Buitenlandse bagger wordt Nederlandse natuur

Van de regen in de drab

Zandwinputten langs de grote rivieren worden omgetoverd tot nieuwe natuur met uit België en Duitsland geïmporteerde grond: verondieping. De grond- en baggerbranche verdient er goed aan. Maar de grond is vervuild.

Buurtbewoners hielden de stort van licht vervuild slibafval in de Linderveldplas in Lettele, Overijssel, tegen © Herman Engbers

Piepschuim, flarden plastic, hompen schuimrubber. De oevers van de Maas bij het Gelderse Dreumel liggen in maart 2018 bezaaid met troep. ‘Het was één grote vuilnisbelt’, zegt Harold Koolhout, die geregeld zijn hond uitlaat in de uiterwaarden langs de rivier. Waar de rommel vandaan komt? Een paar kilometer stroomopwaarts is het consortium Nederzand bezig met zandwinning en het creëren van nieuwe natuur. ‘Over de Maas’ heet het project. Dagelijks varen grote rivierschepen af en aan om zand mee te nemen en de tientallen meters diepe put weer op te vullen met grond en bagger.

Koolhout en andere bezorgde inwoners van de gemeente West Maas en Waal vermoeden dat de troep langs de rivieroever in de grond zit die stroomopwaarts wordt gestort. Een paar kilometer verderop, langs de Waal, ligt nog zo’n plas. Daar heeft Staatsbosbeheer plannen voor het creëren van nieuwe natuur door ‘verondieping’, zoals het storten van grond en bagger ook wel wordt genoemd. Dat wil het Burgercollectief Dreumel voorkomen.

Als een burgerjournalistiek platform à la Bellingcat gaan ze aan de slag. Via Google Maps en sites waarop je via gps het scheepvaartverkeer kunt volgen, achterhalen ze de herkomst van de schepen die Dreumel aandoen. Vaak hebben ze hun lading opgehaald bij tijdelijke opslagplaatsen voor grond in Vlaanderen. Via Google Streetview en uit beschikkingen van de Nederlandse en Belgische autoriteiten ontdekken ze dat veel grond afkomstig is van allerlei bouwwerkzaamheden in België. Hun vermoedens worden bevestigd als ze in een bootje de Maas af varen en overal stukken oranje afzetgaas vinden – het soort dat in België bij wegwerkzaamheden wordt gebruikt.

Sinds de invoering van het Besluit bodemkwaliteit in 2008 is er geen vergunning meer nodig voor het storten van bagger en lichtvervuilde grond. Dat materiaal mag worden gebruikt als er een ‘nuttige toepassing’ is, zoals de aanleg van dijken en wegen. Het idee van dit beleid: geen nieuwe, primaire bouwstoffen verspillen als je ook veilig iets kunt bouwen van afval, zoals het slib uit havens, kanalen en sluizencomplexen, of grond die vrijkomt bij bouw- en graafwerkzaamheden.

Een veel gebruikte nuttige toepassing is het creëren van nieuwe natuur in oude zandwinputten. Deze putten zijn vaak tientallen meters diep, dus er kan veel grond en bagger in. Omdat op de bodem geen zonlicht doordringt en er op die diepte weinig zuurstof is, zijn die plassen toch maar een dode boel, is de redenering. Ondiepe plassen zouden veel aantrekkelijker zijn als leefgebied voor dieren en planten.

Naast natuurontwikkeling gaat het ook om geld. De eigenaren van de plassen en de baggerbedrijven verdienen aan het wegwerken van vuile grond en slib. Maar hoe lucratief dat is, blijft mistig. Volgens kenners van de markt ligt de opbrengst voor het wegwerken van vervuilde grond tussen de zeven en veertien euro per kuub. Ook in een aantal openbare aanbestedingen die online zijn te vinden, worden zulke bedragen genoemd. Herman van der Linde, directeur van Nederzand, de projectorganisatie voor de verondieping van het project Over de Maas, houdt het echter op twee kwartjes per kuub na aftrek van alle kosten. ‘Misschien dat de bedragen bij sterker vervuilde grond of op moeilijker bereikbare plassen hoger zijn, maar wij verdienen niet meer dan 56 cent per kuub.’ In de plas bij Alphen verdwijnt zo’n 5,5 miljoen kuub grond en bagger. Verondieping levert dus een bedrag op van minstens drie miljoen euro.

Aanvankelijk is het liberale bodembeleid een win-win-winsituatie: de baggeraars verdienen geld met het wegwerken van grond die men elders kwijt wil. De eigenaren van oude zandwinputten – zoals Staatsbosbeheer of de gemeente – krijgen ‘nieuwe natuur’. En Rijkswaterstaat kan het slib kwijt dat vrijkomt bij het uitbaggeren van rivieren, havens en sluizencomplexen, en bij het vergraven van de uiterwaarden in het kader van het project ‘Ruimte voor de rivier’.

‘In Zwitserland zou geen ecoloog het bedenken om vervuilde grond in meren te dumpen’

Maar in 2014 blijkt de bagger op. Er zijn zoveel verondiepingsprojecten opgezet (in 2014 zijn het er 71) dat er te weinig bagger uit de Nederlandse rivieren voorhanden is om al die natuurprojecten netjes en op tijd af te werken, staat in een rapport in opdracht van Rijkswaterstaat. De oplossing vinden de baggeraars in het buitenland. Uit cijfers van Rijkswaterstaat blijkt dat de hoeveelheid geïmporteerde slib steeg van 35.000 kuub in 2010 naar anderhalf miljoen kuub in 2017. Ook de invoer van lichtvervuilde grond bestemd voor nuttige toepassing in Nederland is gigantisch gestegen. In 2010 was het 33.000 ton. In 2016 was het meer dan 27 keer zoveel: 920.000 ton.

De herkomst blijkt uit beschikkingen die de Inspectie Leefomgeving en Transport afgeeft. Grondhandelaar BraBoB B.V. krijgt bijvoorbeeld op 9 maart 2017 toestemming om verdeeld over honderd transporten tweehonderdduizend ton grond ‘afkomstig van afgravingen van grond bij weg-, riool-, bouwwerkzaamheden, tuinbouw en groenvoorziening’ uit Duitsland in te voeren voor het project Over de Maas bij Alphen. En op 21 augustus 2017 150.000 ton ‘verontreinigde grond afkomstig van Grondrecyclage De Kempen in Grobbendonk’. Van dit soort beschikkingen zijn er honderden te vinden in de database van de Inspectie. Volgens Nederzand is import juist heel efficiënt, omdat het bedrijf ook zand verkoopt in België en dan niet met lege schepen hoeft terug te varen. ‘België ligt hier dichterbij dan Noord-Holland’, zegt directeur Van der Linde. ‘We moeten dit project binnen drie jaar afronden en we zijn volgens de vergunning die we kregen voor zandwinning verplicht om het gat gedeeltelijk weer op te vullen. Dat lukt niet alleen met materiaal uit Nederland. We moeten dus wel importeren.’

Maar is het eigenlijk wel nodig om plassen ondieper te maken? Wordt de natuur daar echt beter van? Volgens omwonenden van de andere plas in Dreumel niet. ‘Er wordt gezegd dat dankzij verondieping de bever en de kamsalamander terugkeren. Maar die dieren zitten hier al’, zegt Gert-Jan van Engelen van het burgercollectief in Dreumel. Uit een inventarisatie van het collectief in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen en de Radboud Universiteit, blijkt dat er tientallen zeldzame zoogdieren, amfibieën, vogels en vissen rond de plas zitten, zoals de das, de rivierprik, de tapuit en de visdief. Ook Fons Smolders, aquatisch ecoloog aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is sceptisch. ‘Eigenlijk geldt: hoe dieper de plas, hoe beter de waterkwaliteit. Juist door de diepte zakken voedingsstoffen naar de bodem, en hebben diepe plassen veel minder snel problemen met blauwalg. Bovendien zijn er juist ook vissoorten die baat hebben bij de diepte.’

Piet Spaak, aquatisch ecoloog aan het Eawag-instituut in Zwitserland en al 25 jaar weg uit Nederland, reageert verbaasd op het verondiepingsbeleid. ‘In Zwitserland zijn de meren nog veel dieper, maar er is geen ecoloog die het zou bedenken om vervuilde grond in meren te dumpen. Ik ken geen wetenschappelijk onderzoek dat zegt dat ondiepe meren een grotere natuurwaarde zouden hebben.’

Maar directeur Van der Linde van Nederzand ziet wel degelijk natuurverbetering. In de directiekeet naast de plas legt hij een stapeltje – in opdracht van de zandwinningsindustrie geschreven – rapporten op tafel die aantonen dat de natuur erop vooruitgaat door plassen ondieper te maken. Dat wil hij graag buiten laten zien. In de Mitsubishi Outlander van de directeur rijden we een rondje om de plas. Hollandser dan hier in het land van Maas en Waal wordt het landschap niet. De dijk slingert langs weilanden en molens. Van der Linde groet links en rechts passanten. Tussen de buien door vallen zilveren zonnestralen over de rivier. In de verte pendelt de pont tussen Alphen en Lith. ‘Kijk, daar leggen we een schaatsbaan aan, op verzoek van omwonenden. We storten niet de hele plas vol, maar we houden ook delen diep, als vangnet voor rivierslib. Op andere plekken creëren we eilandjes en inhammen. Daardoor krijg je veel meer oeverlengte, en aan die oever vind je de meeste natuur’, zegt hij, terwijl we langs een stel eenden rijden die tevreden in de plas dobberen.

‘Er zit nu te veel arseen in de bodem; die diepe putten staan in contact met het grondwater’

Verderop drijft een ponton, waarop een grote grijper grond vanuit een rivierschip in een trechter gooit, waarna het naar de bodem zakt. Het is deze activiteit die omwonenden het gevoel geeft dat de natuur in hun gemeente wordt gebruikt als afvoerputje voor buitenlandse vuile grond. ‘Maar zo moet je dat niet zien’, zegt Willem Jongsma even later in de bouwkeet. Jongsma is directeur bij Dekker, een grote zandwinner en mede-aandeelhouder in het project Over de Maas. ‘Op papier, juridisch gezien, is die grond tijdens het transport inderdaad afval, maar zodra hij hier gestort is in de plas, maakt het gewoon weer deel uit van de bodem.’

Maar wat vindt Nederzand ervan dat buurtbewoners een hoop troep langs de rivier vonden, en tot kilometers stroomafwaarts oranje plastic uit België? ‘Er kan ook rommel met de rivier meestromen’, zegt Jongsma. ‘Misschien waren het wel oranje plastic lawinenetten uit de Alpen. Maar we kunnen niet uitsluiten dat het bij ons vandaan komt. Daarom hebben we alles schoongemaakt en gebruiken we nu een stortkoker, zodat plastic niet meer in de rivier terecht kan komen.’ De staatssecretaris paste onlangs de wet aan. Bodemvreemd materiaal als piepschuim en plastic mag nu niet meer in de aangeleverde grond zitten. Van der Linde: ‘Grond uit België is niet vuiler dan het Nederlandse materiaal dat wij gebruiken. Voor chemische verontreiniging gelden dezelfde eisen. Daar kan niets mee misgaan.’

In de Hambroekplas bij het Gelderse Borculo, een zandwinplas, werd slib gestort waarna tempexbolletjes zijn komen bovendrijven © Herman Engbers

Joop Harmsen van Wageningen University schrikt zich rot als hij de stapel importbeschikkingen doorbladert. ‘Bagger uit het kanaal Gent-Terneuzen, uit Duisburg, allemaal niet de beste kwaliteit.’ Harmsen was als wetenschapper betrokken bij de totstandkoming van het vrijere slibstortbeleid dat verondieping vanaf 2008 mogelijk maakte. ‘Dat was bedoeld voor lokaal beschikbaar komende grond en bagger waarvoor een nuttige bestemming werd gezocht. En voor slib uit het Nederlandse rivierengebied. Daar kan niet zo veel mee misgaan, het is dezelfde soort bodem. Maar grootschalige import was nooit de bedoeling.’ Het is ook in strijd met het standstillprincipe, legt Harmsen uit. ‘Schuiven met grond mag, maar het milieu in het gebied moet er niet op achteruitgaan en bij voorkeur op vooruit. Maar nu exporteren we schoon, hoogwaardig materiaal dat uitstekend geschikt is als basis voor een natuurgebied, en we importeren risicovol vervuild materiaal.’

Er kunnen goede redenen zijn om een plas wel ondieper te maken, zegt Harmsen. Bijvoorbeeld als de oevers instabiel zijn. Maar gebruik je grond uit het buitenland alleen om nieuwe natuur te creëren, dan neem je risico’s. ‘Buitenlandse grond kan bijvoorbeeld meer kalk bevatten. Je weet niet hoe dat reageert met het water in Nederlandse plassen. Grond met veel voedingsstoffen geeft veel meer algengroei. In plaats van natuur creëer je dan groene soep.’

In het laboratorium van Deltares, op de derde verdieping van een kantoor op de Utrechtse universiteitscampus, staan vijf potten met zulke ‘groene soep’. De doorzichtige cilinders zijn gevuld met water en grond. Op een sticker staat de naam van de ‘verondiepte’ plas waar het water en bodem vandaan komen. Een paar potten zijn vrij helder, andere zijn gevuld met roodbruine of geelgroene drab. De cilinders bevatten een gepatenteerd systeem dat heel precies meet wat de effecten op de bodem zijn.

‘We zien welke chemische processen zich voltrekken wanneer bepaalde stoffen gebruikt worden bij verondieping’, legt milieuchemicus Jos Vink van Deltares uit. Jarenlang deed hij onderzoek, de resultaten liggen inmiddels bij de staatssecretaris en zijn conclusies zijn niet mals. ‘Onderzoek liet zien dat de eisen strenger moeten’, zegt Vink. Hij wijst op de cilinder met het troebelste water. ‘Volgens de oude maatstaven voldeed de grond die hier gestort is aan de eisen voor zware metalen. Toch blijkt er nu te veel arseen in de bodem te zitten. Dat wil je niet, omdat die diepe putten ook in contact staan met het grondwater.’

Als het aan Vink ligt, moet er een nieuwe test komen om te beoordelen of grond wel schoon genoeg is. Jarenlang hamerden hij en zijn collega’s op de risico’s van verondiepen met vuile grond. ‘Nu gaat de staatssecretaris met ons onderzoek de wetgeving aanpassen.’

Op 15 november 2012 zet het hoofd van de Polizia Provinciale in Bari een streep door de milieuvergunning van een steengroeve in de Zuid-Italiaanse provincie. Mijnbouwbedrijf Edilizia Mastrodonato wil gaten en spleten in de groeve vullen met afval, zoals restproducten uit de staalindustrie, steen-, kalk- en betonafval. Een nuttige toepassing volgens het bedrijf, want het was onderdeel van een milieuherstelplan. Maar de provinciale politie heeft haar twijfels. Na een reeks rechtszaken vraagt de Italiaanse Raad van State advies aan het Europees Hof van Justitie. Hoe zit dat nou met die nuttige toepassing?

‘Wat we nu zien is dat er onder het mom van natuur­herstel dubbel wordt verdiend’

Advocaat en hoogleraar milieurecht Gerrit van der Veen bestudeerde op verzoek van verontruste burgers uit Culemborg, waar ook slibstortplannen zijn, de uitspraak uit 2016. ‘Het Hof heeft twee voorwaarden om te kunnen spreken van nuttige toepassing’, zegt hij. ‘Ten eerste dat de steengroeve ook zou zijn opgevuld als er géén afval beschikbaar was, maar de eigenaar geld had moeten betalen voor nieuwe, primaire bouwstoffen als vulling. Als er eigenlijk vooral een verdienmodel zit in het wegwerken van afval, is dat een sterke aanwijzing dat er geen sprake is van nuttige toepassing. Ten tweede moet de afvalstof naar de nieuwste wetenschappelijke inzichten wel geschikt zijn voor het opvullen van die spleten.’ Van der Veen ziet duidelijke parallellen met het volstorten van de zandwinputten langs Nederlandse rivieren. ‘Zouden die ook worden verondiept als het geld kost in plaats van oplevert?’

‘Natuurlijk niet’, reageert Herman van der Linde van Nederzand. ‘Dat zou niet duurzaam en niet doelmatig zijn. Want dan zou je elders weer gaten moeten graven. Maar er komt nu eenmaal ook grond en bagger vrij die niet geschikt is als bouwmateriaal. Daar moet je ook een oplossing voor hebben. Die gebruiken we dus hier.’

Een stoet van vijftig vogelaars , wandel- en watersportliefhebbers en bezorgde burgers loopt op een warme nazomerdag door de uiterwaarden langs de Lek bij Culemborg. Insecten zoemen boven het stoffige pad. Vanuit een oude boom klinkt het gelach van een groene specht. Je kunt in de Redichemse Waard bevers, salamanders en lepelaars spotten. Er groeien lisdodden, gele lissen en zeldzaam fakkelgras.

Het zandpad slingert tussen de meidoorns richting een plas die is ontstaan door zandwinning in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Een half ingestorte betonnen aanlegsteiger herinnert aan de tijd dat de zandzuigers het metsel- en ophoogzand naar boven haalden. De plas wordt gebruikt door roeiers, zwemmers, zeilers en vissers. Maar een baggerbedrijf en een lokale ondernemer, wiens vader en opa in het verleden al eens werden veroordeeld omdat ze vervuild spoorgrind in de plas hadden gedumpt, willen de oude zandwinput ‘verondiepen’ met vervuilde grond, afkomstig van graafwerkzaamheden aan metrotunnels onder Parijs.

Recreanten vrezen dat de waterkwaliteit dan achteruitgaat en het gedaan is met zwemmen, roeien en kanoën. Ook in Culemborg wordt daarom luid geprotesteerd tegen de verondiepingsplannen.

De plannen voor de plas langs de Lek laten zien hoe ingewikkeld de bestuurlijke situatie rond verondieping is. De lokale ondernemer is de eigenaar van de plas, maar heeft die in erfpacht gegeven aan de gemeente, als onderdeel van een tientallen jaren oude afspraak om van de plas een recreatiegebied te maken. Van die plannen is nooit wat terechtgekomen. In plaats daarvan kreeg de ondernemer het stadsbestuur zo ver om het erfpachtcontract te verscheuren, zodat hij geld kon verdienen aan het storten van grond en bagger. Maar daar ging de gemeenteraad weer niet mee akkoord. De eigenaar van de plas dreigt nu met claims omdat hem al toezeggingen zijn gedaan door het college van burgemeester en wethouders. Een overleg tussen verontruste burgers, ondernemer en gemeente om tot een plan te komen waar iedereen blij mee is, zit muurvast.

Los van de ruzie tussen ondernemer, bewoners en stadsbestuur, heeft de gemeente ook nog invloed via het bestemmingsplan. De provincie is verantwoordelijk voor het natuurbeheer in de uiterwaarden van de Lek, terwijl Rijkswaterstaat gaat over de rivieroevers. Ook het waterschap heeft zeggenschap over plannen met de plas, die in contact staan met het grondwater. En dan bemoeiden in een verder verleden ook het polderschap, de stichting voor de Landbouw, Provinciale Waterstaat, de Kamer van Koophandel en Fabrieken en de Pachtkamer zich nog met de plannen voor zandwinning. ‘Het is een spaghetti van verschillende bestuurslagen die elk vanuit hun eigen deelbelang opereren’, zegt Maurits Sanders, expert Publiek-Private Samenwerking van Nyenrode Business Universiteit. ‘Zo’n situatie kan makkelijk ontsporen. Gevoelige thema’s zoals slibstort vragen daarom juist om een klare lijn vanuit de overheid. Dat voorkomt dat met het publieke belang aan de haal wordt gegaan door slimme ondernemers.’

Eind vorig jaar stuurde staatssecretaris Van Veldhoven een brief naar de Tweede Kamer waarin ze schrijft dat ze zorgen heeft over het gebruik van grond en bagger bij het verondiepen van zandwinputten. Maar ook dat zolang ‘de kwaliteit van de geïmporteerde grond voldoet aan de in Nederland gestelde eisen op grond van de Europese regelgeving geen beperking kan worden gesteld aan de import’. Maar er valt wel ‘een verbeterslag te realiseren’. ‘Ik wil dit gezamenlijk met alle betrokken partijen oppakken.’ Zo komt er onder meer een onderzoek naar de ecologie van de diepe plassen, zodat beter beoordeeld kan worden of verondieping wel echt zorgt voor natuurverbetering.

De Tweede Kamer kijkt kritisch mee. ‘Wat we nu zien is dat er onder het mom van natuurherstel dubbel wordt verdiend’, zegt Suzanne Kröger, Kamerlid voor GroenLinks. ‘Een diep kaal gat ondieper maken kan soms echt een verrijking zijn. En we moeten ook ergens heen met baggerslib. Maar vervuilde grond in een natuurgebied storten is echt iets anders. We moeten een betere definitie hebben van wat er wel en niet in mag zitten. Hier en daar een oude baksteen is prima, maar containers vol buitenlands bouwafval is natuurlijk niet de bedoeling.’


Dit artikel kwam tot stand met steun van Stichting Culemborg Nieuws en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl