Van de pen leven

Vroeg of laat komt er in het leven een moment van grote paniek dat meestal met eigenaardige kwaaltjes gepaard gaat. De geest stikt en zendt zijn ongenoegen uit naar het lichaam. Niet alleen het moment van verstikkende angst is dan aangebroken maar ook dat van existentiële beslissingen. Theodor Holman kreeg voor de klas aanvallen van hyperventilatie en dacht dat hij doodging. Blijkens zijn relaas in de Volkskrant van 8 april was hij inderdaad stervende. Als leraar Nederlands stierf hij in zijn jonge leven duizend doden vanwege een verkeerd gekozen leven. Het vereist dan toch moed om niet in coma te geraken, dat wil zeggen om niet in je verkeerde jasje de eerbiedige leeftijd van de pensionering af te wachten. Je moet het voortdurend tegen je eigen lafheid opnemen om uiteindelijk tot een heilzame breuk met jezelf te komen. De leraar die nooit leraar had moeten worden droomde van inkt en papier. ‘Van de pen leven, dát is het!’ peinsde hij. Maar daarvoor moest hij alle zekerheden van een veilig professioneel bestaan loslaten.

Het verhaal van Holman over zijn worsteling met het lot vond ik fascinerend omdat ik er heel wat in herkende. Ook ik heb in een vorig leven in een omgeving die niet de mijne was enkele jaren doorgebracht. Ook ik kreeg toen aanvallen van paniek als ik even mijn blik op mijn eigen toekomst richtte. Geen hyperventilatie maar steken in mijn keel, alsof iemand midden in de nacht op mijn borst was gaan zitten en mijn strot met een ijspriem bewerkte.
Ik roep eigenlijk die tijd niet graag op en mijn drang tot zelfcensuur gaat zelfs zo ver dat ik doorgaans maar één herinnering door het filter van mijn geheugen laat sijpelen. Het moment dat ik met een vers getikt velletje in mijn hand de lift in stap en op de knop van de zevende verdieping druk. Of was het de tiende? Op die etage zat de personeelsafdeling en in de lift stond een verbouwereerde collega mij aan te staren. Je weet toch wel wat je doet? Van de pen kan je straks wellicht niet leven, je hebt dan geen echte baan, terwijl hier… Ik stapte de lift uit, legde het getikte velletje op de toonbank van de afdeling en voelde me honderd kilo lichter. Ik was ambtenaar af.
Maar vooraf aan dat ene glorieuze moment, hoeveel laffe onderonsjes met jezelf? Hoeveel ontkenningen van je diepe verlangens om weg te wezen? Soms rij ik langs de eenzame toren waar ik met mijn ziel onder mijn arm heb gespookt en gedoold. De ramen zijn tegenwoordig versierd met planten en potten. Revanche nemen door een lange neus te trekken vanuit de auto kan dus niet meer: waar vroeger de ambtenaren van het energiebedrijf zaten, huizen nu studenten.
Je kunt wel honderd keer rekenschap aan jezelf afleggen, in je hoofd stampen dat het dankzij jouw verblijf in dit logge en grauwe gebouw is dat je die vreemde taal hebt geleerd en de eigenaardigheden van je gastvolk van binnenuit hebt kunnen observeren, maar wat overblijft is de dreun van de stempel van de prikklok op je periodenkaart. En ook de kettingformulieren, de ponskaarten, de vervallen aanvraagformulieren, de koffiebekertjes van bruin plastic, de afdelingschef, die gezondheidsfreak die zijn ochtendappeltje schilt en op een dag toch door een hartinfarct wordt getroffen.
In dezelfde krant waarin Holman zijn herinneringen aan zijn vroegere leven in het onderwijs ophaalde, stond ook de bekendmaking van de zes nominaties voor de Librisliteratuurprijs. Ik realiseerde me ineens waarom ik J.J. Voskuil niet kan pruimen. Omdat hij de man is die Holman en ik dreigden te worden. De man die fatalistisch de nutteloosheid van zijn werk en de zelfverloochening verkoos boven het stellen van een cruciale daad: het indienen van een ontslagbrief bij de afdeling personeelszaken.
Theodor Holman is desalniettemin een vurig aanhanger van Voskuil. Misschien had hij toch dertig jaar leraar op dezelfde school moeten blijven en na zijn pensioen een pil van vijfduizend pagina’s vol ditjes en datjes over zijn vroegere collega’s moeten schrijven. Maar ik betwijfel of hij daarmee de kromheid van zijn levensloop zou hebben kunnen rechtzetten. Hij kon domweg geen Voskuil worden en verzocht daarom de directeur afdeling onderwijs om ontslag.
Verleden week kwam de meteropnemer aan de deur. Ik leidde de man naar de kelder. Hij tikte de cijfers in zijn machine, mompelde een paar woorden die voor mij de klank van een prikklok aannamen: ‘U hebt vroeger bij ons gewerkt.’
Ik knikte en bleef stil. Hij richtte zijn blik op zijn schoenen en zei: 'Ik ken uw werk. Heb twee boeken van u gelezen.’ Ik nam hem mee naar onze bibliotheek en gaf hem een derde. En het was alsof ik opnieuw dat getikte velletje inleverde.