Van de straat

Iedereen heeft wel van die woorden, heel doodgewone woorden, die je niet over de lippen willen komen. Het gaat niet eens om vieze woorden of grove of die bij een duidelijk afgebakende klasse horen. Nee, het zijn woorden of uitdrukkingen die bij het Algemeen Beschaafd horen.

Ik moet er wel eens om lachen, om die lijstjes die we vroeger maakten van welke woorden er niet door de beugel konden: mantel, gebakje, toilet… Wat een heerlijk gevoel van eigendunk, wat een gezegende afbakening van de eigen groep. Nu kan het me geen duit meer schelen wie wat zegt, zolang ze maar niet op de stoep fietsen. Maar toch zijn er twee uitdrukkingen die me elke keer weer een gevoel van onbehagen geven, ik weet niet waarover, ik weet niet waarvandaan. Het zijn de woorden: doet u mij maar… en het woordje bedankt. Het eerste kom je tegen in televisiespelletjes waar mensen prijzen van duizenden en duizenden guldens wegslepen als ze op de juiste knop hebben gedrukt, de juiste bal hebben geraapt, of weten dat het synoniem voor mantel, beginnend met een j, jas is, of het synoniem voor gebakje, beginnend met een t, taartje. Ze mogen dan als beloning bijvoorbeeld voor duizenden guldens kiezen tussen een wasmachine en een afwasmachine, een auto of een keuken, een staafmixer of een haardroger. Steevast zeggen de winnaars met droge ogen: Doet u mij maar een auto; en doet u mij ook maar een vliegvakantie. Op zulke momenten sta ik versteld. Ik weet dat men in Nederland op veel recht heeft, maar dat dat ook tot in de wortels van de taal is doorgegroeid, schokt me altijd opnieuw. En dan het woordje bedankt. Dat is voor mij een woordje dat eigenlijk niet wil bestaan. Het klinkt alsof je een loopje neemt met degeen die je bedankt, met de automobilist die je afsnijdt, met de verse krant die je verfrommeld terugkrijgt uit de ‘leen’, met de koffie die op het schoteltje is gemorst. Als je bedankt zegt tegen de wegenwacht die je bombine vochtvrij heeft gewreven, tegen de loodgieter die je gootsteen heeft ontstopt, tegen de tafelgenoot die je glas bijschenkt, laat je eigenlijk weten dat ze prutswerk hebben verricht, dat het de moeite van het bedanken niet waard was. Je zegt: Dank u, dank je. Gek is dat, zo'n persoonlijke frustratie. En laat ik het woord nu toch ook steeds vaker zien opduiken in overlijdensadvertenties. Eerst hadden we woorden uit Psalmen, of Prediker, die de overledene uitgeleide deden. Daarna kwamen de gedichten van Vasalis. Nog weer later werden de overledenen toegesproken voor het geval dat ze nog terug zouden keren, en de laatste tijd zie ik boven de naam van de overledene bedankt staan. Bedankt, Wim; Bedankt Marijke. Bedankt voor wat? Voor dat ze de pijp aan Maarten hebben gegeven? Voor de stemmige begrafenis? Voor dat ze maar een kort ziekbed hebben gehad? Natuurlijk niet. Bedankt voor hun voortreffelijke persoonlijkheid, bestaan, wezen etc. Het klinkt alsof ze broddelwerk hebben geleverd. Je hoopt maar dat ze dat niet in hun oren hoeven knopen.