Ziekte en dood als commercieel concept

Van CliniClown tot Cremaclown

De CliniClowns vieren deze week hun elfjarig bestaan met een gala en een grootse campagne. Ze zijn niet meer weg te denken uit de wereld van het zieke kind. Het succesvolle rodeneuzenconcept rukt ook in andere sectoren op. «Ziekte is iets democratisch. Iedereen kan het overkomen, daarin ligt onze brede maatschappelijke kracht. Wij zijn niet meer weg te denken uit de ziekenhuizen.»

Kleine Gijs raust op een speelgoedtractor door de gang. De infuuspaal waaraan hij via slangetjes gekoppeld is, wordt door zijn vader achter hem aan geduwd. Terwijl alle ogen op het kind zijn gericht, springen opeens twee clowns voor zijn tractor: Pepponi, in een te grote hoogwaterbroek met bretels en een slap hoedje op, en zijn maatje Flits, in een slobberige tuinbroek en met op zijn hoofd een staart in de vorm van een palmboompje. «Mogen we jouw kamer binnen?» vraagt Pepponi. «Nee», giechelt Gijs, die net als de andere patiënten van de afdeling kinderoncologie van het Nijmeegse Sint-Radboudziekenhuis wekelijks bezoek krijgt van de CliniClowns.

Ze doen een grappige act, draaien om het jongetje heen en spelen woordspelletjes.

«Gekke clowntjes», zegt Gijs tegen zijn ouders en grootouders, die vertederd toekijken. Ze benadrukken hoe geweldig ze dit vinden. Na de ontmoeting is Gijs moe en gaat naar bed. «De kinderen slapen daarna altijd heel goed», zegt een verpleegkundige.

Na Gijs volgt Thijs en na hem volgt weer een kind, dat al op de gang klaarstaat om tien minuten aandacht te krijgen van de twee clowns. Een jongen ligt in een steriel kamertje vanwege een beenmergtransplantatie. Achter de ruit blazen de clowns bellen om hem op te vrolijken. «Contact kan op veel manieren», legt Flits uit. «Als spelletjes niet werken, dan hebben we veel alternatieven om te communiceren. Met mimiek kun je ook een heel verhaal vertellen.»

Alle kinderen op deze afdeling lijden aan kanker. Velen hebben weinig kans op herstel. Door ingrijpende behandelingen lijken de patiënten uiterlijk op elkaar. Ze zijn kaal of hebben donzig babyhaar, hun gezicht is bleek en wat pafferig door de medicijnen en de ogen kijken te ernstig voor hun leeftijd. De kinderen veren op zodra de clowns verschijnen. Ook voor de familieleden, wier leven in het teken van ziekte is komen te staan, is het een wel kome afleiding. Alle ouders willen graag kwijt «hoe fantastisch ze de CliniClowns vinden».

Elf jaar geleden werd in Nederland Stichting CliniClowns opgericht voor deze doelgroep: doodzieke kinderen die vaak maandenlang aan het bed zijn gekluisterd. Het concept was overgewaaid uit Amerika, waar clowns werden ingezet in de «wereld van de witte jassen en witte gangen». In de jaren zestig ontwikkelde Patch Adams als arts in opleiding het idee dat een clowneske benadering het proces van hospitalisatie kon doorbreken. Adams bedacht een methode om, met respect voor de medische, hygiënische eisen, patiënten met «humor en warmte persoonlijk tegemoet te treden». Uit ervaring wist hij bovendien dat lachen grote therapeutische waarde heeft: verdriet en pijn worden door de lach ingeruild voor onbezorgde vrolijkheid, wat een gunstige invloed heeft op de emotionele weerbaarheid van de patiënt.

In 1985 ging voor het eerst een clown — Michael Christensen van het vermaarde Big Apple Circus — in een New Yorks kinderziekenhuis spelen. Het werd meteen een groot succes. Gefinancierd uit particuliere giften en externe fondsen groeide er een wijdvertakt netwerk van Clown Care Units in de Amerikaanse ziekenhuiswereld. Begin jaren negentig sloeg die aanpak ook aan in tientallen andere westerse landen. En nergens wortelden de CliniClowns, aangejaagd door enorme media-aandacht, zich zo gemakkelijk als in Nederland. Wat in 1992 begon als een kleine stichting met twee clowns voor de afdeling kinderoncologie van het AMC werd in korte tijd een bloeiend bedrijf met bijna zestig clowns die inzetbaar zijn voor alle academische ziekenhuizen en honderd streekziekenhuizen. «We bestrijken nu het hele land», zegt directeur Tom Doude van Troostwijk trots.

Hij vertelt, samen met het clownsduo, na afloop van de spelronde op de Nijmeegse afdeling over het «dankbare werk». Pepponi, die in het echt Peter Vader heet en vanaf het eerste uur betrokken is bij de stichting, kan pas normaal praten als hij zijn clownsneus af doet. Zodra hij die rode knop opzet, zit hij onmiddellijk in zijn rol; dan doet hij mal en beweegt zijn hele lichaam.

Het plan om clown te worden kwam voort uit een behoefte aan persoonlijke verdieping. Peter Vader: «Op een gegeven moment heb ik een workshop ‹Ontdek de clown in jezelf› gevolgd en dat was meteen ‹wauw›. Vanuit mijn werk als verpleegkundige gaf ik stervensbegeleiding, en ik dacht na die workshop letterlijk: ik wil niet pas op mijn eigen sterfbed beseffen dat ik de verkeerde keuze heb gemaakt. Ik besloot het roer om te gooien. Na het volgen van meer workshops ben ik gaan werken voor de CliniClowns. Ik moet toegeven dat het soms erg zwaar is. Ik sta niet te veel stil bij het vele leed dat ik zie langskomen. Ik accepteer het maar zoals het is. In mijn tuin heb ik een klein Grieks heilig huisje waar ik kaarsjes aansteek.»

Flits, die in werkelijkheid Aike Voets heet, maakte een vergelijkbare ontwikkeling door voordat zij besloot clown te worden. Aike Voets: «Het werk is ontzettend leuk, maar ook wel heavy. Soms weet je dat een kind dood zal gaan. Maar het gaat niet om onze emoties, het kind staat centraal. Dat is het uitgangspunt van het concept.»

Over dat concept kunnen ze uren praten. Tom Doude van Troostwijk legt uit: «De clown ontwapent en ontroert, gaat zonder oordeel op iemand af en grijpt elke impuls aan om op een speelse manier de emoties van de ander uit te vergroten. Vanuit die wisselwerking ontstaat wezenlijk contact: het kind vergeet de wereld om zich heen. Hij mag even de baas zijn.»

Volgens de beide clowns komt het zelden voor dat een kind weigert: «Als een kind niet wil, ligt dat meestal aan de ouders, die uiteraard toestemming moeten geven. Je ziet dat wel bij streng christelijke mensen, en soms bij allochtonen. Die kunnen niet zo veel met dit fenomeen.»

Doude van Troostwijk filosofeert graag over de betekenis van de clown, die volgens een Duitse antropoloog al drieduizend jaar voor onze jaartelling werd gesignaleerd bij de indianen als een figuur die de werkelijkheid met humor benaderde en de mensen een lachspiegel voorhield. Of denk aan de nar, die in de Middeleeuwen aan het hof van de koning satire gebruikte om de machtsverhoudingen bloot te leggen. Doude van Troostwijk: «Wij kennen geen clownstraditie. Clowns pasten niet bij ons serieuze calvinisme. Maar dat is dus aan het veranderen. Vanaf 1999, toen uit het jaarlijkse onderzoek naar goede doelen bleek dat wij het hoogst gewaardeerd worden, kregen we de wind enorm mee. Ik denk dat er grote behoefte is aan andere vormen van zingeving. De ontkerkelijking heeft natuurlijk een geestelijk vacuüm achtergelaten, en dat doet zich het meest voelen wanneer ziekte en dood op je pad komen. Het ziekenhuis is bovendien al langer niet meer exclusief het terrein van medici. In feite zijn wij een moderne variant op de eeuwenoude stijlfiguur van de clown.»

Flits en Pepponi knikken driftig mee.

Doude van Troostwijk, die voorheen onder meer werkte als woordvoerder van het ministerie van Economische Zaken, kan óók lang praten over de zakelijke kant van het concept. Volgens hem is de clownerie een enorme groeimarkt in de gezondheidszorg: «Ziekte is iets democratisch. Iedereen kan het overkomen, daarin ligt onze brede maatschappelijke kracht. Wij zijn niet meer weg te denken uit de ziekenhuizen.»

Hij schudt een hoeveelheid prachtige groeicijfers uit zijn mouw waar menig bedrijf jaloers op zou zijn. Aan personeel geen enkel gebrek. Jaarlijks melden zich honderden mensen aan om te mogen deelnemen aan de hoofdopleiding tot CliniClown. De meesten vallen al in de eerste ronde af, want om dit serieuze beroep te mogen uitoefenen, moet je méér kunnen dan, zoals sommigen in hun aanmeldingsbrief schrijven, «van kinderen houden en zo leuk de paashaas spelen».

In elf jaar zijn meer dan een miljoen kinderen in aanraking geweest met een clown. Het jaarlijkse bereik van de CliniClowns, vorig jaar ruim 85.000 bezoeken, groeit nog steeds. De baten nemen de laatste tijd jaarlijks met zo’n 1,5 miljoen euro toe. De inkomsten komen uit fondsenwerving (in 2002 meer dan 5,3 miljoen euro), de verkoop van artikelen (vorig jaar ruim 56.000 euro) en beleggingen. Per maand lopen er gemiddeld zeventig acties om donateurs te werven, die variëren van een kleinschalige sponsorloop van een school, bekende Nederlanders die als ambassadeur een beroep doen op de portemonnee, tot een megacampagne met een sponsorgala of een televisie- uitzending waarbij na afloop het gironummer in beeld komt. Binnen de omroepwereld hebben vooral de NCRV en de KRO een grote liefde getoond voor deze charitasgedachte.

Zieke kinderen doen het als product goed, maar de CliniClowns spannen de kroon. Bij peilingen komen ze telkens als een «geweldige instelling» uit de bus. In relatief korte tijd hebben ze een stevige positie veroverd tussen oude, betrouwbare merken. Dit jaar scoren ze volgens een onderzoek van Adformatie een vijfde plaats, achter ANWB, Coca-Cola, Lego en De Efteling, als het «meest betrouwbare merkproduct». Voor de Nederlanders zijn «specialisten van aandacht» uitgegroeid tot een soort nieuwe helden.

Doude van Troostwijk ontvouwt in managementtaal zijn plannen voor de toekomst. Hij wil gedifferentieerder werken, dat wil zeggen minder aanbodgericht en met meer aandacht voor de individuele vraag. De clownerie moet zich uitbreiden naar andere deelterreinen van de gezondheidszorg: «Je moet mee ontwikkelen met de behoefte in de samenleving. Zieke kinderen thuis is een nieuw marktsegment. De randvoorwaarde is dat een kind minimaal drie weken ziek is. We schatten dat het in ons land gaat om ongeveer 7500 à 15.000 gevallen. We weten dat zieke kinderen thuis zich soms heel geïsoleerd voelen. Ook zij hebben recht op afleiding van de CliniClowns. Nu hebben we al jaarlijks een thuisbezoekactie, maar het is te duur om iedereen te kunnen bezoeken. We kiezen daarom voor een bereik via een virtuele wereld van clowns. Vanaf volgend jaar kunnen kinderen elkaar en clowns ontmoeten via internet op landgoed Neuzenroode. Ze kunnen ook hun vriendjes en familieleden uitnodigen om te komen logeren. We willen ze activeren, zodat ze uit hun isolement worden getrokken.»

Als het groeitempo van de afgelopen elf jaar doorzet, dan is te verwachten dat straks enkele honderden clowns hun spoor zullen trekken door de wereld van zieken. Maar ook is het denkbaar dat iemand die in de wachtkamer bij de orthopeed zit voor een kromme teen plotseling om de hoek een rode dop ziet verschijnen die contact zoekt.

Maar nee, voor Doude van Troostwijk is niet the sky the limit: «Begrafenissen bijvoorbeeld, dat gaat ons te ver. Ik ben erg tegen de verclownisering van Nederland. Je moet het concept weten te begrenzen. Ons motto is: ‹Groot worden door klein te blijven›. We krijgen veel verzoeken om op te treden, zoals het opleuken van feesten en partijen.»

Maar, zegt hij dan weer: «We willen een nieuwe stichting oprichten waarin we alle initiatieven op het gebied van afleiding en plezier voor het kind willen bundelen.»

Niet iedereen beziet de rappe groei van de CliniClowns met enthousiasme. Sommige artsen laten desgevraagd weten dat ze soms «gek worden van die clowns die overal opduiken». Een dokter (die zijn naam niet genoemd wil hebben) in een perifeer ziekenhuis in het zuiden vindt de oorspronkelijke doelgroep, langdurig zieke kinderen, prima. Hoewel hij soms het idee heeft dat vergeten wordt dat in de ziekenhuizen al heel lang een leger aan pedagogen, speltherapeuten, welzijnswerkers en geestelijk verzorgers zich bezighoudt met de emotionele gevolgen van ziekte: «Nu lijkt het wel een uitvinding van de CliniClowns. Er gaan miljoenen in om. Ik vind het soms erg zonde om die zo besteed te zien worden. Echt niet ieder kind zit te wachten op een verplicht nummer vrolijk doen. Ik heb moeite met de vermaakcultuur die zo langzamerhand overal in de samenleving oprukt. Niet alles moet zo nadrukkelijk worden benaderd met een sjabloonaanpak. Ze staan nu bij ons ook al op de poli de lolbroek uit te hangen. Wat is het nut ervan? Het is overkill.»

Een andere dokter (ook anoniem) uit een academisch ziekenhuis in de Randstad weet te vertellen dat zij onlangs op weg naar een spoedgeval de weg geblokkeerd zag door twee clowns op minifietsjes met een kluwen kinderen in hun kielzog: «Zó ontzettend irritant. Maar zeg daar maar eens wat van. De CliniClowns zijn heilig verklaard. Ik moet er niet aan denken dat er meer bij komen. Ik ben bang dat het erg geïnstitutionaliseerd wordt.»

Ook op internet zijn hilarische beschrijvingen te lezen van mensen die een intense en oprechte haat koesteren jegens de «opgelegde gekkigheid van de clowns» en «de debilisering en infantilisering van mensen».

Wie er langzamerhand ook niet meer om kan lachen, is ex-CliniClown Roelof van Wijngaarden. Hij heeft bedenkingen bij de commerciële ambities van zijn voormalige werk gever. Toen hij er nog werkte, kon hij de bedrijfsgerichte aanpak van de laatste jaren steeds minder in overeenstemming brengen met zijn geweten. Hoewel hij er een goede boterham verdiende, besloot hij ruim een jaar geleden voor zichzelf te beginnen. Roelof van Wijngaarden: «Ik vind het werk van de CliniClowns nog steeds goed, maar de forse uitbreiding gaat ten koste van de kwaliteit. Toen ik daar werkte was iedere kritiek onbespreekbaar. Er gaat zo ontzettend veel geld om. Wat mij echt schokte, was toen ik de directeur tijdens het programma van De nacht van de lach hoorde zeggen: ‹Prachtig hè, de clown als product.› In ons land zijn we gewend alles onder te brengen in stichtingen en alles te regelen vanuit concepten. Ik heb het idee dat de CliniClowns steeds meer naar zich toe willen trekken.»

Van Wijngaarden vond na zijn vertrek zijn eigen weg en werd de eerste rouwclown van Nederland. Hij speelt bij begrafenissen en crematies, als een cremaclown, waarbij hij gebruik maakt van gentleclowning, een methode die hij zelf ontwikkelde op basis van ervaring met autisten, demente bejaarden en verstandelijk gehandicapten. Daarnaast doet hij andere projecten, zoals «Clowns op de koffie» bij dementen, waar hij met vier collega’s «een gezellige familiesfeer» probeert op te wekken. Met humortrainingen voor het bedrijfsleven kun je volgens hem veel losmaken, want «de clown laat anderen graag schitteren, hij zet alles op de kop, en vergroot de emotionele interactie tussen mensen. Durven te mislukken, dat mag opeens.» En hij geeft natuurlijk workshops gentleclowning. Het liefst wil hij bereiken dat mensen de clown in zichzelf ontdekken, want «mensen zijn zo rijk, er zit zo veel in dat er niet uitkomt».

Volgens Van Wijngaarden ligt er voor de clownerie nog een terrein braak, ook al opereert hij zelf bescheiden. Hij heeft al ervaring in asielzoekerscentra, waar «spel taalbarrières kan opheffen». En ook hij dicht de lach en de traan allerlei deugden toe: de clown bezit zo’n zuivere energie dat het niet uitmaakt waar hij wordt ingezet. «Bij een begrafenis of crematie zijn emoties verkrampt. Ik probeer mensen te laten zien dat je met verdriet ook anders kunt omgaan. Verdriet is ook lachend te beleven.»

Van Wijngaarden, van oorsprong muzikant in een hardrockband, heeft inmiddels vier keer als gentleclown op een uitvaart gespeeld. Soms werkt hij met muziekinstrumentjes, soms zingt hij een lied of vertelt hij een verhaal. Van tevoren spreekt hij uitgebreid met de aanstaande dode, die nadenkt over de invulling van zijn eigen uitvaart. Later bespreekt hij met de familieleden wat zij precies willen. Volgens Van Wijngaarden kiezen mensen voor een rouwclown vanwege het onconventionele en persoonlijke van zijn bijdrage: «Ik probeer in de huid van de ander te kruipen. Ik haal een specifiek aspect uit iemands karakter en doe daar iets mee.»

En hoe is Roelof van Wijngaarden in actie? Pascal Stapelkamp uit Nijmegen vertelt over zijn ervaring met de rouwclown als onderdeel van een katholieke mis bij de begrafenis van zijn vader, in maart. Pascal, 35 jaar en jurist bij een financieel adviesbureau, beschouwt zichzelf niet bepaald als een zweverig type, maar hij komt wel uit een gezin «met een vrije geest». Zijn vader, die pedagoog en leraar was, had een persoonlijke relatie met Van Wijngaarden: «Het was niet raar dat hij als vriend op de begrafenis iets zou doen. Maar toch, een clown die optreedt, doorbreekt wel alle gangbare normen en waarden.»

De impact van het optreden was enorm. Pascal Stapelkamp: «Hij kwam op in een chique pak met daaronder gymschoenen. Je kon een speld horen vallen toen hij met die opvallende mimiek en wat slungelige manier van lopen door de kerk naar voren kwam, naar de kist liep en die met een zakdoek ging afstoffen. Iedereen dacht hetzelfde: is dat wel gepast?

Mijn vader was een emotioneel mens, maar hij vond wel dat je je gevoelens voor je diende te houden. Hij hield van de kracht van de humor, juist ook om pijn weg te werken. En hij vond het fijn om anderen te amuseren. Het idee was dat tijdens de uitvaart Roelof dat zou doen in zijn plaats. Na die scène bij de kist haalde iedereen opgelucht adem toen hij zijn zwarte neus en hoedje afdeed en begon te vertellen over zijn persoonlijke relatie met mijn vader. Toen hij uitgesproken was, zette hij zijn attributen weer op en verliet de kerk als clown. Zijn aanwezigheid bracht diepte. Het paste in de ceremonie. Volgens mij kan een rouwclown bij elke uitvaart voor nabestaanden een vertolker zijn van persoonlijke herinneringen en emoties.»

Roelof van Wijngaarden vertelt hierover: «Toen ik opkwam was het doodstil, maar ik hoorde ook hier en daar gegniffel. Na afloop volgde na aanvankelijke twijfel een ontlading in de vorm van een ovatie. Prachtig.

In een ander geval had een vrouw die wist dat ze doodging voor de hele dag een kerk afgehuurd. Na afloop van de begrafenis werd daar een soort feest gehouden om haar dood als het ware te vieren. Ik was onderdeel van haar wens allerlei aspecten van haar leven te tonen. Als ik als clown een mini-mini-bijdrage kan leveren bij het beter omgaan met de dood, dan vind ik dat mooi. Voorzichtig en heel individueel, vooral niet grootschalig.»

Hij zou best commerciëler kunnen werken, maar dat wil Van Wijngaarden absoluut niet: «Het moet wel eerlijk blijven. Het draait uiteindelijk om liefde en respect.»

Stichting CliniClowns heeft iets weg van een moderne kerk. Ze dient een goed doel, biedt troost en geestelijke afleiding en weet de massa te raken en te vinden voor de collectezak. Er zijn afvalligen die voor zichzelf beginnen. Naast de rouwclown zijn er inmiddels reliclowns gesignaleerd in één van de Samen op Weg-kerken. Overal zijn bedrijfsclowns actief, en het is niet ondenkbaar dat er straks warclowns zullen afreizen naar oorlogsgebieden.

De uitbreiding is onvermijdelijk en onuitputtelijk.

Dat de organisatie CliniClowns wordt beschouwd als een schoolvoorbeeld van deugdzaamheid bleek vorige week andermaal tijdens de officiële start van de landelijke campagne van het elfjarige verjaardagsfeest bij het Juliana-kinderziekenhuis in Den Haag. Twee schoolklassen lieten ballonnen op, een olijk clownsorkestje speelde en er werd een kolos sale taart op een karretje voorgereden. De opening werd verricht door niemand minder dan de minister van Gezondheidszorg zelf, Hoogervorst, die, getooid met een rode neus, bij zijn welkomstwoordje de kans greep om zijn politieke boodschap over «marktwerking en zorgproducten» te verkondigen: «Van deze stichting moeten we het hebben, mensen. De CliniClowns weten tenminste hun eigen, veel te wijde, broek op te houden. Ze krijgen geen cent van mij, en dat heb ik ook niet. Maar zij doen het allemaal zelf. Het past precies bij mijn nieuwe beleid.»

De minister liet nog even weten dat de clowns welkom waren op het Binnenhof: «Daar mag wel wat meer gelachen worden.» Een nieuwe doelgroep doemt op voor de rode neuzen van Nederland.