Mijn probleem is dat ik oplossingen zoek voor problemen waar niemand over klaagt. Ik ben het hele tweede jaar van de middelbare school bezig geweest om een systeem te ontwikkelen waarmee zwart-witfoto’s konden worden omgezet naar kleur. Daarvoor had ik niet alleen de theoretische onderbouwing geformuleerd maar ook een methode ontwikkeld met binair gecodeerde kleurwaarde-tabellen. Een mooi idee waar niemand op zat te wachten en dat bovendien pas echt bruikbaar werd toen tien jaar later de personal computer opkwam.

Het spreekt vanzelf dat ik bleef zitten en dat ik mij tot aan de eindexamens onthield van pogingen om de wereld te verbeteren. Maar daarna kroop het bloed weer waar het niet gaan kan en sindsdien, telkens als ik een productieproces zie of zelf iets moet maken, denk ik dat het beter kan en verzink ik in diep gepeins. Een gevolg is dat het weken kan duren voor ik tot daden kom, met als dieptepunt een laminaatvloer die ik legde om er al zagend en hamerend achter te komen dat het beter kon waarna ik alles er weer uit sloopte en opnieuw begon. Een psycholoog heeft mij er in mijn prille jeugd al voor gewaarschuwd dat mijn probleemoplossende houding in zichzelf een probleem kan zijn. Het zal wel te maken hebben met het eeuwige verlangen naar beloning in de vorm van complimenten. Het is altijd weer de opvoeding, dokter Spielvogel.

Mijn laatste gedachte-experiment betreft make-up. Het aanbrengen is een langdurig proces dat nog het meest overeenkomt met schilderen: onderlaag opbrengen, invullen, contouren en highlights schilderen, noem maar op. Stel dat je een make-upmasker zou maken, een holle afbeelding van het gezicht (van siliconen waarschijnlijk) waarop de make-up in omgekeerde volgorde is aangebracht. Je drukt ’s ochtends je gezicht er in en klaar is kees.

‘Een gezichtstempel’, zegt mijn vriend Harry. ‘Precies waar de wereld op zat te wachten. Wat vond mevrouw uw echtgenote daarvan?’

‘Ze vond het grappig’, zei ik. ‘En ze zei ook dat ik een idioot was.’

‘Daar kon je op wachten’, zei Harry. ‘Heb je niets beters te doen?’

Waarschijnlijk wel, maar in het aangezicht van een probleem ben ik als een mot voor een kaarsvlam. Het is een mooie houding als je ingenieur bent of experimenteel fysicus. Mijn vader was ingenieur en, bij tijd en wijle, uitvinder. Ik zal die houding wel van hem hebben.

‘Een gezichtstempel’, zegt mijn vriend. ‘Precies waar de wereld op wacht’

Toen hij een tijdje directeur was van een bedrijf dat aan bodeminjectie deed, kreeg hij een inval die diepe indruk op mij heeft gemaakt. Het bedrijf injecteerde de bodem met een soort gel die hard werd. Daardoor kon je lekkende rioleringen stabiliseren en waterdicht maken. Het riool moest tijdens de werkzaamheden natuurlijk worden afgesloten en bij grote systemen werd daarom een mal ingebracht die werd opgepompt en zo als stop fungeerde. Voor kleinere buizen bestonden geen mallen. Tot de dag waarop mijn vader ging tanken bij een benzinestation en buiten een korf met skippyballen zag staan. Een lampje ging branden. Hij kocht er onmiddellijk een paar en een dag of wat later duwde hij zo’n bal in een rioolbuis, pompte hem op met perslucht en, voilà, het riool was afgesloten.

Serendipiteit is een mooi ding.

Het systeem was niet helemaal waterdicht. Ik ging een keer mee naar een klus – herfstvakantie – en stond boven bij de duiker waardoor een van de werklieden het riool was ingekropen, de skippybal voor zich uit duwend. Die werd opgepompt en de man begon door de rioolwand te boren. Opeens klonk een kreet en toen ik naar beneden keek zag ik hem voorbijspoelen op een golf van rioolwater. Het was geen prettig gezicht toen hij weer bovenkwam.

De werknemers waren even ruige als onverschrokken types. Door een riool kruipen met een diameter nauwelijks groter dan die van een volwassene gaat mijn claustrofobische verstand in ieder geval te boven. Ik stap al niet graag in een lift, een vrees die ik toeschrijf aan een moment toen ik, een jaar of twaalf, in een lift stapte die nergens wilde oplijnen met de deuren. Ik kwam een stukje boven de drempel of schoot zo ver door dat ik alleen liggend op de vloer een strook daglicht kon zien. Het kan nooit langer dan een kwartier hebben geduurd, maar het leek een eindigheid voor de lift in de kelder wel goed uitkwam.

De onverschrokkenheid van de mannen bleek ook uit de manier waarop ze de injectievloeistof bereidden. De grondstoffen werden in een groot vat gemengd met water en geroerd. Dat deed een van hen door zijn arm in het vat te steken. Dat veroorzaakte bijna onmiddellijk een nogal nare uitslag. Ik vermoed dat een aantal van die mannen op latere leeftijd last heeft gekregen van vervelende ziektes. Ik vraag me ook af wat er gebeurd is met die geïnjecteerde riolen. Is de gel stabiel gebleven? Wat gebeurt er als het materiaal afbreekt en in de omgeving terechtkomt? In de jaren zeventig werden die vragen niet gesteld. Nu wil je van de hoed en de rand weten.

‘En wie zegt dat jouw make-upstempel veilig is?’ zegt Harry. ‘Het lijkt mij de anti-aanbaklaag onder de schoonheidsproducten.’

Anti-aanbakpannen, daar zou ik graag een kruistocht tegen voeren. Hoeveel kilo anti-aanbaklaag vreten we op? En wat gebeurt er met dat spul als het eenmaal in ons lichaam zit? Misschien moet ik daar eerst eens een oplossing voor zoeken.