen mensen. Sleutelmomenten omdat ze symbool staan voor een groeiend publieksbereik van musici.
Ook het sacrale in de muziek is volgens Blanning actueler dan ooit. Tenorsaxofonist John Coltrane schrijft over zijn album A Love Supreme: ‘Mijn doel is een religieus leven te leiden en dat in mijn muziek uit te drukken. Mijn muziek is de spirituele expressie van wie ik ben. Ik denk dat muziek van de aarde een betere plek maakt, en ik ben daarvoor uitverkoren, ik wil het doen. Ik zou mensen willen overtuigen van het goddelijke in muzikale taal, die woorden overstijgt.’ En als Bono naar datzelfde album van Coltrane luistert schrijft hij: ‘Religie is de vijand van God geworden. Er is zoveel slechtheid in deze wereld, maar schoonheid is onze troost: de schoonheid van Coltrane’s stem van riet.’

MAAR HEEFT BLANNING gelijk? Op het eerste gezicht lijkt hij het zichzelf lastig te maken met het jaartal in de ondertitel van zijn boek, 1700. In de Renaissance werd er immers al levendig gehandeld in jonge zangertjes, en betaalde de Sixtijnse Kapel hoge transferprijzen voor goede stemmen uit heel Europa, vergelijkbaar met voetballers van vandaag. Componist Jean-Baptiste Lully werd eind zeventiende eeuw de belichaming van ware Franse kunst en daarmee zo’n beetje de belangrijkste man aan het Franse hof na de Zonnekoning zelf. En in de film Farinelli – met een hoofdrol voor Jeroen Krabbé als Händel, al wil die pruik maar niet recht zitten – is te zien hoe de castraat driehonderd jaar geleden concerten gaf zoals hedendaagse popsterren doen, voor hoge honoraria, in afgeladen theaters compleet met flauwvallende vrouwen.
Fundamenteler is de vraag of er in de afgelopen drie eeuwen inderdaad sprake is van een lineaire vooruitgang in de positie van de musicus. Maarten Doorman, filosoof en dichter, denkt van niet. Hij laat in zijn boek De romantische orde zien dat de maatschappelijke positie van de componist in de negentiende eeuw haar hoogste punt bereikt. Want allerlei ontwikkelingen die uiteindelijk tot de Romantiek leidden, waren gunstig voor de musicus. Zo ontstaat er expressie in de muziek. De muziek wordt een hoorbaar resultaat van een ‘Ik’, een manifestatie van het innerlijk. Allerlei zaken waar Bach nooit ook maar een moment bij had stilgestaan. Doorman schrijft verder dat als de gemoedstoestand van de componist belangrijk wordt muziek aan betekenis wint, want zij is bij uitstek gerelateerd aan stemmingen. Ten slotte wordt de componist volgens Doorman onderdeel van de voor de Romantiek zo kenmerkende geniecultus. Dit genie trekt zich weinig aan van regels, staat daar boven, en laat zich slechts leiden door inspiratie.
Tot en met de opkomst van Wagner is Doorman het dus zo’n beetje eens met Blanning. Daarna, schrijft Doorman, ontwikkelt zich in de loop van de twintigste eeuw een sterke scepsis jegens de expressie. In seriële muziek zal het uiteindelijk gaan om matrixen en reeksen van getallen. En Strawinsky schreef dat muziek ‘niet de macht heeft wat dan ook uit te drukken, of het nu een gevoel, een geestesgesteldheid, of een psychologische stemming (…) is’. Ten slotte is het een open deur dat de geniecultus rond de componist nagenoeg is verdwenen. Britney Spears staat weliswaar volop in de aandacht, maar eerder vanwege drugsgebruik dan om haar muzikale successen.
Doorman gelooft dat de hoge positie van de musicus vandaag eerder te danken is aan resten van de Romantiek. Onze samenleving is volgens hem nog doordrenkt van noties als expressie en de manifestatie van het ik in de muziek. Toch wordt ook dat minder, naarmate de tijd verstrijkt, weg van de Romantiek. Hij schrijft dat de musicus zijn hoogste positie inmiddels heeft moeten afstaan aan de filmster en de sportheld.
Vóór Blanning en tegen Doorman pleit in ieder geval een gebeurtenis in ons land. Terwijl Karl Theodor de musicus nog ondergeschikt maakte aan zijn machtsspel ging Wilhelm de Grote een eeuw later per trein naar Bayreuth om een musicus te eren. Maar de machtigste man van Nederland gaat nog een stapje verder. Hij kruipt in de huid van de musicus om er zelf een te mogen worden. Alexander Rinnooy Kan gaat volgend seizoen met een pianiste de planken op, in een muziekserie van Muziekcentrum Eindhoven. Het belooft een spetterende voorstelling te worden. Als dat geen lineaire vooruitgang is.

Tim Blanning, The Triumph of Music: Composers, Musicians and their Audiences, 1700 to the Present. Allen Lane, 416 blz., € 33,99