Van de straat

Er is weer een nest bij gekomen. Er zijn er nu drie in mijn straat. Horen en zien vergaat je. Het is een komen en gaan en ik loop er met de hond met een grote boog omheen.

Studenten bedoel ik, nesten van meisjesstudenten. Ze wonen in dispuutshuizen, heb ik me laten vertellen. Daar leren ze elkaar vliegen en als ze genoeg hebben geoefend gaat ieder haars weegs en komen er nieuwe jonkies. Het is een mooi gezicht voor wie er van houdt. Laatst waren ze plotseling allemaal verzameld op de brug over de Reguliersgracht. Ze stonden daar te kwetteren en te pronken met hun jonge veren dat het een lieve lust was. Tussen hen in stonden verdwaald volwassen mannen die zich geen raad wisten. Dat waren hun vaders, werd me verteld, ze hielden regelmatig vaderdag. Ook moederdag? Vieren ze ook regelmatig moederdag? Nee, alleen vaderdag. Want vaders zijn er om mee te pronken, met moeders wordt de strijd nog gevoerd. ’t Zijn aardige meiden, maar vreemd genoeg líjken ze allemaal op elkaar, jaar in, jaar uit. Ze zijn lang, ze hebben lange blonde haren en lange stevige fietsbenen. Er is nooit iemand bij die je zou kunnen onthóuden. Maar het meest opvallend zijn hun stemmen. Ze praten met elkaar of de ander aan de overkant van het IJ woont. Heel gewone mededelingen aan elkaar worden door de straat geschreeuwd als waren het de beurskoersen. Nee, het is niet eens schreeuwen, het is een soort hoog brullen, helder en doordringend. Iemand bij wie ik mijn nood klaagde over die stemvolumes knikte begrijpend en zei: Verre velders. Mijn begripsvolle zegsvrouwe had vroeger op de sportacademie gezeten en legde uit dat ‘verre velders’ de meisjes waren die op gindse velden hockeyden. Het maakte veel duidelijk. De 'verre velders’ in mijn straat zijn een probleem aan het worden. Ze nemen allemaal fietsen mee, in de kleur van het dispuut, en die fietsen blokkeren de stoepen. Dat is niet erg, want in Amsterdam is er, sinds de Amsterdammertjes er zijn gekomen, geen mens meer die achter die paaltjes op de stoepen loopt. Je loopt in Amsterdam op de rijweg en je fietst op de stoep. Binnen een mum van tijd hebben de verre velders dat door. Zo werd ik laatst bijna van de sokken gereden door een groepje verre velders dat geweldig brullend om de hoek bij Albert Heijn kwam gefietst. Op de stoep. Ik zei: 'Even dimmen, meiden.’ Het was even stil. Toen zei één verre velder, lang blond haar, lange stevige benen en een stem als een snijdende oostenwind, windkracht tien: 'Zo? Gaan we nog assertief worden op onze leeftijd?’ Ik stond op mijn beurt even perplex. Toen liep ik al lachend Albert Heijn binnen. Die verre velders toch, die hadden het woord 'assertiviteit’ met de moedermelk binnengekregen. Ze zouden allemaal een rijke man trouwen en geslaagde kinderen krijgen en in het jaar 2020 vormt het gebrek aan ruimte niet meer het grootste probleem van de overbevolking, maar het ontbreken van normale mensenstemmen.