Van de straat

Ze moeten mij hebben, ik weet het zeker.

Ik weet niet waarom, ik heb er helemaal geen behoefte aan om zo aangesproken te worden, ik ben me van geen kwaad bewust en leef heel tevreden. Elke dag ga ik naar Albert Heijn en let daar op de kleintjes, ik fiets wel eens door de stad, ik loop wel eens met mijn hond in de buurt, maar verder doe ik er alles voor om onopgemerkt te blijven. Ik heb genoeg te doen, ik zit nergens om verlegen. En toch is het iedere keer weer raak. Er wordt me op straat van alles gevraagd. Wie ben jij? vraagt een sigarettenfabrikant me levensgroot als ik me even op het Weteringcircuit waag. Daar heb je het weer, wie ben ik? Ik heb daar niet zo een twee drie een antwoord op en zeker niet zomaar in het wilde weg. Ik weet mijn huisnummer en mijn pincode en mijn telefoonnummer en daar red ik het aardig mee. Ook reageer ik op mijn naam, maar dat zorgt nog wel eens voor verwarring want veel honden in het Vondelpark hebben dezelfde naam als ik. Maar wie ik ben? Ik zou het niet weten. Laatst in Rotterdam werd ik weer op die manier lastig gevallen. Ben jij mens genoeg om ons uniform te dragen? vroeg de politie van Rotterdam-Rijnmond me. Dat zou ik niet weten. ’t Overrompelde me nogal. Voor mezelf zou ik de vraag kunnen beamen. Ja hoor, ik ben mens genoeg voor mezelf en voor nog een beperkt aantal anderen en voor mijn hond. Maar of ik het genoeg ben voor de politie van Rotterdam- Rijnmond? Of om een uniform te dragen? Daar zou ik mijn hand niet voor in het vuur willen steken. Ik vind het een en al verwarring wat ze bij me zaaien. De Amsterdamse politie heeft een wat mildere aanpak, maar misschien is dat maar schijn. Ze stellen: Jezelf zijn in uniform. Eigenlijk is de politie in Amsterdam geniepiger. Want wanneer ben ik mezelf? Alleen als ik slaap? Alleen als ik bloot ben? Mijn hond draagt nooit een regendekje. Ook geen strikje in het haar. Stel dat ik mijn hond zou aankleden in een livrei-jasje? Zou hij dan het gevoel hebben zichzelf te zijn? Ik dacht het niet. Misschien voelen poltiemensen dat niet zo. Misschien vinden die een uniform of een livrei-jasje wel perfect passen bij hun manier van zich zelf zijn. Die sigarettenfabrikant bijvoorbeeld maakt de sigaretten die ikzelf ook rook. Onder de knallende vraag: Wie ben jij?, staat in kleine rode letters voor aarzelaars als ik het antwoord: Be an original. Eerst was ik opgelucht dat ik nu tenminste wist waar ik aan toe was. Maar ik was het Weteringcircuit nog niet rondgereden of de schrik sloeg me om het hart. Ik wist niet hoe ik dat moest doen, een origineel zijn. Ik was slechts een van de velen die aan het roken zullen sterven, als ze al niet door de politie zullen worden ingerekend, omdat ze roken op straat.