Essay: Grote geesten bij Wim Kayzer

Van de schoonheid en de troost

«Wat maakt dit leven de moeite waard?» vroeg VPRO’s Wim Kayzer aan 29 wetenschappers, filosofen en kunstenaars. De antwoorden vormden eerst de tv-serie «Van de schoonheid en de troost» en zijn nu door de geïnterviewden tot boek bewerkt. Volgens Patricia de Martelaere loopt er een wonderlijke lijn door de antwoorden van deze «grote geesten».

The Naive and Sentimental Lover is de titel van een boek van John Le Carré, de bekende schrijver van spionageverhalen — al zou je er niet meteen een spionageverhaal achter zoeken. Pas tegen het einde van het boek kom je, uit de mond van de lover zelf, te weten dat het hier ook nog gaat om een verwijzing naar Schiller, die de adjectieven «naïef» en «sentimenteel» gebruikt om twee fundamenteel verschillende vormen van dichtkunst te karakteriseren.

De tegenstelling wordt bij Schiller bepaald door de verhouding van het creatieve talent tegenover de orde van de natuur. De «naïeve» kunstenaar ervaart zichzelf als een vanzelfsprekend onderdeel van de natuur, die hij bijgevolg geenszins idealiseert. Zijn creativiteit heeft een fundamenteel kinderlijk aspect — zoals een kind dat speelt, wordt hij geheel opgeslorpt door het object dat hem bezighoudt, waarbij zijn eigen subjectiviteit zo goed als uitgeschakeld wordt. Als zodanig is hij ongecompliceerd, onschuldig, en op een onvervreemdbare manier gelukkig — hij vertoeft nog in het paradijs van voor de zondeval, zonder enig besef van breuk of dreiging. Daartegenover staat de «sentimentele» persoonlijkheid, die zich pijnlijk verbannen weet uit de natuur en die de verloren eenheid probeert te herstellen door een artistiek ideaalbeeld te creëren.

Toegepast op schoonheid en troost zou je kunnen zeggen dat voor de naïeve mens de gedachte van troost wezenlijk inhoudsloos is, omdat er voor hem geen kwetsuur of verlies is geweest. Iedere emotionele cultus van schoon heid moet hem vreemd zijn, want hij is zelf een deel van datgene wat, door de sentimentele buitenstaander, als schoon wordt bewonderd. Kinderen kijken slechts terloops op naar de natuurpracht en de schitterende zonsondergang waarin ze zitten te spelen. Als ze troost nodig hebben, dan is dat voor de ongelukjes van het leven — een schaafwond, een gestorven huisdier, een ruzie met vriendjes — en niet voor een permanent metafysisch verdriet. Het zijn de ouders die, vanachter de ramen van hun ingerichte huiskamer, nostalgisch naar de kinderen en de natuur staan te kijken en vervuld worden door diepe treurnis over de vergankelijkheid van alle dingen.

Omdat doorgaans alleen volwassenen denken of schrijven over de verhouding tussen volwassenheid en kindertijd, of de kloof tussen mens en natuur, is de gangbare opinie dat de kinderen nog geen besef hebben van de tragiek van het leven, en dat ze daarom zo gelukkig kunnen zijn. Ze zijn nog niet tot de jaren des verstands gekomen, ze leven nog in een wereld van harmonie en illusie, en later, als ze groot zijn, zullen ze de harde waarheid onder ogen moeten zien en op hun beurt behoefte krijgen aan troost. Maar het is op zijn minst theoretisch mogelijk dat het de kinderen zijn of de naïeve persoonlijkheid in het algemeen die het bij het rechte eind hebben, en dat de behoefte aan troost alleen maar voortkomt uit een zelfgecreëerde tragiek en met name uit een onjuiste voorstelling van de plaats van de mens in het geheel der dingen.

Het is op zijn minst verwonderlijk dat niemand onder de «groten» die het woord krijgen in Het boek van de schoonheid en de troost (onder anderen Karel Appel, Stephen Jay Gould, Germaine Greer, György Konrád, George Steiner en Steven Weinberg) de sentimentele volwassenheid naast zich neerlegt en de kinderlijke naïviteit verdedigt — volgens Schiller (en vele anderen) nochtans het waarmerk van de echte genialiteit. Iedereen gaat er bijvoorbeeld met de grootste vanzelfsprekendheid vanuit dat wij getroost moeten worden, en wel omdat er iets verschrikkelijks is in de voorwaarden van het bestaan. Vrijwel iedereen verbindt dit verschrikkelijke met de gedachte aan de onafwendbare dood — niet de dood van de ons omringende planten of dieren, maar de dood van homo sapiens, die door zijn verdwijning zijn aanspraak op uniciteit zou kunnen verliezen.

Sommigen, zoals Stephen Jay Gould en Steven Weinberg, zien redenen tot tragiek in het «feit» — want het blijkt natuurlijk een feit — dat de hele natuur, de evolutie van het leven en het onmetelijke heelal verstoken zijn van iedere zin of doelgerichtheid. Dat zij dat weten is misschien wel een teken van volwassenheid, maar daartegenover staat dat ze er troost voor nodig hebben. Daarvoor doen ze dan toch weer een beroep op mythen, religieuze symbolen en artistieke creaties, waarvan zij, bij gebrek aan beter, voortaan de schoonheid in plaats van de waarheid zullen cultiveren. Hiermee plaatsen zij zich ongewild in het spoor van de romantiek. Ze houden een getormenteerde heroïek in stand die veeleer neigt naar het kinderachtige dan naar het kinderlijke. Denken we maar aan Nietzsches opvatting van de kunst als de cultus van de onwaarheid, de schijn en de leugen, en zijn verzuchting dat wij de kunst hebben «om niet aan de waarheid te moeten sterven». Naïef kun je deze zienswijze natuurlijk niet noemen; integendeel, ze etaleert een triomfantelijke hyperluciditeit in de radicale weigering zich door wat dan ook te laten bedriegen. Maar de behoefte aan bedrog kan kennelijk toch niet helemaal worden opgegeven. Het doet denken aan een al groter kind, dat trots is omdat het ontdekt heeft dat Sinterklaas niet bestaat, maar dat ’s nachts eigenhandig een snoepje in zijn schoen legt om zichzelf te troosten voor het grote gemis. Echte kinderen vertrouwen naïefweg op de goedheid van de Sint, terwijl je van echte volwassenen zou verwachten dat ze hun snoepjes gewoon uit de kast nemen en de mooie verhalen, waarin ze toch niet langer geloven, overbodig achten.

«Er is geen schepper, dus moeten we zelf het leven zin geven», zegt de bioloog Stephen Jay Gould, een van de eersten aan het woord. Hij was het ook die de combinatie «schitterend ongeluk» bedacht voor het verschijnen van de homo sapiens in de evolutie. «We leven in een universum dat niet werkt zoals wij zouden willen — waarom zou het? Het is niet voor ons gebouwd», vertelt Gould ons met de grootste stelligheid. Hij gaat verder: «Als we geen zingeving kunnen vinden in de natuur, dan moeten we hem zelf maar bedenken. We hebben troost nodig omdat onze grote hersenen over onze aanwezigheid hier kunnen nadenken. Gelukkig zijn diezelfde grote hersenen zowel de ontdekkers van de droeve waarheid als de leveranciers van imaginaire creaties waaraan wij ons kunnen overgeven.» De mooiste is volgens Gould de religie: «Ik weet geen betere belichaming van onze behoefte aan troost dan het verzinnen van een mythe van een almachtige God die een deel van zichzelf zo zwak en menselijk maakt dat hij aan het kruis afschuwelijk lijdt, bloedt en sterft, om ons te verlossen van onze zonden… dat is een schitterend verhaal. Dat is troost.»

Hoe een volwassene het voor elkaar krijgt om troost te blijven putten uit verhalen waarvan hij stellig weet dat ze onwaar zijn, is een probleem dat Gould zonder meer terzijde schuift. Of bedoelt hij dat alleen de gelovigen zich door deze verhalen kunnen laten troosten? Maar voor de echte gelovigen gaan de premissen niet op (de zinledigheid van de natuur), zodat ze eigenlijk geen troost nodig hebben.

Dezelfde redenering past Gould toe op de dood: «Sterven is vreselijk. Er ligt geen enkele troost in.» «Daarom construeren we kunst, religie en allerlei andere instituties als even zovele manieren om om te gaan met de dood.» «Onsterfelijkheid is een concept dat we uitgevonden hebben omdat de dood zo vreselijk is.»

Met deze uitspraken lijkt de toonaard van het boek bepaald. Vrijwel alle vooraanstaanden in de wetenschappen, de kunsten en de letteren houden zich groot in het aanschijn van de naakte waarheid, maar weten zich achter de schermen geen blijf met de menselijke sterfelijkheid noch met de plaats van de mens in het onmetelijke heelal. Velen laten zich uiterst persoonlijke ontboezemingen ontlokken (het grote talent van Wim Kayzer, ontlokker dezes), die steevast te maken hebben met het overlijden van vader, moeder, broer of zus, partner, kind of geliefde. Stephen Jay Gould betreurt de dood van zijn vader en zijn broer; Marten Toonder die van zijn tweede vrouw; Jane Goodall die van haar man; Martha Nussbaum die van haar beide ouders; Elisabeth Loftus die van haar moeder.

Het schrijnendst zijn de fragmenten van Marten Toonder («Herinneringen zonder troost») over de nachtelijke wandeling met zijn inmiddels overleden vrouw, en van de geheugendeskundige Elisabeth Loftus («Lieve moeder») die veertien was toen haar moeder zelfmoord pleegde en die haar dagboeken uit die periode opdiept. Martha Nussbaum gaat wat subtieler en artistieker te werk en etaleert zichzelf in een autobiografisch filosofisch toneelstuk naar aanleiding van de dood van haar ouders, dat de discrepantie toont tussen haar filosofische opvattingen over emoties en haar nog onverwerkte gevoelens.

Natuurlijk zijn al deze getuigenissen diep menselijk en ontroerend, en spreken zij ons aan in het diepst van ons sentimentele gemoed. Maar je kunt je afvragen of er niet, vanuit een ruimer perspectief, iets sereners kan worden gezegd, dat buiten de categorieën valt van menselijk verdriet en kosmische onverschilligheid. Blijkbaar niet. Zoals György Konrád het verwoordt: «Dat is belangrijk: we verlangen naar eeuwigheid. Daarom scheppen we voor onszelf de hemel en allerlei utopieën, allerlei verlossingen en hoop in het universum. Omdat we ons niet kunnen verzoenen met het idee dat we in de aarde zullen eindigen voor een rendez-vous met de wormen. Het biologische proces biedt geen troost aan de waardigheid van ons ego.»

In de serie interviews klinken slechts twee wezenlijk verschillende geluiden, en dan nog vanuit twee heel uiteenlopende hoeken. Het ene komt van de onomstreden vioolvirtuoos Yehudi Menuhin, die kort daarna overleed; het andere van de minder bekende biologe en chimpansee-specialiste Jane Goodall.

Menuhins getuigenis is superieur, onthecht en sereen — maar misschien een tikkeltje geposeerd. Voor hem, om te beginnen, geen harde «feiten» waarvoor wij troost nodig hebben: «Ik weet dat er een wet is die het universum regeert, die moraal en structuur in zich draagt, maar ik zie de schepper niet als een mens. Ik herken die wet in alles wat mooi is, of het nu een schilderij, een foto of de natuur zelf is. Alles in de wereld is doortrokken van het spirituele, of het nu een tekst, een mens of een natuurwet is.» In plaats van de verschrikking van de dood ziet Menuhin overal tekenen van een diepe, maar onpersoonlijke onsterfelijkheid: «We kunnen veranderd worden — we veranderen voortdurend van vorm — maar we kunnen niet worden vernietigd. De materie waaruit we bestaan blijft, zij het dat haar verschijningsvorm telkens opnieuw verandert. Wat sterft, luidt de geboorte van iets anders in.» Geen wonder dat er voor hem geen nood is aan troost als illusie, maar plaats voor een diepe gelukservaring in de verbondenheid met het ons omringende geheel: «Gelukkig zijn, troost vinden, betekent dat je deel wordt van een groter geheel waarvan je je een onderdeel voelt, een onderdeel dat er natuurlijkerwijs bij hoort.»

Het verhaal van Jane Goodall leeft meer en is zoekender — in tal van opzichten «jonger». «Talloze mensen zijn er zeker van dat er geen bedoeling schuilgaat achter het ontstaan van onze soort (en van alle andere) op deze aarde. Zij geloven dat alle wonderen van de wereld der natuur, de oneindigheid van het heelal en de geboorte van al die ongelooflijke menselijke geesten die zoveel geleerd hebben en zoveel schitterende dingen tot stand hebben gebracht, zijn voortgekomen uit toevallige combinaties van chemische stoffen, uit blinde biologische krachten. Ik kon dat niet geloven.»

Jane Goodall zoekt het, in tegenstelling tot de mensen van de wetenschappen, de cultuur en de letteren, in de meest ongerepte natuur die voor homo sapiens denkbaar is: de natuur zonder homo sapiens. Zij aarzelt niet om het te hebben over een grote spirituele Kracht die alles doordringt en die haar fundamenteel op gelijke voet plaatst met de bomen, de chimpansees, het water en de sterren. «We zijn niet in staat om de eeuwigheid of het oneindige te doorgronden — volgens mij kunnen we dat met onze beperkte geest niet. Maar we kunnen wel zoeken naar betekenis, we kunnen vragen stellen over onze levensreis hier op aarde. De sterren vervullen me altijd met een gevoel van eerbied en ontzag. De momenten op de Bergtop waren van een intense schoonheid; mystiek en magisch. Dan besefte ik plotseling: ‹Ik, Jane, ben hier echt. Hoe kan ik zoveel geluk hebben gehad dat ik hier ben op deze top, alleen in deze fantastische wereld?›»

Wanneer haar man Derek sterft is ze natuurlijk, zoals ieder mens (en volgens haar ook sommige chimpansees), diep bedroefd, maar toch ziet ze de dood in een ander licht dan dat van het definitieve einde van het leven: «Ik keek naar een omgevallen boom. Hij was dood, maar hij gaf leven aan een massa planten. Insecten en andere wezens deden zich tegoed aan zijn overvloed. Het bos is een constante cyclus van leven en dood. Het leven ontspringt aan de dood — ik bezag de dood in een nieuw licht, als een deel van het leven.»

Buitengewoon mooi is haar beschrijving van de vlieg die op haar arm landt en waarvan de verbluffende schoonheid haar in een quasi-mystiek moment overvalt. «Het was een schitterend mooi insect, glanzend groen en goud en rood, met gouden haren op zijn onderlijf en gloeiend rode ogen. Het is nog nooit beschreven. Dat wist ik zo goed als zeker. Toen ik ernaar keek, dacht ik: als chimpansees naar zo’n vlieg kijken, hebben ze er geen woord voor, ze gebruiken niet het woord ‹vlieg›. Ze kennen zonder twijfel het concept ‹vlieg›, maar ze kijken naar dit wezen zonder zich af te vragen wát het is. Ik stelde me voor hoe dat zou zijn. En toen ik het woord ‹vlieg› losmaakte van het insect, besefte ik dat de daad van het categoriseren — ‹dit is een vlieg› — iets aan de schoonheid afdeed. Ik keek naar het kleine wezen dat mijn moment in tijd en ruimte deelde. En het gevoel was heel anders toen het woord weg was: ik had een gevoel van ontzag en verwondering voor het mysterie van de schepping.»

Bijna potsierlijk hiertegenover klinkt de pathetische verzuchting van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty dat je een wereld met nog één enkele roos metafysisch «beter» zou moeten noemen dan een wereld die beroofd zou zijn van alle leven — des te potsierlijker omdat een van zijn grote passies (waar hij troost en schoonheid in vindt) het verzamelen is van (dode) motten. «Dat doe je overigens door een mengsel van stroop en bier op bomen te smeren; als het donker is komen de motten zich tegoed doen. Ze worden dronken en plakken vast. Vervolgens kun je ze makkelijk vangen, met ether verdoven en op een bord prikken.» Van levende natuur gesproken.

Zijn Britse collega Roger Scruton doet in niets voor hem onder, en maakt zich schuldig aan dezelfde misplaatste romantiek en dezelfde groteske inconsistentie. Ook hij moet getroost worden voor de verbanning uit de natuur en put de grootste kracht uit een troost die, naar zijn eigen zeggen, «in de natuur zelf besloten ligt». Hij vervolgt: «Hij [deze troost] komt het meest hartverwarmend tot ons via de dieren, als we onze morele lasten even afleggen en delen in hun schuldeloze plezier. Het is een troost die slechts ten dele de pijn van het bewustzijn verzacht, maar hij heeft het voordeel dat je er openlijk, zelfs in het daglicht, genoegen aan kunt beleven. Zo’n troost is de jacht.» Je houdt het niet voor mogelijk.

Consistent en volkomen no-nonsense is daarentegen Steven Weinbergs geloofsbelijdenis: hij verklaart dat hij op morele gronden voor de wetenschap kiest en iedere vorm van bijgeloof radicaal afzweert. «We weten nu hoe de wonderlijke aanpassingen van levende wezens — dat we kunnen zien en horen en lopen en ademen — hoe al die dingen zich hebben kunnen ontwikkelen zonder enig plan, zonder enige leidende hand, zonder een ons goedgezinde bovenmeester, maar in plaats daarvan door een lange sequentie van voortplanten en dood, waaruit zich een aantal kenmerken ontwikkelde dat gunstig was voor ons overleven. Het resultaat zien we om ons heen.»

Niet dat hij het er niet moeilijk mee heeft: «Het is ontmoedigend dat de mens niet de ster is van een kosmisch drama dat vanaf het begin gepland is, maar onderdeel is van een wereld die door onpersoonlijke krachten beheerst wordt, een wereld waarin wij zelf, onze intelligentie, alles wat ons na aan het hart ligt, niet van fundamenteel belang is, waarin alles op het meest fundamentele niveau enkel geregeerd wordt door onpersoonlijke wiskundige vergelijkingen.» Maar feiten zijn nu eenmaal feiten, vindt Weinberg, en hij besluit met de onvervalste heroïek van de ware volwassene: «De keuze om de wereld zoals men die in een ver verleden zag op te geven — een wereld waar in Thor, Jupiter of Jehova bliksemschichten naar de aarde wierpen, waarin we door goddelijke wezens werden omringd, waarin elk mens zijn rol speelde in een drama dat door bovennatuurlijke wezens werd geregisseerd — die keuze om dat alles achter je te laten is een keuze waarover je een zekere trots kunt voelen. Dat is misschien een schrale troost voor wat we hebben moeten opgeven, voor de onttovering over de wereld. Maar er ligt tenminste enige troost in het feit dat we naar de wereld kunnen kijken zoals hij zich aan ons voordoet, de wereld zoals hij is, en dat we niet langer kijken naar de wereld zoals we hem graag zouden willen zien.»

Wat jammer toch voor Jane Goodall dat ze de wereld niet ziet zoals ze is. Hoewel, is het niet mogelijk, althans in principe, dat Jane Goodall, met haar chimpansees en haar bomen, haar waterval en de vlieg op haar arm, meer van de ware aard van de werkelijkheid heeft begrepen dan Weinberg met zijn oerknal en zijn Nobelprijs? Al zal dat wel weer een naïeve gedachte zijn.

Wim Kayzer, Het boek van de schoonheid en de troost. Uitg. Contact, 336 blz., ƒ69,90