Van de straat

Het is tijd om het eens over de zee en de dichtkunst te hebben. Niet de dichtkunst van onze gelauwerde tijdschriftdichters, maar de Hollandse poëzie van straat en rijm.

Op het servetje van de haring die ik afgelopen zaterdag op de brug over de Prinsengracht at, stond geschreven: de zee is vol ideeën en ik moest dat beamen. De zon glinsterde koud op het water van de gracht, op de daken lag nog wat bevroren sneeuw en de mensen leken goedgemutst. Ik had ze wel toe willen roepen wat er allemaal vol heerlijke ideeën op mijn servetje stonden: kabeljauw met wortel, ananas met makreel, scholfilet met appel, asperges met garnalen, saté van venusschelpen, bladerdeeg met rode poon, zalm met champignons, mayonaise met kreeft, stokbroodje met paling, zeeduivel met broccoli, haring met uitjes. Om dat laatste ging het natuurlijk. Ooit is er een Amsterdamse wethouder geweest die vond dat de haringkarren het stadsbeeld verpestten. Ik denk dat Het Tweede Palingoproer was uitgebroken als zij haar zin had gekregen. De visboer van de kar op de Prinsengracht die in zijn zeeën geen ideeën ving, maar overheerlijke haring, had sowieso al een dichterlijke geest. Behalve de servetjes had hij trots boven zijn nering het rijm prijken: Kneppers haring is een openbaring. Het ís dichtkunst, hoe je het wendt of keert en het heeft net iets meer originaliteit dan de verzen van de familie De Wilde uit Woutertje Pieterse die ’…jawel! Lucas de Wilde, Louwtje de Wilde, Wimpje de Wilde, Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen met eenstemmigheid verklaarden dat godsdienst, vriendschap, hengelen, dromen, bloemkool en goochelen schone zaken waren, die veel vermaak gaven aan ’t mensdom.’ Meester Pennewip zou Knepper de prijs geven, al zou hij er enige vermanende woorden bijvoegen aangaande het lichtzinnig en onkerkelijk gebruik van het woord ‘openbaring’. Enfin, de dichtkunst kan veel hebben. Het is gaaf rijm, daar op de Prinsengracht. De haringkar op de brug over de Singelgracht daarentegen brengt de beoordelaar in moeilijkheden: De haring van Yvonne eet je bij tonne. Wat er ook van gezegd kan worden, het is in ieder geval een vrijer vers, persoonlijker ook dan dat van Knepper. Het gebruik van de meisjesvoornaam geeft iets intiems aan, alsof het haringeten gelijk staat aan het hof maken. De afwijkende meervoudsvorm tonne zonder -n kan op bewust naïef taalgebruik wijzen, waarbij nog meespeelt dat het woord zowel kan duiden op de harington zelf, als op de gewichtsmaat. Al met al is het een voorbeeld van meesterlijk eenvoudige volkspoëzie. Dit alles overwegende besloot ik dat het verschijnsel haringkar an sich tot de beste poëzie van ons land behoort. Niet alleen vanwege het rijm in top, maar ook door de aan geen mode onderhevige rechte vorm, de vlaggetjes, de man en vrouw die zij aan zij weer en wind trotseren, de ondoorzichtige sluitingstijden, de schijn van verplaatsbaarheid en de verbleekte, in de wind wapperende posters van alle zoutwatervissen. Hier is niets gekunsteld of verheven. Hier lust men de poëzie rauw.