Van de bank af gezien ‘de politiek is door het verdrag van maastricht te zeer naar de achtergrond gedrongen’

Het is goed dat de monetaire unie Duitsland intoomt en het is goed dat de Fransen het primaat weer bij de politiek willen leggen. Maar vooral is het goed dat er nu een eind wordt gemaakt aan de budgettaire ontsporingen van de jaren zeventig. Aan het woord: Nout Wellink, kersverse directeur van De Nederlandsche Bank. ‘Ik ben streng, héél streng.’
‘ACH’, ZEGT HIJ laconiek, ‘je hebt de klokkeluider van de Notre Dame en de drogist van het Frederiksplein, dat ben ik.’ Een krant schreef dat dr. A.H.E.M. (Nout) Wellink eerder een Veluwse drogist lijkt dan de opperbaas van onze nationale centrale bank. Bij het grote publiek is hij volstrekt onbekend. Toch volgde Nout Wellink (54) deze week Wim Duisenberg op als president van De Nederlandsche Bank. Zijn twee directe voorgangers waren bekende politici. Wim Duisenberg werd als jonge minister van Financiën uitgeroepen tot de ‘Nederlandse John Kennedy’. Diens voorganger Jelle Zijlstra was als premier door cabaretier Wim Kan vereeuwigd in de meezinger ‘Jelle zal wel zien’. Maar Nout Wellink is nooit een bekend politicus geweest. Hij is weliswaar lid van het CDA, maar partijbijeenkomsten bezoekt hij niet. Hij kreeg van welgeteld één CDA'er een felicitatie bij zijn benoeming. En kranten spellen zijn naam nog altijd verkeerd.

Het noodlot wil bovendien dat hij zijn eerste interview als bankpresident geeft aan het kleinste weekblad van Nederland. De Groene is zijn overbuurman op het Amsterdamse Frederiksplein en interviewer Jan van der Putten is een oude studievriend uit Leiden, uit de tijd dat Wellink nog niet wist wie de president van De Nederlandsche Bank was en zich dat ook niet afvroeg, want hij studeerde in die vroege jaren zestig Rechten en kwam slechts bij toeval in de economie terecht. Hij had trouwens in die tijd vooral last van een ongeluk dat hem overkwam toen hij bij wijze van grap in een van de Leidse grachten was gesprongen: een stuk van een roestige fiets drong in zijn knie. Door een medische fout heeft hij nog altijd wat hij zelf een ‘stijve poot’ noemt. Hij moet, als hij zit, zijn been gestrekt vóór zich houden.
Er is wel verondersteld dat hij zijn bliksemcarrière te danken heeft aan dat ongeluk, maar zelf ziet hij niet het minste verband. Een hoogleraar zorgde ervoor dat hij op het ministerie van Financiën kwam te werken, omdat hij daar rustig zou kunnen promoveren. Hij schoot daar naar boven doordat, zoals hij zelf zegt, 'iedereen boven hem wegviel’. Er was ook sprake van een cultuuromslag waardoor jonge mensen eerder verantwoordelijkheid kregen. Wellink werd met 34 jaar de jongste thesaurier-generaal van de eeuw.
Zijn carrière bij Financiën werd gesteund door de eveneens zeer jonge minister Duisenberg. Duisenberg vond het geen probleem als zijn ambtenaar z'n been voor hem op tafel legde, of zijn schoenen nu gepoetst waren of niet. Bovendien sprong Duisenberg voor hem in de bres toen hoge ambtenaren Wellink ervan beschuldigden dat hij op oneigenlijke wijze gegevens had verzameld. Duisenberg verwierf daarmee de eeuwige vriendschap van Nout Wellink, die samen met hem, als een van de directeuren, naar De Nederlandsche Bank ging toen Duisenberg daar president werd.
TOT NU TOE bleef Wellink altijd in de schaduw van Duisenberg, die tot de laatste dag de show stal. Was dat een bewuste keuze of is het nu eenmaal zo gelopen?
Wellink: 'Dat is vrij bewust gebeurd. Wij hebben op de bank een directie van vier man, ieder heeft een gelijke stem. Maar de voorzitter van de club, de president, is in beginsel de woordvoerder naar buiten.’
Er is wel gezegd dat u allang de macht in handen had en dat Duisenberg niet meer was dan een uitstekende pr-functionaris.
'Wij hebben in letterlijke zin een collegiaal bestuur en dat betekent dat de president bij de besluitvorming precies hetzelfde gewicht in de schaal werpt als de andere drie directeuren. We doen het met zijn vieren en dat betekent dat we dagelijks met elkaar bespreken waar we mee bezig zijn, zodat iedereen van alles op de hoogte is.’
Na twee bekende politici wordt nu iemand vanuit de bank zelf tot president benoemd. Betekent dat, dat die functie minder belangrijk is geworden?
'Ik denk dat het er heel weinig mee te maken heeft. Bij andere centrale banken is het vrij ongebruikelijk als de president iemand van buiten is, zoals in Nederland twee keer het geval was.’
In Frankrijk vindt de politiek het belangrijk grip te houden op het financiële beleid.
'Ik denk dat de Fransen proberen het primaat van de politiek weer boven water te halen. Ik heb het gevoel dat de politiek in Europa door het Verdrag van Maastricht te zeer naar de achtergrond is gedrongen en ik ben er redelijk relaxed over als ze de politiek weer meer naar voren willen halen. Het is goed als de politiek niet helemaal op de achtergrond wordt gedrukt en er zijn voldoende garanties voor het onafhankelijk functioneren van de Europese Centrale Bank. Je kunt het ook van de andere kant bekijken. We hebben nu de discussie over het Stabiliteitspact. Dat gaat over de vraag hoe na de start van de Europese Monetaire Unie de begrotingen in orde gehouden kunnen worden. Als een land een te hoog begrotingstekort heeft, krijgt het een boete. Op het eerste gezicht een idioot systeem, want dan worden de financiële problemen van dat land alleen maar groter. Maar de afschrikwekkende werking is heel belangrijk; dit systeem is nodig omdat er nu eenmaal geen Europese begrotingsautoriteit bestaat, geen Europees ministerie van Financiën.’
Bent u tevreden over wat er op de Eurotop in Amsterdam is bereikt?
'Het Stabiliteitspact is goedgekeurd en het wisselkoersarrangement met de niet in de Emu zittende landen ook, dus op mijn terrein ben ik tevreden. En ik denk dat het goed is dat de Fransen aandacht hebben gevraagd voor de werkgelegenheidsproblematiek. Er is weliswaar geen direct verband tussen de Emu en de werkloosheidsproblematiek in Europa, maar dat neemt niet weg dat die werkloosheid er is en dat je daar niet zomaar aan voorbij kunt gaan. Maar er is één ding dat je daarbij voor ogen moet houden. Werkgelegenheid scheppen gaat op een veel diffusere manier dan het terugbrengen van een begrotingstekort. De meeste werkgelegenheid moet toch via de private sector gecreëerd worden. Dat is een proces dat je veel minder onder controle hebt.’
Critici menen dat het Stabiliteitspact slecht is voor de werkgelegenheid. Ze zijn niet tegen de euro, maar tegen de voorwaarden waaronder die wordt ingevoerd.
'Volgens hen zou je dus door de budgettaire sanering grotere werkloosheid creëren. Maar vergelijk je Europa met Amerika, dan zie je dat in Amerika sinds de jaren vijftig 25 à 30 miljoen arbeidsplaatsen gecreëerd zijn en in Europa netto zo ongeveer nul. Dat proces is dus allang voor de start van de Monetaire Unie begonnen. Het heeft niets te maken met budgettaire sanering, meer met de daaraan voorafgaande budgettaire ontsporing. Nederland is daar een prachtig voorbeeld van. We hebben sinds het begin van de jaren tachtig ons begrotingstekort teruggebracht van tien naar twee procent. En wij zijn in die hele periode nummer twee geweest op de lijst van werkgelegenheidscreërende landen in de geïndustrialiseerde wereld.’
DE TOETREDINGSEISEN voor de Emu zijn afgesproken toen het marktdenken en het strakke monetaire denken nog de overhand hadden. Maar nu zie je een omslag: in verreweg de meeste landen van Europa zitten weer socialisten in de regering.
'Dat zie ik niet zo. De begrotingscriteria voor het Verdrag van Maastricht zijn in 1991 vastgelegd. In alle eerlijkheid: die zijn voor een belangrijk deel uit de lucht geplukt, in die zin dat ze de cijfers weerspiegelen die op dat moment golden. De landen van Europa hadden toen gemiddeld een begrotingstekort van zo'n drie procent en een schuldquote van zo'n zestig procent van het bruto nationaal produkt. Dat wilde men vasthouden. In zekere zin arbitrair, want niemand kan bewijzen dat dat de juiste cijfers zijn. Die cijfers waren trouwens hoger dan we over een heel lange tijd gehad hebben. Traditioneel zijn, ook in Frankrijk, de begrotingstekorten veel lager; in de jaren zestig bijvoorbeeld lagen ze rond nul procent. Wij zijn de jaren zeventig ook ingegaan met een begrotingstekort van omstreeks nul procent. Als je kijkt over een periode van honderd tot tweehonderd jaar, dan waren de tekorten ongeveer nul procent. Als je schulden maakt, komt dat doordat er een oorlog is geweest, of een voedselramp. Meteen na de oorlog begin je af te lossen. Wat er na de Tweede Wereldoorlog is gebeurd, is in historisch perspectief een heel ongebruikelijke ontwikkeling. Na de Tweede Wereldoorlog zijn we aanvankelijk bereid geweest te betalen voor de opbouw van de verzorgingsstaat. Er zijn allerlei voorzieningen gecreëerd en mensen accepteerden daarvoor belastingverhogingen. Toen zijn de werkloosheid en het beroep op de sociale voorzieningen sterk gaan toenemen. Vervolgens zie je dat de samenleving niet meer bereid is om ervoor te betalen en dan gaan de tekorten oplopen. Dat is nieuw. Ook zonder het Verdrag van Maastricht waren die pogingen om de publieke financiën weer onder controle te krijgen er ongetwijfeld toch gekomen. Wel later. Wat dat betreft zie ik het verdrag van Maastricht eigenlijk als een godsend.
Het aardige is dat de Verenigde Staten een begrotingstekort van nul nastreven zonder dat ze een monetaire unie als argument kunnen gebruiken. Ze hebben daar ingezien dat, als de huidige generatie almaar schulden opbouwt, de toekomstige generaties dat zullen moeten betalen. We geven nu de Emu de schuld, maar dat begint een tweesnijdend zwaard te worden, omdat je dan de Emu verdacht maakt in de ogen van het publiek. Geleidelijk aan beginnen we dan ook andere argumenten naar voren te halen, zoals de houdbaarheid van het stelsel en de pensioenproblematiek in de volgende eeuw.’
U bent een groot voorstander van begrotingsevenwicht.
'Ja, dat kun je wel zeggen. En ik vind dat het tekort nog binnen de komende kabinetsperiode naar nul moet gaan. Als je bedenkt dat vijftig procent van het nationale inkomen via de publieke sector wordt geleid, dan is het voor de werkgelegenheid in Nederland veel belangrijker hoe je die vijftig procent besteedt, dan dat laatste procentje dat je van het tekort afhaalt.’
HOE STRENG bent u nou eigenlijk?
'Héél streng! Ik ben wel een vriendelijk mens maar héél streng!’
Uw uitspraken worden heel verschillend uitgelegd. U vergeleek het Stabiliteitspact met de afspraken die je maakt met je kinderen over hoe laat ze ’s nachts thuis mogen komen. Als je twee uur zegt is dat niet kwart over twee. Bedoelde u dat je heel precies moet zijn, of dat het een kwestie is van geven en nemen?
'Wat ik precies gezegd heb, is dat als ik met de kinderen afspreek dat ze om twee uur thuis zijn, dat ze dan ook om twee uur thuis zijn. Als ze om drie uur thuiskomen, dan gaan ze de volgende week niet uit. Maar als ze iets na tweeën aankomen, en ze waren echt van plan om op tijd terug te komen, nou ja… Maar wat ik bedoeld heb, is dat ik het een onzinnige discussie vind, over die cijfertjes. Wat het verdrag zegt is dat je houdbare overheidsfinanciën tot stand moet brengen. Maar in de verdragstekst staat niet “Drei komma null ist drei komma null”. De verdragstekst is doordrenkt van het besef van houdbare overheidsfinanciën en dat betekent dat een tekort van 2,5 te hoog kan zijn, namelijk als uit andere omstandigheden blijkt dat die 2,5 niet houdbaar is en het jaar daarop weer zal oplopen.’
Uiteindelijk is het een politieke beslissing?
'Uiteindelijk is dit een beslissing die in wijsheid door de staatshoofden genomen moet worden. Maar ze hebben weinig marge. En het kan niet zo zijn dat je je met allerlei trucs kunt kwalificeren.’
U WORDT SOMS de architect van de Emu genoemd.
'Het is een idee dat uit alle kanten van Europa is gekomen. Er is niet één architect. Het ligt voor de hand. Met het wegvallen van de grenzen en het ontstaan van één markt is het erg handig één valuta te hebben. Zo kun je veel kosten besparen. Maar nog belangrijker is dat het veel doorzichtiger wordt. De concurrentie tussen landen zal dus toenemen. En er is nog een heel belangrijk argument. Nu is er eigenlijk maar één land dat op monetair terrein in Europa de toon zet; dat is Duitsland. Duitsland bepaalt helemaal zelfstandig zijn monetaire beleid en de andere landen in Europa moeten zich daaraan aanpassen. Door de monetaire unie krijgen we juist een stukje van onze monetaire soevereiniteit terug. Dat is heel wezenlijk, vooral voor de Fransen. Als het stelsel begint, heeft Duitsland één stem in de besluitvorming, net als Frankrijk, net als Nederland. Dus Duitsland is monetair ingetoomd. De beslissingen in de Europese Centrale Bank in Frankfurt worden genomen door een Raad van Bestuur, waar maximaal zes “Frankfurtse” directeuren in zitten en, als iedereen meedoet, vijftien presidenten van nationale centrale banken. Daarom is het ook niet waar dat Frankfurt nu voor ons gaat bepalen wat er gebeurt en dat de De Nederlandsche Bank of de Bundesbank ineens filiaalhouders worden. Het is niet een Europese Centrale Bank met daaronder vijftien nationale centrale banken, nee, er zijn vijftien nationale centrale banken en daarnaast is er de ECB.’
Komen christelijke solidariteit en een streng monetair beleid nooit in conflict?
'Mijn overtuiging is dat een lage inflatiegraad juist een bijdrage levert aan de werkgelegenheid. Niemand kan bewijzen dat het begrotingstekort precies nul moet zijn. Ik vind dat gewoon een heldere norm. En zelf zou je het ook willen. Schulden maken kan soms nuttig zijn, maar als het niet meer nodig is, kun je er beter mee ophouden en proberen oude schulden af te lossen. Dan ben je ook van die rentelasten af en kun je met dat geld iets leuks doen.’
Maar verontrust het u niet dat we naar een graaimaatschappij lijken te gaan?
'Dat is een moeilijk punt, hoe je de uitwassen van de markteconomie zou kunnen afgrendelen. Neem de optieregelingen voor managers. Het afslijpen van de scherpe kantjes is zonder meer geboden, maar hoe je dat precies doet, en of je dit over de grenzen met anderen moet afspreken, dat weet ik niet. De ellende is, we zijn alle grenzen aan het slechten, over de hele wereld heen met elkaar aan het concurreren, en je importeert gedragspatronen die je helemaal niet wilt, maar die je volgt omdat je niet anders kunt. Je zou aan de oplossing kunnen bijdragen door de optieregelingen voor alle werknemers te laten gelden.’
Het gaat arbeiders die in Frankrijk de straat op gaan niet om optieregelingen, maar om het behoud van hun baan.
'De oplossing van de werkloosheidsproblematiek ligt op een ander vlak dan men soms denkt. De Franse economie zal veel flexibeler moeten worden. De Franse aanpak is verouderd. En ook Duitsland loopt achter. Nederland heeft daar relatief een voorsprong in. Het terugdringen van de werkloosheid in Nederland is te danken aan twee dingen: aan de matige loonontwikkeling, waardoor onze concurrentiepositie ondanks een harde gulden sterk bleef, en aan de sterk toegenomen flexibiliteit op de arbeidsmarkt. De helft van alle nieuwe banen die in Nederland gecreëerd worden, zijn flexibele banen. Een jaarcontract, deeltijdarbeid of een baan met een ongebruikelijk aantal uren. De arbeidstijdverkorting hier heeft veel bijgedragen aan het creëren van nieuwe arbeidsplaatsen. Er wordt daardoor in totaal in de samenleving niet méér gewerkt, maar er wordt door meer mensen gewerkt. De arbeidstijdverkorting in Nederland is kostenneutraal verlopen. Dat zou in andere landen ook mogelijk moeten zijn. Dan zouden er in Duitsland tweeëneenhalf miljoen mensen aan het werk kunnen, hebben we uitgerekend.’
Heeft u als nieuwe bankpresident eigenlijk een programma?
'Op korte termijn moeten we drie dingen doen. De bank moet organisatorisch aangepast worden aan het Europese stelsel, we moeten een sterkte-zwakteanalyse van onze bank maken, en het beleid van de Europese Centrale Bank moet naar onze eigen samenleving vertaald worden. Anders wordt het zo'n abstract lichaam zonder maatschappelijk draagvlak. We moeten de kanalen vanuit de samenleving openhouden en opgevangen geluiden doorseinen naar Frankfurt. Maar we piekeren er nog over hoe we dat gaan doen.’