Van canon tot camp groene-essay

Lange tijd gold het in de neerlandistiek als absoluut ‘not done’ om een literair werk in zijn historische context te plaatsen. Als de tekenen niet bedriegen, loopt die gekte nu ten einde. Maar of daarmee ook meteen een einde moet komen aan het onderscheid tussen èchte en consumptiecultuur?
Wilbert Smulders en Frans Ruiter, Literatuur en moderniteit in Nederland: 1840-1990. Uitg. De Arbeiderspers, 438 blz., 359,-.
NEERLANDICI EN HISTORICI zijn familie van elkaar. Je zou kunnen zeggen dat ze binnen de grote letterenfamilie elkanders neven zijn. Vroeger waren die familiebanden intensief en vol van wederzijds respect.

Een student Nederlands was toen nog verplicht een stevig bijvaktentamen vaderlandse geschiedenis af te leggen. En er bestond geen zichzelf respecterend historicus zonder een tenminste oppervlakkige kennis van de Nederlandse letterkunde sinds Hendrik van Veldeke. Kom daar in de jaren negentig nog maar eens om! Een universitair docent mag zich tegenwoordig al gelukkig prijzen wanneer zijn studenten een elementaire kennis van de Nederlandse grammatica tonen!
Dat is natuurlijk allemaal de schuld van de jaren zestig, van de televisie en van die Zoetermeerse beleidsbrakers, maar neef neerlandicus en neef historicus gaan ook niet helemaal vrijuit. Hoewel wonend onder hetzelfde facultaire dak, hebben ze elkaar al zo'n dertig jaar geleden uit het oog verloren. De historicus ging vanaf de jaren zestig veelvuldig op stap met de hippe meiden uit de sociale faculteit en noemde zich voortaan ‘maatschappijhistoricus’. De neerlandicus op zijn beurt kreeg met helemaal niemand verkering en sloot zich wrokkig op in zijn studeerkamertje. Mèt zijn boeken natuurlijk. Zachtjes voor zich heen neuriënd - 'I am a rock, I am an island’ -, probeerde hij zich te concentreren op wat hij noemde 'de autonomie van het literaire werk’.
Maar buiten ging het leven gewoon door. Door al dat gevrij met de meisjes van de sociale faculteit werd het werk van de historicus er trouwens niet beter op. Van huis uit al geen bezield schrijver, produceerde de Nederlandse historicus enkel nog onleesbare rommel, doorspekt met sociologismen en eindeloze tabellenreeksen. Of hij niet weer eens gewoon een mooi verhaal kon vertellen, zo werd hem steeds vaker verwijtend gevraagd. En geschiedenis, dat was vroeger toch een letteren-vak? Langzaam drentelde neef historicus weer op huis aan en klopte op de deur van neef neerlandicus. Die was eerst nog een beetje in de war en mummelde wat onsamenhangend over versinterne poëtica, gegenderde semiotiek en een postmoderne discursiviteit, maar na een poosje ontspon zich waarachtig een goed gesprek tussen die twee. Ze spraken over vroeger, over de schoonheid van de letteren en de mysteries van de geschiedenis. En hoe mooi het was dat ze elkaar na zoveel jaren weer gevonden hadden.
ZO ZOU HET KUNNEN ZIJN DUS. Maar zeker ben ik daar niet van. Natuurlijk: aan mij zal het niet liggen, en, getuige hun vorige week verschenen boek Literatuur en moderniteit in Nederland: 1840-1990, ook niet aan de Utrechtse neerlandici Wilbert Smulders en Frans Ruiter. Maar of die twee representatief zijn voor het gilde der neerlandisten, betwijfel ik. In ieder geval leverde Smulders - dè W.F. Hermans-expert van Nederland - geen bijdrage aan het zeer omvangrijke overzicht van de Nederlandse letterkunde dat twee jaar geleden verscheen onder eindredactie van de (eveneens Utrechtse) hoogleraar Riet Schenkeveld-Van der Dussen. Toeval? Hoe het ook zij, het nieuwe boek van Smulders en Ruiter staat qua aanpak volkomen haaks op deze 'postmoderne’ literatuurgeschiedenis met zijn honderdvijftig topoi, beschreven door bijna evenveel deskundigen en slechts bijeengehouden door een dun chronologisch lintje en - toegegeven - een prachtig stofomslag. Gewapend met een postmodern pragmatisme achtte de redactie van dit monumentale boek zich ontslagen van het aanbrengen van historische lijnen of samenhang: dè geschiedenis bestaat tenslotte niet; er bestaan uitsluitend constructies achteraf, aldus de gedecideerde hoofdredacteur Schenkeveld-Van der Dussen in haar woord vooraf.
In hun eigen literatuurgeschiedenis stellen Smulders en Ruiter lijnrecht daartegenover een haast ouderwetse belangstelling voor de historisch-maatschappelijke context van de literatuur. Sterker nog: zonder die context verwordt de geschiedenis van de moderne letterkunde tot 'een curieuze opeenvolging van vreemde aberraties en uitgesponnen malligheden’. Maar met deze contextuele benadering zullen zij heel wat collega’s tegen de haren in strijken. Bij de selectie van schrijvers staat immers niet langer hun literaire kwaliteit of de gehanteerde poëtica centraal, nee, de samenleving zelf is nu de leeswijzer voor de literatuur geworden. Het esthetische criterium verschuift in de richting van een historisch criterium. Dat leidt vervolgens weer tot aandacht voor heel wat literatoren voor wie de doorsnee neerlandicus zijn neus ophaalt.
Ik ben benieuwd naar de ontvangst van het boek van Smulders en Ruiter in de kring van hun vakgenoten. Daar zit voor toekomstige neerlandici een interessant receptieonderzoekje in. Maar dàt het rumoer zal veroorzaken, daarvan ben ik overtuigd. En iets dergelijks vermoedden de auteurs ook al blijkens een verzuchting in hun inleiding: 'Menigmaal hebben wij bij het werken aan dit boek er ons het hoofd over gebroken in hoeverre het verhaal dat wij vertellen (…) nog wel te beschouwen is als een literatuurgeschiedenis. Zijn de talloze excursies naar de politieke, sociale en culturele geschiedenis (…) niet evenzovele overbodige afdwalingen van wat op goede gronden als de literaire canon geldt?’ Die angst om de schone letteren te degraderen tot louter grofstoffelijke maatschappijgeschiedenis heeft de auteurs er kennelijk niet van weerhouden een moedige uitbraakpoging te doen uit de bedompte ruimte waarin de neerlandistiek te lang gevangen heeft gezeten. En het is ook een verademing te zien dat twee mensen in dit tijdperk van overspecialisatie nog in staat zijn een zo erudiete synthese te schrijven.
In hun anderhalve eeuw Nederlandse literatuurgeschiedenis stellen Smulders en Ruiter de moderniteit voor als de biotoop waarin de moderne letterkunde floreert. Dat is gauw gezegd, maar minder vlug uitgelegd. Wat is immers moderniteit? Het is een van die vele sociaal-wetenschappelijke begrippen waarvan het aantal omschrijvingen omgekeerd evenredig is aan de mate van wetenschappelijke overeenstemming erover. De auteurs hebben besloten de handen zo veel mogelijk vrij te houden door een zo royaal mogelijke omschrijving te kiezen: 'Modernisering is een overkoepelend begrip voor een reeks veranderingen op technologisch, economisch, cultureel, politiek en sociaal terrein die in de korte periode van ruim anderhalve eeuw het aanzien van de westerse wereld volledig en onomkeerbaar heeft veranderd.’ Zo bezien begint 'de moderniteit’ dus rond 1840, maar dat is natuurlijk een heel willekeurig begin. Je zou evengoed de grote omslag bij de Franse revolutie in 1789 kunnen laten beginnen, of met de Verlichting. En wat te denken van de industriële revolutie die vanaf circa 1750 Engeland 'onomkeerbaar’ gaat veranderen? Trouwens: is het moderne wereldbeeld denkbaar zonder die twee immense mentaal-culturele revoluties die renaissance en reformatie tussen 1400 en 1600 veroorzaakten? En als we ons tot Nederland bepalen, is dan niet 1795, toen de Franse revolutie naar ons land werd geëxporteerd, een aannemelijker begin?
Smulders en Ruiter laten niettemin hun verhaal in de jaren veertig van de vorige eeuw beginnen en uiteraard valt ook daar wel iets voor te zeggen: het Europese revolutiejaar 1848 markeerde ook in Nederland het begin van een liberale hegemonie en de introductie van een cultuurideaal dat de homogeniteit van de Nederlandse natie als uitgangspunt nam. Dat was natuurlijk een wezenlijk moderne gedachte. Maar dat Nederland helemaal geen homogene natie was, maar veeleer een soort cultureel-religieus statenbondje, bleek in het laatste kwart van de negentiende eeuw toen de verzuiling haar beslag kreeg. Men zou die verzuiling - die ook de letterkunde fragmenteerde - kunnen beschouwen als een antimodern offensief dat het liberale ideaal van één homogene cultuur van mondige en kritische burgers aan scherven schoot. Maar met een bijna hegeliaanse dialectiek laten Smulders en Ruiter zien dat zich tijdens het Interbellum uit deze antithese van moderniteit en traditie een merkwaardige synthese ontwikkelde.
DE MODERNITEIT STELDE de kunstenaar voor vragen waar hij tot op de dag van vandaag mee worstelt: welke rol speelt de kunst in een volledig geseculariseerde en vermaterialiseerde samenleving; hoe verhouden high en low culture zich tot elkaar; in welke relatie staat de kunstenaar tot de grauwe massa’s die in de twintigste eeuw de ooit zo verheven podia van politiek en cultuur definitief beklommen hebben?
Het Interbellum was het tijdperk waarin die vragen zich met een ongekend grote brisantheid voordeden. De Tachtigers hadden bij monde van onder anderen Kloos, Van Deyssel en Verwey het antwoord nog gezocht in een geïsoleerd bohémienschap, in een arrogant estheticisme, in een hedonistische verzaking van de banale alledaagsheid, maar in het Interbellum werden de problemen van de moderne massacultuur veel dwingender geformuleerd. Het diepe cultuurpessimisme dat deze hele periode ademde, moet rechtstreeks worden herleid tot de danse macabre op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Anders dan in het fin de siècle kon vluchten in het Interbellum niet meer, al probeerden enkelen dat nog wel. Hun vluchtroute voerde slechts naar nieuwe, nog gruwelijker slagvelden.
Een van de interessantste inzichten die Smulders en Ruiter bieden, is dat in de ambivalentie van het Interbellum. Het Nederland uit die jaren is door toonaangevende historici als De Jong, Kossmann en Von der Dunk getekend als een conservatieve, welhaast onbeweeglijke standenmaatschappij. Laatstgenoemde sprak van 'een stille vijver (…), een natie, die zich door dijken niet alleen tegen de zee, maar vooral tegen de moderne tijd beschermde’. Smulders en Ruiter daarentegen laten bijvoorbeeld in hun uitvoerige aandacht voor het katholieke literaire tijdschrift De Gemeenschap (1925-1941) zien hoe dichter-schrijvers als Jan Engelman, Albert Kuyle en Anton van Duinkerken worstelden met de moderniteit en hoeveel zij daarvan reeds ingezogen hadden. Het blad onderscheidde zich door een strakke, abstracte vormgeving die vaak doet denken aan het avantgardisme van De Stijl. De inhoudsopgaven van De Gemeenschap getuigden van een oplettend oog voor moderne architectuur, beeldende kunst, literatuur, theater en film, maar ook voor moderne politieke en sociale ideeën. Dat met name voor het laatste vaak werd geput uit het rechtse gedachtengoed van corporatisme en fascisme, is geen bewijs voor antimoderniteit - integendeel. Terecht wijzen de auteurs op de moderniteit van het fascisme in de jaren dertig, niet alleen in zijn vitalistische liefde voor moderne techniek, maar ook zijn egalitaire ideeën over culturele gelijkschakeling. Er is inderdaad niet veel voor nodig om hierin een parallel met het liberale ideaal van culturele homogeniteit te ontdekken. De tweeslachtigheid van het Interbellum wordt goed verwoord door de karakteristiek van het fascisme als 'een monsterverbond tussen Verlichting en romantiek’.
Met name in de behandeling van het Interbellum bewijst het experiment van Smulders en Ruiter zijn belang. Hun schets van het literair klimaat is immers niet alleen een uitnodiging aan historici om het geijkte beeld van het Interbellum eens flink af te stoffen, maar ook om hun fixatie op de klassieke thema’s van die periode - verzuiling, werkloosheid, NSB, kortom het hele 'Voorspel’-cliché waar Loe de Jong ons mee opgezadeld heeft - prijs te geven voor een ruimere en meer onbevangen kijk op die tussenoorlogse jaren. Daarbij kan de letterkunde een belangrijke bron zijn, maar ook andere cultuuruitingen, zoals bouwkunst (de Amsterdamse School, het 'Nieuwe Bouwen’), schilderkunst (De Stijl), toneel, cabaret, radio. Dat alles te zamen zou wel eens een heel ander beeld van het Nederlandse Interbellum kunnen opleveren dan het grauwe sjabloon van Loe de Jong cum suis. Inderdaad: een zinderende tijd, vol vernieuwing en spanning; een verscheurde tijd ook, waarin kunstenaars en intellectuelen zich pijnigden met de vraag waar ze - al of niet in Godsnaam - stonden te midden van al deze turbulentie.
Dat cultuurpessimisme was na de oorlog overigens niet verdwenen. Het reïncarneerde ten dele in het personalisme, dat zwabberige christelijke antwoord op het grimmige totalitarisme van links en van rechts. De autoritaire cultuurpolitiek die de personalisten voorstonden - de sociaal-democratische cultuurminister Van der Leeuw had in 1946 het liefst heel Nederland aan het volksdansen gezien - was gestoeld op een grondige aversie jegens de moderne massacultuur die het volk in een staat van diepe morele ontreddering had gebracht.
Tegelijk maakte zich een heel andersoortig cultuurpessimisme na 1945 kenbaar in een nieuwe generatie jonge 'nihilisten’: Anna Blaman, W.F. Hermans en natuurlijk Gerard van het Reve. Deze 'landerigen’ vertolkten volgens Smulders en Ruiter hetzelfde crisisgevoel, al zagen zij, anders dan de personalistische volksopvoeders, geen soelaas meer voor de modernistische malaise. Met deze schrijvers is meteen het karakter van een andere platgeslagen periode aan de orde: de jaren vijftig. Hoe konden zulke controversiële romans worden geschreven in een decennium dat even vervloekt als verheerlijkt is om zijn knusse huiselijkheid? Voor deze vraag zijn Smulders en Ruiter met vrucht te rade gegaan bij hun historische neven, die sinds een paar jaar het klassieke beeld van de jaren vijftig volledig vergruisd hebben. Achter de façade van een stabiel en verzuild land bonkte namelijk een onstuimige modernisering: grootschalige industrialisatie, verstedelijking, de rooms-rode consensus van de verzorgingsstaat en, niet te vergeten, de gretige levenslust van honderdduizenden babyboomers. Zo figureren de jaren vijftig dus als 'de kraamkamer van de jaren zestig’ en deze historische continuïteit maakt de positie van die jonge literaire 'nihilisten’ opeens een stuk minder problematisch.
OPNIEUW WORDT HIER aan een van de kernvragen van de cultuurgeschiedenis geraakt: hoe verhoudt de kunstenaar zich tot de samenleving, of meer specifiek: tot maatschappelijke verandering? Is hij altijd 'zijn tijd vooruit’? Beschikt hij niet, mede door zijn maatschappelijke marginaliteit, over een gevoeliger antenne voor tijdgeesten? Een zintuig voor wat hoog in de lucht hangt, maar voor de burgerman nog lang niet met het blote oog waarneembaar is? Maar als dat laatste klopt, dan is er vanaf de jaren zestig iets raars aan de hand. Reve en Hermans, in de jaren vijftig uiterst controversieel maar nauwelijks verkopend, breken in de jaren zestig door naar een groot publiek. Hetzelfde lot valt de jongere Jan Wolkers ten deel. Terwijl zijn debuut Serpentina’s petticoat in 1961 nog als schokkend werd beschouwd wegens de onverbloemde erotiek, wordt zijn werk enkele jaren later reeds getolereerd op de leeslijsten van middelbare scholieren. Plotseling is de marge genormaliseerd, of, in de termen van Smulders en Ruiter, de subversiviteit gedemocratiseerd. Er ontstaat een antiburgerlijke burgerlijkheid en literatuur is van een distinctief cultuurartikel tot genivelleerd consumptieartikel geworden.
En daarmee zijn we midden in hèt culturele dilemma van ons postmoderne anything goes-tijdperk beland: hoe kan men zich in een genivelleerde cultuur nog onderscheiden, welke criteria hebben we nog voor schoonheid en uniciteit? En hoe onderscheiden we de kunstenaar zelf, wanneer, zoals bijvoorbeeld de Fluxusbeweging met haar participatiekunst stelde, iedereen een kunstenaar is? Of, even overstappend naar de popcultuur, zoals songwriter Ray Davies zijn groep de Kinks liet zingen: 'Everybody’s in showbizz, everybody’s a star’?
Ook de positie van de kunstenaar-literator is dus vanaf de jaren zestig radicaal veranderd. Terwijl de gecanoniseerde dwarsliggers uit de jaren vijftig al snel afstand namen van de contracultuur van de jaren zestig - vooral Reve en Hermans moesten er niets van hebben en Remco Campert gaf met Tjeempie een genadeloze persiflage op de jaren zestig -, richtte een nieuwe groep auteurs, de zogeheten Zestigers, hun pijlen op de Vijftigers met hun gecultiveerde bohémienstatus en hun pathetische kunstenaarschap als een verheven roeping. De Zestigers - Armando, Sleutelaar, Verhagen en anderen - legden zich juist toe op een esthetisering van de alledaagse werkelijkheid en cultiveerden hun eigen 'gewoonheid’ door zich ostentatief te 'verlagen’ tot massamedia (televisie, kranten en weekbladen) en commercie (copywriting en reclame). Terwijl de Vijftigers nog hadden geprobeerd de burger te epateren, keerden de Zestigers die rol om: zij epateerden met hun 'gewoonheid’ de elitaire kunstenaar die zich zo nodig verheven boven de massa moest voelen. De 'verpopping’ van de letterkunde had definitief toegeslagen.
Een verkrampte poging tot culturele distinctie kan men nog zien in het eigentijdse fenomeen van de camp. 'Camp is the answer to the problem: how to be a dandy in an age of mass culture’, zoals Susan Sontag schreef. Natuurlijk is Gerard Reve de grote meester wanneer het erom gaat een verneukeratieve dubbele bodem in banaliteit en slechte smaak te leggen. Maar niet iedereen beschikt over de sublieme ironie van de volksschrijver en in onze eigen tijd zijn we getuige van de Verelundung van de camp, in de media (Paul de Leeuw), maar ook in de beeldende kunst (Jeff Koons), de muziek (Willeke Alberti) en de politiek (Sorgdrager, Van Mierlo, heel D66 eigenlijk).
En ook de camp kan niet verhullen dat de dialectiek van traditie en moderniteit is stilgevallen. Er bestaat tegenwoordig geen consensus of dissensus meer, zo stellen Smulders en Ruiter aan het einde van hun lange reis door de Nederlandse letterkunde vast, er is enkel nog een raster van meningen, poëtica’s en ideologische sporen. Dominerende posities zijn verdwenen in onze cultuur, en de uitersten worden geabsorbeerd door een groot, steeds verder uitdijend midden. Het postmodernisme als zwart gat dus? Of, meer historisch geformuleerd, als de uiteindelijke, zij het enigszins geperverteerde realisatie van het liberale (èn fascistische!) moderniseringsproject, namelijk een homogene cultuur?
DE BEIDE NEERLANDICI werpen ieder cultuurpessimisme ver van zich af: géén Untergang des Abendlandes-denken. De cultuur vaart immers wel in dit postmoderne tijdperk: is niet de belangstelling voor culturele produkten verveelvoudigd? Kan de moderne mens niet als in een supermarkt zijn karretje naar hartelust volladen met al dit moois? En levert dat 'uitdijend midden’ niet een 'subliem schouwspel’ op? Deze vorm van fascinatie komt mij als historicus bekend voor: de werkelijkheid, al of niet verleden, als een schouwspel waar men vanuit studeerkamer of archief gebiologeerd naar staart. Maar vanaf welke planeet of vanuit welk universum kan men het zwarte gat van het postmodernisme observeren zonder het gevaar meegezogen te worden? Anders gezegd: hoe moet het nu verder met de literatuurwetenschap of met de neerlandistiek indien er geen criteria meer zijn om high culture en consumer culture in de letterkunde te onderscheiden, wanneer de positie van de kunstenaar-literator geërodeerd is, wanneer de commercie met haar Ako-prijzencircus zich als een luis op de schone letteren heeft vastgezet? Wie zoiets een 'subliem schouwspel’ noemt, geeft te kennen zich geen deel van de beschreven werkelijkheid meer te weten. Maar een dergelijke mate van onthechting is alleen de historicus vergund, die de onoverbrugbare afstand ten opzichte van het verleden als een onwrikbaar gegeven geaccepteerd heeft. Kortom: welkom in Clio’s huis, heren Smulders en Ruiter.