Van de straat

Ik wil het even hebben over de bekering van meneer Duyvis.

Vorig jaar om deze tijd maakte meneer Duyvis het te bont. Omdat hij altijd een favoriet van mij is geweest vanwege het rijmwoord Duyvis-fuif is, moest ik hem toen berispen. Niet alleen omdat hij het top-rijm had laten vallen, maar ook omdat hij zijn zaakjes geheel aan de jongens van de Bahama’s overliet, die de zaak versteerden door met grof geweld aan te komen. Wham!! In geval van noot bij lekkere trek, heette het toen. Inmiddels is meneer Duyvis van zijn visstek teruggekeerd en tot rede gekomen. Hij heeft het heft weer in handen genomen. Hij zag dat die jongens van de Bahama’s wel van het geld dat ze aan hem verdienden, dure tweede huizen met zware hypotheken kochten, maar dat hijzelf geen noot meer had verkocht dankzij hun gewelddadige teksten. Dus vlogen ze eruit en heeft meneer Duyvis zelf weer de aantrekkelijke teksten bedacht die zijn producten wereldberoemd in Doetinchem en omstreken maakten. Van je fouten leer je. Wars van alle moderne fratsen heeft meneer Duyvis het dit keer dicht bij huis gezocht. Hij dacht: waar voel ik me het meest thuis, in welke omgeving snak ik naar een borrelnootje? Zo kwam hij vanzelf terecht bij zijn oude vriendenclub, die stuk voor stuk goed hadden geboerd in snoepgoed, soepen in blik en puddinkjes en van een welverdiend vijfenzestig plús bestaan genoten. Wij, de doelgroep van meneer Duyvis, zien een aantal heren gezellig bijeen zitten. Diepe leren fauteuils, aan de wand een enkel hertegewei en in de hand een vierkant glas whisky. Op de grond voor de open haard de huid van het laatste Tanzaniaanse jachtluipaard dat samen met prins Bernhard voor het Wereld Natuur Fonds is neergelegd. En daar komt de knecht van meneer Duyvis binnen om op de ons vertrouwde, opdringerige manier zijn nootjes aan te prijzen. Het is net een kinderboek. We kennen het verhaal al, maar we willen het elke keer op precies dezelfde manier horen. De heren leggen de hinderlijk storende knecht om, hij komt terecht als een buit gemaakt Tanzaniaans jachtluipaard voor de open haard, en spreekt de voortreffelijke, eeuwigdurende woorden: Heren, heren, ik moet nu toch effe vragen aan meneer Duyvis of er elders nog een fuif is. Alles is weer bij het oude. Doek. Maar helaas, helaas kan een bekering nooit zo volledig zijn dat er niet hardnekkige resten van het vorige geloof blijven hangen. Meneer Duyvis heeft toch íets opgestoken van de gewelddadige aanpak van de jongens van de Bahama’s. Het moeilijkst voor elke schrijver, dus ook voor een tekstschrijver als meneer Duyvis, is te weten wanneer hij ergens een punt moet zetten, wanneer het genoeg en precies goed is en elk volgend woord het effect van alle voorafgaande teniet kan doen. Meneer Duyvis laat, nadat de onsterfelijke woorden van de hinderlijke knecht zijn weggestorven, een van de heren in de leren fauteuils zeggen: Toch mooi voor z'n noten geschoten, hè? Jammer, meneer Duyvis, héél jammer. Net niet op tijd opgehouden. (slot)