Tema con variazioni

Van de Raad en de Journalistiek

De affaire-Voskuil is een zaak van niks. Het betreft een jonge, gretige verslaggever die zich in de crimineel Mink K. heeft vastgebeten en zich daarin vervolgens heeft verslikt. Moeiteloos ben ik in staat uit te leggen welke beroepsfouten de jongen, gepokt door de Echo en gemazeld door de Sp!ts, heeft gemaakt, wat ik niet zal doen. De waarheidsvinding delegeer ik graag aan de bevoegde autoriteiten, die daarvoor tenslotte hebben doorgeleerd, maar er niettemin in zijn geslaagd in deze affaire de ene ezelachtigheid op de andere te stapelen.

Daar waren de autoriteiten — wij spreken nog steeds over de zaak Mink K. — trouwens al enige tijd mee bezig.

Deze Mink K. is behalve een crimineel ook een informant van politie en justitie. Die hadden na de IRT-affaire beloofd dat zij zich niet meer aan dit soort praktijken zouden bezondigen. Dus moest dit feit geheim worden gehouden en stuurde de rechter de pers bij de zitting de gang op. Gelukkig was iemand zo stom om de microfoon aan te laten staan, zodat bewezen werd wat wij reeds vermoedden: Mink K. was een informant van politie en justitie.

Dat hoorde het publiek te weten. Dus schreven de kranten hun bevindingen op en zond de televisie een fragment van een bandopname uit.

De verantwoordelijke hoofdofficier Vrakking beende vervolgens naar de Raad voor de Journalistiek. Die stelde zich niet achter de verslaggevers op die gewoon hun werk hadden gedaan, maar koos de zijde van het gezag. De verslaggevers hebben verkeerd gehandeld. «Journalisten hebben het resultaat van de door de rechter gemaakte afweging te eerbiedigen», vermeldde de uitspraak. Nee, dat hebben journalisten niet, journalisten hebben de taak te vertellen wat er aan de hand is.

Wel, men kent het vervolg van het verhaal. De jonge Voskuil, verslaggever bij het blad Sp!ts, beweerde in zijn krant dat de crimineel Mink K. in feite het slachtoffer is geweest van een politiemanoeuvre, een verhaal dat hem door een anoniem gehouden politieagent was verteld, en omdat hij weigerde de naam van die agent te noemen, stopte mevrouw A. Boumans, presidente van het Amsterdamse Gerechtshof, de verslaggever in de cel.

Zo werd deze zaak van niks tot in de zoveelste macht uitvergroot. Een nieuwe Dreyfuss-affaire was geboren, met de inmiddels vrijgelaten jonge Voskuil in de heldenrol.

Wat zou zo'n Raad voor de Journalistiek over de affaire-Voskuil denken? Nooit zullen wij het weten, want dit orgaan gaat grote, principiële zaken over het algemeen uit de weg.

Het aanzien van deze Raad voor de Journalistiek is op het ogenblik tamelijk laag. Elsevier heeft recentelijk laten weten niets meer met de Raad te maken te willen hebben. Hetzelfde geldt voor RTL4, de omroepvereniging die de confidenties van de crimineel Mink K. heeft uitgezonden. De hoofdredacteur van de Volkskrant constateerde dat het gezag van de Raad niet veel meer waard is. De hoofdredacteur van HP/De Tijd hekelde de «flutzaken» waarmee de Raad zijn tijd vermorst. Trouw noemde de Raad «een kreupel eendje». Samenvattend, de Raad voor de Journalistiek, het geweten van verslaggevend Nederland, «stelt bijna niets voor», zei de voorzitter van — nota bene — het bestuur van de Raad voor de Journalistiek.

Want de Raad, zeggen de critici, kent geen verschil tussen klagers en querulanten. Want de Raad leeft in een sfeer van wereldvreemdheid en Selbstherrlichkeit. Want de Raad heeft geen begrip voor het feit dat wij, journalisten, soms gedwongen zijn om tot onze navel in het riool af te dalen. En de Raad is inconsequent in zijn oordelen. De kwalificatie «kwakzalver» mag niet. «Etnische profiteurs» mag daarentegen wel. Het woord «charlatan» is verboden. De omschrijving «Julio Eglesias van de schilderkunst» is daarentegen toegestaan.

Deze Raad voor de Journalistiek heeft niettemin zijn nut, zeggen de voorstanders, omdat dankzij dit instituut de gekken ervan worden weerhouden regelrecht naar de rechter te stappen. Dat is naar mijn mening een tamelijk dun, defensief argument, waarop ik, ware ik lid van deze Raad voor de Journalistiek, niet zo trots zou zijn.

Het probleem is natuurlijk dat mensen, zelfs weldenkende mensen, onmiddellijk in God veranderen op het moment dat zij in zo'n tuchtcollege zitten. Zij hebben plotseling een flintertje macht, er wordt ze om een oordeel gevraagd, en dat resul teert in een soort hoogmoed die tot de merkwaardigste resultaten kan leiden. Vraag mij overigens niet hoe het wél moet, misschien moet het helemaal niet en heeft het bedaarde Nederland geen behoefte aan lekenrechters, die oordelen opdat zij niet geoordeeld worden.

Nederland is immers tamelijk netjes ingericht. De democratie functioneert naar redelijke tevredenheid. De maffia opereert slechts in de marge. Er zitten geen fascisten in het parlement. Roze balletten, op of rond het Binnenhof, zijn zeldzaam. Rechters zijn niet corrupt. Politici evenmin, van links tot rechts, het zijn allemaal lieden met een vrij onbesproken levenswandel. Voor politiek wangedrag moet je in Frankrijk of de Verenigde Staten zijn. Of in Engeland, waar nog wel eens een staatssecretaris ondersteboven aan zijn bretels bun gelend op de damestoiletten wordt aange troffen, de tong uit de mond, het herenlid bungelend uit de streepjespantalon

Die dingen komen bij ons niet voor. De Nederlandse politicus is helaas kuis, mees tal monogaam, lullig en onomkoopbaar.

Ik speel de laatste tijd wel eens met de gedachte dat er meestal pas écht van rottigheid en ellende sprake is als politie en justitie erbij betrokken zijn: de IRT-affaire, de zaak-Bouterse, de operetterevolte op het ministerie van Justitie, de gijzeling van de jonge, onberaden Voskuil — overigens een écht schandaal, dat de verantwoordelijke justitiële autoriteiten de kop behoort te kosten.

Ik wandel naar de Openbare Leeszaal, waar men de jaargangen 1988 en 1998 van mijn vakblad De Journalist heeft klaargelegd, het orgaan waarin de uitspraken van de Raad voor de Journalistiek worden gepubliceerd. Want ik wil wel eens weten wat waar is van mijn vermoeden dat er tegenwoordig strenger wordt geoordeeld dan vroeger.

Mijn vermoeden blijkt juist. In 1988 werden vijftien klachten gegrond en vijftien klachten ongegrond verklaard. In 1998 ervoeren de dames en heren lekenrechters 24 klachten als gegrond, drie als gedeeltelijk gegrond en achttien als ongegrond.

Het is natuurlijk mogelijk dat wij, journalisten, ons in dat laatste decennium van de vorige eeuw plotseling ernstig zijn gaan misdragen. Maar het is waarschijnlijker dat deze Raad voor de Journalistiek zich inmiddels tot een Raad tégen de Journalistiek heeft ontwikkeld.