Macedonië: Wachten op de volgende Balkanoorlog

Van de lont en het kruitvat

In Macedonië heerst een ijzige stilte. Bijna niemand gelooft dat de Albanese rebellen hun strijd definitief hebben opgegeven. Het is wachten totdat de lont andermaal in het kruitvat van de Balkan wordt gestoken. En dat terwijl een politieke oplossing voor het grijpen ligt. Want Macedonië is geen Kosovo.

Tetovo, Macedonië — Een paar honderd meter onder het oude Turkse fort dat uitkijkt over Tetovo stijgt een dun sliertje rook op. De geur van verschroeid vlees walmt over de smalle bergweg. Alles in de omgeving van de burcht is kapotgeschoten. Ook het kleine huis waar de braadlucht vandaan komt. Het dak is door granaten doorboord en voor de helft verdwenen. De pui is volledig weggeslagen. In wanden, deuren en raamkozijnen, zelfs in de smalle metalen palen van het hek, zitten kogelgaten. Het weggetje onder het huis is bezaaid met patroonhulzen die rinkelen onder de banden van onze auto.

Het enige dat merkwaardig genoeg ongeschonden is gebleven, is een ronde houten eettafel met bank en afdak, weggestopt in een hoek van de tuin. Daar houdt de eigenaar van het verwoeste huis, een politieman uit Skopje, een barbecue. Het is het toppunt van cynisme, dat weet hij zelf ook wel. «Maar moet ik dan bij de pakken gaan neerzitten? Dit was ons vakantiehuis. We moeten het weer van de grond af opbouwen. Maar het uitzicht krijg je met geen tank kapot. Dus laten we daar dan van genieten en er een stuk vlees en een slok whisky bij nemen.» Zijn vrienden, een Brits diplomatenechtpaar, hebben flessen Ballantine’s en Bushmill meegenomen. Hun kinderen dartelen vrolijk rond; de stemming is opperbest. Maar is het hier niet gevaarlijk? De Britse diplomate kijkt verbaasd om zich heen. «Ik zou niet weten waarom. Het zit hier propvol leger en politie. Snipers zul je hier niet meer vinden.»

Voorlopig is de rust in Macedonië weergekeerd. Half februari stond een nieuw Albanees bevrijdingsleger op dat net als zijn Kosovaarse evenknie de naam uçk draagt. Alleen staat de «K» nu niet voor «Kosovës», maar voor «Kombetar», het Albanese woord voor nationaal; het ontbonden Kosovo Bevrijdingsleger is het Nationaal Bevrijdingsleger geworden. Het Macedonische uçk eist gelijkberechtiging van de Albanezen in Macedonië, iets waar Albanese politieke partijen in het land al jarenlang op hameren. Er werd gevochten in de Zwarte Bergen, op dertig kilometer van de hoofdstad Skopje, en in het Sargebergte, boven Macedoniës tweede stad Tetovo, waar Albanezen in de meerderheid zijn. Twaalf dagen lag Tetovo onder vuur van uçk-sluipschutters. Eind maart lanceerde de regering twee offensieven die de rebellen terugdreven naar de grens met Kosovo, waarvandaan ze bevoorraad worden. Kfor-troepen proberen de grens zo goed mogelijk te vergrendelen, en Servische troepen controleren sinds kort een veiligheidszone in de driehoek waar Macedonië, Kosovo en Servië aan elkaar grenzen. Aan de Herald Tribune meldden uçk-commandanten dat hun terugtrekking in moeilijk doordringbaar berggebied onderdeel was van een tactische hergroepering. Het is nog lang niet over, vreest Macedonië. Het uçk ondermijnt ’s nachts bergwegen en blaast nu zelfs Kfor-soldaten op. Vorige week nog werden rebellen gesignaleerd in West-Macedonië bij de stad Debar aan de Albanese grens, waar het tot nog toe rustig was.

In Macedonië wonen niet alleen (Slavische) Macedoniërs en Albanezen (de grootste minderheid), maar ook Serven, Kroaten, Bulgaren, Grieken, Vlachen, Roma, Turken en Slavische moslims. Bulgarije, Griekenland, Servië en Albanië staan dubieus tegenover de Macedonische onafhankelijkheid en maken stilletjes aanspraak op delen van het land. In de twintigste eeuw werd het land maar liefst vier keer door buurstaten opgedeeld. Het verhaal van het Macedonische Nationale Bevrijdingsleger is, kortom, het klassieke verhaal van de lont en het kruitvat. Als de rebellen hun zin krijgen, zullen Noord- en West-Macedonië met hun Albanese meerderheid zich afscheiden en worden ingelijfd bij Kosovo of Albanië, vrezen velen. Niemand kan bevroeden wat dan het lot zal zijn van het rompstaatje dat overblijft.

Het is onduidelijk wie of wat het uçk nu eigenlijk is. Volgens de Kosovaars-Albanese publicist Shkelzen Maliqi, die vrienden naar het Macedonische front zag vertrekken, is het Macedonische uçk een onsamenhangend legertje. In een artikel in de Kosovaars-Albanese krant Koha Ditore schetste hij het bevrijdingsleger als een groep romantische dwaallichten in de ban van de vrijheidsstrijd die niet luisteren naar wie dan ook, laat staan naar politici. Inmiddels is een brede politieke dialoog in Macedonië op gang gekomen, bedoeld om op een vreedzame manier de oorlogsdreiging weg te nemen. Maar de gesprekken zitten muurvast en de Albanese partijen hebben gewaarschuwd voor nieuwe gevechten.

Voor de Macedonische overheid kwam het geweld niet onverwacht. Al een jaar geleden legde een televisiezender de hand op een geheim rapport van de militaire inlichtingendienst over Albanese paramilitairen, met wapenopslagplaatsen in Macedonië en infiltranten op cruciale posities bij leger en politie. De regering ontkende de authenticiteit van het rapport; de Albanezen waren woedend en spraken van een Macedonische samenzwering. Maar in februari stuitte de politie in het bergdorp Tanusevci inderdaad op een wapenopslagplaats, en barstten de gevechten los.

«Mijn moeder zat hier vier dagen vast, terwijl vanuit het hoger gelegen huis van mijn buurman een sluipschutter vuurde», vertelt de barbecuende politieman. Vlak nadat ze kon wegkomen, barstte het Macedonische offensief los en werden de huisjes onder de burcht kapotgeschoten. Hij wil niet met zijn naam in de krant. Bij de rebellen zijn volgens hem veel Albanezen uit het buitenland actief, ook uit Nederland. De Britse diplomate raadt ons aan ook eens een kijkje te gaan nemen in het Albanese dorp Selce, boven op de berg. «Er zijn niet alleen Macedonische huizen kapotgeschoten, if you know what I mean.»

Op weg naar Selce, volgens de Macedo niërs het belangrijkste uçk-dorp achter het fort, stuiten we op een checkpoint. Een speciale politie-eenheid van vijf zwaarbewapende mannen in groene camouflagepakken houdt ons tegen. Ze vervelen zich stierlijk en ruilen graag koppen sterke koffie uit een thermosfles tegen onze westerse Marlboro’s. Een van de agenten is een Serf. Hij vocht bij Vukovar onder Arkan, vertelt hij. Hij is de enige met oorlogservaring. Déze oorlog zit hem echter niet lekker. «Er is geen vijand te bekennen. Die zitten allemaal weer beneden in de stad, in hun burgerkleding. En wij maar wachten tot ze weer beginnen.» We mogen niet verder; er liggen nog mijnen.

Alexandar (27), bijgenaamd Dandy, slaapt nog steeds slecht en is erg gespannen. Hij weet dat de gevechten elk moment weer kunnen losbarsten. Hij woont in de Macedonische wijk aan de voet van het Turkse fort. «Iedereen weet dat de terroristen vrij rondlopen in de stad. Hoe lang duurt het voordat ze net als in Kosovo handgranaten in cafés gaan gooien?» Dandy is Macedonisch. Hij handelt in computers en is eigenaar van een klein internetcafé. Hij woont al zijn hele leven in Tetovo, omringd door Albanezen. Veertig procent van de stad is Macedonisch, en dat is nog een hoge schatting, meent Dandy. «Ik heb Albanese zakenpartners en vrienden met wie ik prima kan praten. We hebben het gevoel dat we allemaal geraakt worden door deze situatie. In mijn kennissenkring wil niemand echt oorlog. Het heeft geen zin. Alles wat we hebben opgebouwd, zal vernietigd worden. En met het samenleven is het dan ook afgelopen. Als het echt niet anders kan, zal ik vechten tegen de Albanezen. Ik zal niet vluchten uit Tetovo. Ik heb flink geïnvesteerd in mijn bedrijf en in mijn leven hier.»

Ook de Albanees Sejidi Sabit, eigenaar van een autowasserij in het centrum van de stad, is niet van plan weg te gaan als er weer gevechten losbarsten. «De Macedoniërs gedragen zich alsof ze hier de baas zijn. Ze zeggen dat twintig procent van de bevolking in Macedonië Albanees is, maar in werkelijkheid is het 45. In Tetovo is maar vijf procent Macedoniër, geen veertig.» Volgens Sabit waren het de Macedoniërs, niet de Albanezen, die begonnen met vechten. «De Macedoniërs hebben dertig ton munitie verschoten, maar er zaten helemaal geen guerrilla’s rond het fort. Niemand schoot terug. Het was allemaal nep. Ze zoeken een reden om ons te verdrijven.»

«Hoezo nep?» zegt Dandy. Hij neemt ons mee naar de Macedonische wijk die het zwaarst onder vuur lag van de Albanese snipers en toont ons muren vol kogelgaten. De gaten zitten hoog, en allemaal aan de kant van het fort. «Ze schoten zelfs met mortieren», zegt Dandy. Hij laat een zwaar beschadigde muur zien, vol scherfgaten.

In Macedonië is weinig zeker. Zowel Albanezen als Macedoniërs strooien met cijfers over bevolkingsaantallen. Volgens de laatste volkstelling, uit 1994, was 22,9 procent Albanees, en niet veertig procent zoals veel Albanezen, politici incluis, beweren. Zij menen echter dat de volkstelling door de Macedoniërs, die iets minder dan tweederde van de bevolking zouden uitmaken, is gesaboteerd. Dit jaar moet opnieuw een volks telling plaatsvinden, onder internationale supervisie. Waarschijnlijk zullen de Albanezen die boycotten en het sabotageargument weer uit de kast halen. Als hun aantal lager blijkt dan veertig procent (een percentage hoog in de twintig ligt dichter bij de waarheid) verliezen ze immers hun geloofwaardigheid.

Dergelijk cijfermatig geruzie lijkt triviaal, maar voor het kleine Macedonië met zijn vele minderheden is het exact vaststellen van de bevolking van enorm belang. Al was het maar omdat volgens de grondwet elke minderheid naar grootte wordt bedeeld met deelname aan het openbaar bestuur, onderwijs in de eigen taal, eigen media en belastinginkomsten. De Albanese grieven gelden vooral de vermeende miskenning van het aantal Albanezen in Macedonië en hun ondervertegenwoordiging in overheids banen en het hoger onderwijs. Overal doorheen loopt de taalkwestie. Het Slavische Macedonisch is de staatstaal.

Vaak wordt de situatie in Macedonië vergeleken met die in Kosovo vóór de oorlog. De vergelijking gaat echter op veel punten mank. In Kosovo had de Albanese bevolking een grote meerderheid en werd ze hardvochtig onderdrukt. Van beide is in Macedonië geen sprake. Bovendien heerste in Servië de autocratie van Milosevic, die de angst voor de Albanezen gebruikte voor eigen gewin. Macedonië is een redelijk functionerende democratie, met een Albanese partij in de regering, enkele Albanese ministers en een Albanese vice-premier. De problemen zouden vreedzaam op te lossen moeten zijn. Maar het vertrouwen van de bevolking in de politiek is gering. De oorlogshandelingen van het uçk worden door de meeste Albanezen gesteund. Macedoniërs juichen op hun beurt het brute optreden van de veiligheids troepen toe. Wat wél overeenkomt met de oorlog in Kosovo is het totale wantrouwen dat Albanezen en Macedoniërs jegens elkaar koesteren. De wederzijdse haat en de afkeer van elkaars cultuur zijn diepgeworteld. Kosovo heeft geleerd dat als het echt oorlog wordt niemand op medelijden hoeft te rekenen. Het is overheersen of overheerst worden.

Dandy merkt dat naar eigen zeggen dagelijks in Tetovo. Het bestuur veralbaniseert er. De burgemeester en het hoofd van de politie zijn Albanees, evenals de meerderheid van het baliepersoneel. «Ik weet dat Albanezen in dit land gediscrimineerd worden. Maar ik voel me net zo goed gediscrimineerd. Het is haast onmogelijk iets gedaan te krijgen van een Albanese ambtenaar. Als ik in het Macedonisch begin, kijken ze me glazig aan. Zodra Albanezen macht hebben, doen ze exact hetzelfde als wat ze de Macedoniërs verwijten. Als we dit land beschouwen als het land van ons allemaal, zullen we op z’n minst moeten proberen elkaar normaal te woord te staan in de officiële taal van de staat. Het is nu eenmaal onmogelijk om de talen van alle minderheden te beheersen.»

Zoals de meeste Macedoniërs staat Dandy huiverig tegenover het wijzigen van de grondwet: de belangrijkste eis van het uçk en de Albanese partijen. Als Macedonië op vreedzame wijze het conflict met zijn Albanese inwoners wil oplossen, zal het daar echter niet aan ontkomen. De preambule van de grondwet is gebaseerd op etniciteit en defi nieert de staat als «de nationale staat van het Macedonische volk». De preambule degradeert de minderheden tot tweederangs burgers die voor hun rechten afhankelijk zijn van «het Macedonische volk». De Albanese bevolking boycotte daarom het referendum dat in 1991 de onafhankelijkheid van Macedonië inluidde. Vóór die tijd was Macedonië een van de zes republieken van het federale Joegoslavië.

Veel Macedoniërs zijn bang dat het verwijderen van de etnische definitie het begin van hun einde is. Ze zien die als hun enige bescherming tegen het hoge geboortecijfer van de Albanezen (drie keer zo hoog als dat van de Macedoniërs) en ze vrezen opdeling van het land. De Macedoniërs zijn in de loop der geschiedenis onder dwang geassimileerd door Turken, Grieken, Serven en Bulgaren. Een Albanese afscheiding met als gevolg waarschijnlijk, net als in Kosovo, de uitdrijving en verwoesting van alles wat Slavisch is, zullen ze nooit accepteren. «De afgelopen tien jaar hebben we gezien dat de roep om federalisering niets anders is dan verborgen aspiraties voor een etnisch zuivere staat», stelde de Macedonische president Boris Trajkovski.

De Albanese partijen doen niet bepaald hun best om de Macedoniërs op hun gemak te stellen. Ze veroordeelden het geweld onder internationale druk, maar grepen het wél aan om andermaal moord en brand te schreeuwen over de achterstelling van de Albanezen. Maar ze wijzen niet ondubbelzinnig de federalisering van het land af. In de Albanese gelederen zijn twee kampen te onderscheiden: zij die de Albanezen in de grondwet opgenomen willen zien als een tweede constituerende natie, en degenen die genoegen nemen met het omvormen van Macedonië tot een civic nation, waarin slechts staatsburgerschap van belang is en etnische afkomst geen enkele rol speelt. In die richting denkt ook de Europese Unie. Toen Javier Solana suggereerde dat etniciteit uit de grondwet verwijderd moest worden, brak onder Macedoniërs een storm van protest los.

In Skopje vindt naar aanleiding van de uitlatingen van Solana een petitiebijeenkomst plaats voor behoud van de preambule, georganiseerd door een etnische Macedonische politieke jongerenorganisatie. Marko, een van de organisatoren, vindt het ongehoord dat Albanezen de wapens hebben opgenomen. «Wij Macedoniërs hebben geen andere plek om naartoe te gaan. Dit is ons enige land. Als de Albanezen in Macedonië ontevreden zijn, adviseren we ze dringend te verhuizen naar Albanië of Kosovo. En Solana moet eerst maar eens zijn eigen problemen in Baskenland aanpakken voor hij zich met ons bemoeit.»

De afkeer van buitenlandse bemoeienis is enorm. Voor het Macedonische parlement staan mensen luidruchtig te protesteren. Ze schreeuwen leuzen tegen Kfor, de Navo en de Europese Unie. «We hebben jullie doorzien», schreeuwt een oudere man in blauw pak in het Duits door een megafoon. «Jullie willen van Macedonië een nieuw Kosovo maken. Maar het zal jullie niet lukken, want we hebben jullie door!»

Een nieuw Kosovo is nu juist wat het Westen niet wil in Macedonië. Zowel de Navo als de EU is de gewelddadige Albanese nationalisten meer dan zat. «Terroristen» worden ze nu officieel genoemd, terwijl de Navo het uçk tijdens de Kosovo-oorlog nog zag als vrijheidsstrijders. Na de oorlog tegen Joegoslavië zijn twee nieuwe, maar wat betreft uniformering en strijdmethoden nauw aan het Kosovaarse uçk gelieerde Albanese guerrillalegers in de regio opgestaan. Naast Macedonië is ook Zuidwest-Servië het toneel van guerrillastrijd. Daar vecht het uçpmb voor aansluiting van de regio bij Kosovo. Voor hun financiering maken beide rebellengroepen gebruik van dezelfde diasporafondsen als het Kosovaarse uçk, en hun bevoorrading loopt via het «bevrijde» Kosovo.

Om niet nog een derde protectoraat op de Balkan te hoeven instellen (na Kosovo en Bosnië), speelt het Westen nu de kaart van de versnelde integratie. Macedonië en de EU tekenden vorige week een stabiliteitspact dat uitzicht biedt op toetreding binnen tien jaar. «Het is heel aardig geprobeerd», zegt dr. M., «maar het is uitgesloten dat we dat gaan halen. De regering weet dat, en de EU ook.» Ze is werkzaam aan het economische instituut dat de haalbaarheid van de verplichte economische hervormingen doorrekende. Ze kreeg Europese experts op haar dak gestuurd die vragen stelden over de scheermesjes in de supermarkt: waarom die maar van één merk waren. «Als dat soort mensen ons moet helpen, vrees ik het ergste. De economie is een chaos. We zullen alles moeten afbreken en opnieuw moeten opbouwen. En dat is onmogelijk in dit arme, licht ontvlambare land.»

Het dorp Lipkovo, hoog in de Zwarte Bergen, werd gebruikt als uitvalsbasis voor het offensief tegen uçk-bolwerken bij de grens met Kosovo. Het dorp is nu honderd procent Albanees. «Vroeger woonde hier een Serf. Hij was als een broer voor ons, een tweede burgervader die altijd hielp als wij Albanezen problemen hadden met het centrale gezag. Nu is hij dood, terwijl we hem zo hard nodig hebben», zegt Bezat Iseni, de burgemeester van Lipkovo. Mismoedig kettingrokend zit hij in zijn ambtslokaaltje. Een medewerker schenkt Turkse koffie. «We hebben honderden vluchtelingen opgenomen.» Hij vreest dat zijn dorp het volgende is op de lijst van de Macedonische veiligheidstroepen. «Maar er zit hier helemaal geen uçk.»

Buiten reageert een groep jongens verbaasd. «Natuurlijk zit hier in de bergen uçk. Uiteindelijk zijn wij allemaal uçk-strijders. We moeten onze dorpen beschermen.» Voordat we naar Lipkovo vertrokken, liet ook Sejidi Sabit in Tetovo zich in die zin uit. «Wij zijn allemaal uçk», zei hij, en liet zijn blik over het terras gaan waar hij met zijn vrienden genoot van de namiddagzon. «Het uçk is ons leger. Als het niet anders kan, moeten we vechten voor onze rechten.» Rond het dorp wemelt het van de pro-uçk opschriften.

Op weg terug naar Skopje passeren we een reeks half uitgegraven, provisorische stellingen, compleet met zandzakken. In een van de stellingen ligt een bord met daarop «Kosova uçk» geschreven. Het werk is nog niet af. Misschien is het onderbroken door de dreigende aanwezigheid van de tanks die in de verte staan opgesteld. Er is niemand te bekennen en het is doodstil. Er hangt storm in de lucht.

Ook in Skopje heerst een merkwaardige, ijzige kalmte. De stad wordt in tweeën gedeeld door de rivier de Vardar. Ten noorden van de Vardar ligt het oude centrum, met vele kleine winkeltjes en eettentjes. Net als in Tetovo rijzen boven de oude stad de resten van een Turkse burcht op. Hier wonen voornamelijk Albanezen, ten zuiden van de rivier vooral Macedoniërs. Mocht het mislopen in Macedonië, dan zou Skopje weleens de derde gedeelde stad van de Balkan kunnen worden, net als Mostar in Bosnië en Mitrovica in Kosovo. Ook in en rond Skopje werd gesnipet. Drie agenten stierven, twee raakten zwaar gewond. De Macedonische politie in de Albanese wijk is uiterst nerveus en patrouilleert slechts zwaar bewapend, omhangen met scherfvesten.

In het Albanese deel van de stad zit Naim Shopa aan zijn ochtendpils, samen met zijn Macedonische buurman. «We zijn vrienden», zegt Shopa, «maar als het oorlog wordt, wordt de vriendschap moeilijk.» Volgens Shopa zijn de schermutselingen boven Tetovo en Skopje nog maar het begin. Extremisten wil hij de strijders in de bergen niet noemen. «We worden al duizenden jaren onderdrukt. Dan is het logisch dat we op een dag met geweld ons recht gaan halen.» Hij vertaalt met enige regelmaat het gesprek voor zijn vriend in het Macedonisch, maar zodra hij iets zegt over de uçk-strijders laat hij de vertaling achterwege. «De Macedo ni ers kunnen maar beter de huizen en bedrijven verkopen die ze nog aan deze kant van de stad hebben, want straks is het te laat. Let op mijn woorden: het is nog maar net begonnen.»

Dat vinden ook de skinhead Neno en zijn makkers, maar dan andersom. Ze drinken goedkope wijn uit navulflessen in «hun» plantsoen in het centrum van Skopje. Ze benadrukken dat ze anti-fascistisch zijn. «Maar dat geldt niet voor Albanezen», zegt Neno. Wat hem betreft is de oorlog tegen de Albanezen het begin van «de vereniging». Macedonische nationalisten beschouwen de huidige republiek als slechts een derde van wat zij zou moeten zijn. Ze rekenen ook delen van Griekenland en Bulgarije tot de natie. Neno maakt met zijn rechterhand het teken van Groot-Macedonië: duim en wijsvinger vormen een cirkel, de overige drie vingers wijzen omhoog. Ze symboliseren de drie delen die verenigd (de cirkel) moeten worden. Over Albanezen is hij heel kort: er valt niet met ze te leven. «We maken ze op dit moment dood in de bergen. Als honden.» Maar zodra hij over de Grieken begint, die de Republiek Macedonië niet erkennen, wordt hij pas echt kwaad. Naar Slavisch taalkundig gebruik neukt hij alle moeders die iets met de Grieken te maken hebben. En die van de Bulgaren neemt hij er in één moeite bij. De enige minderheid in Macedonië die hij mag, zijn de zigeuners. «Die zijn net als wij eeuwig op weg naar hun vaderland.»

Temidden van de snel om zich heen grijpende radicalisering lukt het weinigen het hoofd koel te houden. Maar ze zijn er. Neem Bobi, de filosoof op de berg. Tien jaar lang bestudeerde hij het poststructuralisme. Zo’n beetje alles heeft hij met zijn geest gedeconstrueerd. Zo ook de Balkan. «We lijden onder westerse structuren die ons zijn opgelegd, maar die niet passen bij de verscheidenheid van volkeren die hier kriskras door elkaar heen wonen. Het ideaal van één natie, één staat is op de Balkan domweg niet haalbaar.» Bobi zoekt culturele mengvormen. Samen met anderen organiseert hij in Skopje een festival voor wereldmuziek. «Hopelijk leren we er iets van», zegt hij. «Je moet mengen. Van die straffe structuren moeten we af.»

In Tetovo runt de Macedoniër Sreten Koceski samen met Albanezen en Serven een jongereninformatiecentrum. Met sport en spel probeert hij jongeren iets te leren over elkaars cultuur. «Iedereen zit hier vol vooroordelen, maar eigenlijk kennen we elkaar niet. Dus proberen we etnische groepen met elkaar in contact te brengen. Als we een rollenspel doen over hoe een Macedonisch huwelijk nu eigenlijk in zijn werk gaat, hebben we ontzettend veel lol en worden we toleranter. Probeer jij maar eens iemand te haten wiens cultuur je kunt waarderen.»

Dritero Kasapi, geboren uit Albanese ouders, voelt zich op en top Macedonisch staatsburger. Hij heeft zonder grote problemen de staatsuniversiteit afgemaakt. Die wordt door de meeste Albanezen gemeden uit angst voor discriminatie, hoewel de toegangseisen voor hen aanzienlijk lager zijn dan voor Macedoniërs. Kasapi is nu, 25 jaar jong, een gevierd theaterregisseur. Hij regisseert onder meer een theaterprogramma met kinderen uit verschillende etnische groepen. «Om ze van de angst voor elkaar af te helpen. Ik heb een Macedonisch paspoort, net als de andere Albanezen in dit land. Ik heb er geen enkele moeite mee naast mijn eigen taal Macedonisch te spreken. Veel van mijn vrienden zijn Macedonisch. Dit is mijn land, en het vóelt ook als mijn land.»

Hij merkt dat zijn houding door veel Albanezen niet wordt gewaardeerd. En hij weet: met elk schot dat in Macedonië valt, neemt de haat toe en het aantal mensen dat denkt als hij, als Bobi en als Sreten, af.

In het huis van Radoslav Voinovski, buurman van de barbecuende politieman in Tetovo, zat een Albanese sluipschutter. Terwijl de braadlucht voorbij walmt, toont hij de plek op de eerste verdieping waar vroeger een raam zat en waar hij tientallen kogelhulzen vond. Ook van zijn huis staat nog maar weinig overeind. «Zeventien jaar heeft het me gekost om dit op te bouwen. Ik leef van een klein pensioen. Het lukt me nooit om alles weer te repareren.» Met een droevig gezicht staart hij naar de puinhoop om hem heen. «Weet je wat ik het ergste vind?» zegt hij. «Ik snap niet waarom hier eigenlijk gevochten wordt. En niemand kan het me uitleggen.»