De zwarte canons van het buitenland

Van Conquista tot Vichy tot Leopold

De discussie over de wenselijkheid van een zwarte canon als aanvulling op de quasi-officiële canon van onze vaderlandse geschiedenis (Chris van der Heijden in De Groene Amsterdammer van 8 maart 2012) roept de vraag op hoe andere democratieën omgaan met hun zwarte bladzijden.

Medium pijnlijkegeschiedenis

De kwestie is alvast niet ‘typisch Nederlands’, zoals criticasters menen. In veel westerse landen lijkt een principiële herwaardering van het gangbare geschiedbeeld op gang te zijn gekomen. Aan vakhistorici die allergisch waren voor officiële waarheden heeft het nooit ontbroken, wel aan publieke belangstelling en waardering voor hun werk. Met de zwarte bladzijden uit de Franse geschiedenis bijvoorbeeld – van de Bartholomeusnacht via de slavenhandel tot ‘Vichy’ – was altijd al een boek te vullen. Het opmerkelijke is dat dit de afgelopen decennia gebeurde. De roman national, het geschiedverhaal in de traditie van Jules Michelet, is tot een roman noir verworden, aldus historicus Henry Rousso.

Aanvankelijk sloegen de Fransen met overgave de ene na de andere bladzijde om. De omgang met ‘Vichy’ is exemplarisch, meent Rousso, verbonden aan het Institut d’Histoire du Temps Présent van de Franse onderzoeksorganisatie cnrs. Decennialang was de Franse Staat, het in Vichy gevestigde regime van maarschalk Philippe Pétain dat tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitsers, een taboe. Toen dat eenmaal werd doorbroken, was er geen houden aan. ‘“Vichy” was alomtegenwoordig in het publieke debat, het kreeg obsessieve trekken’, zegt Rousso. Een paar jaar later werd de slavernij onder de loep genomen, hetgeen in 2001 resulteerde in de ‘Loi Taubira’, genoemd naar een afgevaardigde van het overzeese gebiedsdeel Guyana. De wet kwalificeert de transatlantische slavenhandel als een misdaad tegen de menselijkheid.

Dat ‘onze’ koloniale ijzervreters Jan Pieterszoon Coen en Joannes Heutsz in zekere zin kleine jongens waren, is te zien in Brussel. Op het Troonplein staat een standbeeld van een ruiter met vastberaden blik. ‘Leopoldo II Regi Belgarum 1865–1909 Patria Memor’ (Leopold II, koning der Belgen, het vaderland zal u niet vergeten) staat op de sokkel. De vorst was verantwoordelijk voor de dood en verminking van miljoenen zwarten die hij dwong te werken op de rubberplantages van Kongo-Vrijstaat, zijn privé-domein, en de hand liet afhakken als het hem niet snel genoeg ging. Net als alle Congolezen in Brussel kent Bienvenu Mbutu Mondondo het standbeeld goed. ‘En ik vind dat het daar niet zou moeten staan’, zegt Mondondo, die geldt als spreekbuis van de Congolese gemeenschap in België sinds hij een rechtszaak begon tegen de uitgever van Kuifje in Congo wegens racisme. ‘Leopold was een van de grootste misdadigers die ooit heeft geleefd.’

Volgens sommige schattingen was de Belgische vorst na Mao, Stalin en Hitler de grootste massamoordenaar van de twintigste eeuw. Toch staat hij daar fier in het zonnetje. Sterker, hij kreeg in 2005 een opknapbeurt en werd opnieuw ingehuldigd. ‘Ik kan me niet herinneren dat er ooit sprake was van verwijdering’, zegt een woordvoerder van de federale regering, de eigenaar van het standbeeld. ‘Leopold II heeft ook veel goeds gedaan, hè? Brussel is wat het is dankzij hem.’ Die onnozelheid is kenmerkend voor de manier waarop België omgaat met zijn koloniale erfenis. ‘Er werd toen ik op school zat met geen woord over gesproken’, zegt John Vandaele, Congo-expert en redacteur bij het Vlaamse MO* Magazine. Daarin is intussen verandering gekomen, maar het blijft een onderwerp waar de Belgen niet graag over praten, deels om geen zout te strooien in de communautaire wonde. ‘Vlamingen en Franstaligen geven elkaar de schuld’, zegt Mondondo: ‘Beter dus om maar te zwijgen. België zou het liefst zijn verleden vergeten alsof er nooit iets is gebeurd.’

De moeizame, om niet te zeggen kunstmatige staatsvorming van België in 1830 ging gepaard met een explosie van mythomanie. De debunking hiervan door een kring van eigenzinnige historici rond de francofone hoogleraar Anne Morelli bleef lang onder de publieke radar. Toch zijn er ‘cruciale momenten’ aan te wijzen die het land hielpen met zijn verleden in het reine te komen, zegt Vandaele. Een van die momenten was de publicatie van een boek over de moord in 1961 op Patrice Lumumba, de eerste premier van het onafhankelijke Congo, en de rol die de Belgische staat daarbij speelde. Het was aanleiding voor de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie. De overheid gaf toe ‘onmiskenbare verantwoordelijkheid’ te dragen. ‘Het ging helemaal tot in de hoogste politieke kringen’, zegt auteur Ludo de Witte: ‘Het was koning Boudewijn die het licht op groen zette.’ De nazaten van Lumumba hebben inmiddels excuses gekregen. Die van de slachtoffers van Leopold II nog niet. Daarvoor is het wachten totdat de Belgen het eens worden over hun gedeelde geschiedenis.

Hoewel de Verenigde Staten het Britse juk al in de achttiende eeuw hebben afgeworpen, heeft het koloniale verleden er nog lang nagewerkt. ‘Toen ik opgroeide in de jaren zestig en zeventig hoorde je niets over de behandeling van native Americans of de wreedheid van de slavernij’, zegt Ken Davis, historicus en schrijver van de succesvolle _Don’t Know Much-_boeken over onder meer Amerikaanse geschiedenis en de bijbel: ‘Dat mensen niet helemaal eerlijk naar de eigen geschiedenis kijken, geldt vermoedelijk voor elk land. Toch denk ik dat we in Amerika tegenwoordig eerlijker worden. Als je nu naar schoolboeken kijkt, dan zie je dat de revisionistische beweging van de jaren zeventig succesvol was.’

In Groot-Brittannië is het koloniaal verleden in snel tempo onmythologiseerd. ‘Te makkelijk, die vraag’, lacht de Britse historicus Peter Mandler wanneer hem wordt gevraagd naar de zwarte bladzijden uit de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk: ‘Al die koloniale dwalingen! Het laten sterven van de Ieren tijdens de hongersnood in de negentiende eeuw, het keihard neerslaan van de Morant Bay-opstand in Jamaica, de slachting van 1919 in het Indiase Amritsar.’ Ook voor zijn collega Sir Christopher Bayly is het Britse wereldrijk een rijke bron: ‘De langdurige Britse betrokkenheid bij de slavenhandel krijgt in het onderwijs onterecht heel wat minder aandacht dan onze rol bij de afschaffing ervan. Verder zou ik de diverse slachtpartijen en hongersnoden in Azië en Afrika tijdens onze koloniale avonturen willen noemen, de door mensen veroorzaakte hongersnood in Bengalen tijdens de Tweede Wereldoorlog, de gruwelijkheden bij de dekolonisering van Malaya en de onderdrukking van de Mau Mau in Kenia.’

Volgens Mandler gaan Britse historici tegenwoordig ‘behoorlijk moedig’ om met zulke onplezierige feiten. Bayly – lid van het stichtingsbestuur van het British Museum – beaamt dat er een omslag plaatsvindt: ‘Over alles wat ik heb genoemd is de laatste jaren veel geschreven en op een goede manier, maar lange tijd zijn misdaden óf goedgepraat als zijnde in het landsbelang óf simpelweg genegeerd. Het is bijna onvermijdelijk dat we een tegenovergestelde trend ontwaren, waarbij wordt beweerd dat de geschiedenis van het Britse Wereldrijk en de vorming van het Verenigd Koninkrijk alleen maar het gevolg zijn geweest van slachtpartijen en onderdrukking.’

In Frankrijk zwaait de slinger al weer terug. In een wetsvoorstel uit 2005 werd middelbare scholen opgedragen de ‘positieve rol’ van de kolonisator te benadrukken – met name in Algerije. ‘Het diende overduidelijk een politiek doel’, stelt Olivier Le Cour Grandmaison, historicus en auteur van onder meer La république impériale: Politique et racisme d’État (2009): ‘Rechts was aan de macht en hoopte oud-Algerije-gangers bij het Front National weg te lokken.’ De passage over de ‘positieve rol’ haalde het uiteindelijk niet, deels doordat historici zich begonnen te organiseren en zich bij monde van het collectief Liberté pour l’Histoire! luidruchtig uitspraken tegen de wijze waarop de staat de geschiedenis door middel van zogeheten lois mémorielles tracht te decreteren. Volgens Henry Rousso, net als Le Cour Grandmaison uitgesproken tegenstander van zulke ‘herinneringswetten’, zijn geschiedenis en politiek in Frankrijk sinds 1789 onlosmakelijk verbonden: ‘Een uitspraak over geschiedenis is hier een uitspraak over politiek en vice versa.’

Als het aan de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy had gelegen, was de passage over de ‘positieve rol’ van de kolonisatie gehandhaafd gebleven. ‘Het moet afgelopen zijn met de permanente boetedoening voor onze geschiedenis’, sprak hij. Niet toevallig verscheen in de aanloop naar zijn verkiezing tot president La tyrannie de pénitence: Essai sur le masochisme occidental van essayist Pascal Bruckner, een poging om af te rekenen met de Franse zelfhaat. Het werd tijd om weer trots te zijn op de eigen geschiedenis, stelde ook Max Gallo, historisch veelschrijver en lid van de Académie Française. Rousso heeft zijn twijfels: ‘Een geschiedverhaal als bron van nationale trots is achterhaald. Die behoefte paste bij de negentiende eeuw toen Frankrijk een machtige natie was en de wereld iets te vertellen had. Maar wat stelt Frankrijk nog voor op het wereldtoneel?’ Le Cour Grandmaison: ‘De taak van de historicus is naar mijn idee juist het ontmaskeren van mythen.’

In sommige gevallen is het niet de comfortabele vergetelheid van de overwinnaars die blinde vlekken veroorzaakt, maar de diepe verdeeldheid van het land. Tot in de jaren zeventig werd bijvoorbeeld de Amerikaanse burgeroorlog in het Zuiden heel anders gepresenteerd dan in het Noorden, aldus Davis: ‘In een gematigde zuidelijke staat als Virginia heette de burgeroorlog de “War between the states”, dieper zuidwaarts heette hij de “War against northern agression”. Veel van zulke desinformatie hoor je tegenwoordig nog van oudere Tea Party-activisten.’

De veertigjarige dictatuur van generalissimo Francisco Franco (1939-1975) in Spanje was evenmin bevorderlijk voor het vermogen tot nationale zelfreflectie. ‘Het grote probleem van Spanje is dat er geen denazificatie is geweest zoals in Duitsland’, zegt historicus Paul Preston. Toen onderzoeksrechter Baltasar Garzón in 2008 een onderzoek startte naar de misdaden van de dictatuur werden opeens drie strafzaken tegelijk tegen hem in gang gezet. De klagers kregen alle medewerking van de rechters. Volgens schrijfster Almudena Grandes heeft de vervolging van Garzón perverse gevolgen: ‘In Spanje staat bestrijding van de dictatuur voortaan gelijk aan bestrijding van de democratie.’

Onder Franco zijn ook oudere bladzijden uit de Spaanse geschiedenis – conquista, inquisitie – grotendeels uit de schoolboeken gescheurd. In plaats daarvan werd het begrip leyenda negra (zwarte legende) geïntroduceerd. De lange definitie van de Madrileense historicus Julián Juderías uit 1914 is te mooi om niet volledig weer te geven. De leyenda negra is volgens Juderías ‘de sfeer die opgeroepen wordt door de verzonnen verhalen over ons Vaderland die overal ter wereld worden gepubliceerd, de absurde beschrijvingen van het karakter van de Spanjaarden als individu en als groep, de stelselmatige ontkenning of verzwijging van alles wat gunstig en mooi is in de diverse culturele en artistieke uitdrukkingsvormen, de eeuwige beschuldigingen tegen Spanje die slechts gebaseerd zijn op overdrijvingen, verkeerd geïnterpreteerde of volkomen valse feiten, en ten slotte, de bewering – in ogenschijnlijk respectabele en betrouwbare boeken – die veelvuldig herhaald, becommentarieerd en uitvergroot wordt in de buitenlandse pers dat ons Vaderland vanuit het oogpunt van verdraagzaamheid, cultuur en politieke vooruitgang een treurige uitzondering vormt onder de Europese naties’.

Als iemand het recente verleden van zijn land met een stofkam heeft doorgeplozen, dan is het de Italiaanse scenarioschrijver en regisseur Marco Tullio Giordana (61). Hij brak wereldwijd door met La meglio gioventù, zijn indringende filmepos van een Italiaanse familie die vanaf de jaren zestig tot in het heden op de voet wordt gevolgd. De studentenopstanden van 1968, de overstroming van Florence, de Rode Brigades, de horror van de Italiaanse gestichten, de jaren van het Steekpenningenschandaal en de moord op maffiarechter Giovanni Falcone – alles heeft zijn invloed op de leden van de gewone burgerfamilie Carati. Vaak dramatische invloed, tot gevangenis en een zelfmoord aan toe. Er is nogal wat gebeurd in de recente Italiaanse geschiedenis: bloedbaden, moorden op sleutelfiguren uit het publieke leven, een steeds rijker en brutaler wordende maffia, corruptie, een politieke klasse die werd weggevaagd en de opkomst van Berlusconi.

Tullio Giordana maakt veel gebruik van journalistiek onderzoek. Daarmee is hij de directe erfgenaam van filmer Francesco Rosi (84) die ook al de grote misstanden van het naoorlogse Italië aan de kaak heeft gesteld. Dat kan levensgevaarlijk zijn in een land waar de waarheid vele gezichten kent. Rosi’s film Il caso Mattei (1972) over het vliegtuig-‘ongeluk’ van de president van het staatsenergiebedrijf kostte het leven aan de onderzoeksjournalist Mauro De Mauro. Omdat in Italië zoveel waarheden niet boven tafel komen, kan zo’n reconstructie een revolutionaire impact hebben, ook zoveel jaar na dato. Tullio Giordana maakte een onthutsende film over de moord in 1975 op zijn grote held, de controversiële dichter, schrijver en regisseur Pier Paolo Pasolini, waarin hij laat zien hoezeer politie, justitie en politiek opgelucht waren dat die lastpak was opgeruimd. Het is niet zo raar dat in Italië de waarheid van filmregisseurs komt. Hun fictie kan dieper hout snijden dan de waarheid van de gevestigde orde.

Ook de VS hebben hun ‘verborgen geschiedenis’, die van hun interventies in Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied tijdens de Koude Oorlog. De meeste Amerikanen weten niet hoe vaak er troepen naar die regio’s zijn gestuurd sinds het begin van de twintigste eeuw. Het Amerikaanse leger bezette Haïti en de Dominicaanse Republiek en bleef daar decennialang. ‘Hetzelfde geldt voor onze steun aan dictaturen in de Koude Oorlog, de steun aan de Contra’s in Nicaragua, onze rol in de burgeroorlog in Guatemala’, zegt Davis: ‘Dat het publiek hier weinig van weet heeft ook te maken met keuzes van de media en pogingen van de overheid om dingen te verzwijgen. De media rapporteerden weinig over Zuid- en Midden-Amerika, omdat het publiek toch geen belangstelling zou hebben voor die arme landen.’

Het belangrijkste ijkpunt in de hele discussie is uiteraard Duitsland. Het heeft zijn aanvankelijke weerstand om het recente oorlogsverleden onder ogen te zien ruimschoots goedgemaakt en geldt wereldwijd als een schoolvoorbeeld. Kosten noch moeite worden gespaard. Berlijn heeft 66 miljard euro smartengeld betaald aan nazislachtoffers en het Duitse geschiedenisonderwijs is doordrenkt van de ‘nooit meer’-gedachte. Inmiddels heeft het land ook meer dan honderdduizend oorlogsmonumenten. ‘De Duitsers lijken bevangen door een monumentenwaan’, merkt de linkse historicus Wolfgang Wippermann schertsend op in zijn boek Denken statt denkmalen. In Duitsland, aldus Wippermann, worden monumenten ‘über alles’ en voor iedereen opgericht.

Maar hoe zit het met de andere zwarte bladzijden uit de Duitse geschiedenis? Dat ligt ingewikkelder. Het relatief nieuwe Duits Historisch Museum aan Unter den Linden slaagt er nog wonderwel in een redelijk afgewogen, oprecht totaalbeeld te geven. Maar de plaatsen waar tegelijk met de Tweede Wereldoorlog en de holocaust ook andere historische pijnpunten worden herdacht zijn omstreden. Wat te denken van de monumenten die herinneren aan de doden van de Eerste Wereldoorlog? Sommigen werden simpelweg aangevuld met de jaartallen 1939-1945. Het meest heikel is de nagedachtenis aan de ddr. De twee vroege gedenkstenen in West-Berlijn zijn het begin geweest van een slepend dispuut. In hoeverre zijn de nationaal-socialistische en communistische Duitse dictaturen met elkaar te vergelijken? Hoe gevoelig die vraag ligt, toont de gang van zaken in de Duitse deelstaat Sachsen. In 2004 stapten organisaties van nazislachtoffers, waaronder de Centrale Raad van de Joden, uit het overleg over de herdenkingsoorden. Door het ddr-socialisme als een ‘tweede dictatuur op Duitse bodem’ op één lijn te stellen met het regime van Hitler zou het nationaal-socialisme gerelativeerd worden.

Is Duitsland met zijn catch all-monumenten ons aller voorland? Het is nu eenmaal onmogelijk om alle slachtoffers van de geschiedenis een plaatsje te geven in de nationale geschiedschrijving en herdenking. Wie dat toch probeert, reduceert het verleden tot een amalgaam van wandaden waarin oorzaak en gevolg, schuld en verantwoordelijkheid niet langer te onderscheiden zijn. Het denken maakt dan plaats voor emotie, begrip voor rancune, respect voor effectbejag. Volgens de historicus Peter Reichel zit er dan ook een duidelijke bedoeling achter de Duitse neiging om allerlei groepen, slachtoffers en daders op één hoop te gooien: ‘Uiteindelijk probeert men zo toch te ontkomen aan de Duitse hoofdverantwoordelijkheid voor de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog.’

Met bijdragen van Anne Branbergen, Philip Ebels, Mars van Grunsven, Koen Haegens, Marijn Kruk, Lex Rietman en Patrick van IJzendoorn