Van de straat

Niets is treuriger dan je te hebben gehaast en de achterlichten van de trein die je wilde halen te zien verdwijnen onder de overkapping van het station. Natuurlijk, je moet wachten, er kan nog een andere trein komen, zoals er bij onbewaakte spoorwegovergangen staat, maar niets kan het gevoel goedmaken dat je op dat moment overvalt: alles is vergeefs, we zien elkaar nooit meer terug.

Ik nam plaats op een van de harde banken op het perron. Daar zat al iemand, een man uit een ver buitenland. Lekker zitje, zei hij troostend. Ik knikte. Het waren goed bedoelde woorden. Maar toen bedacht ik dat ik die woorden al eens eerder had gehoord of gezien. Ik draafde door mijn herinnering en kwam tot stilstand bij de Albert Cuyp, hoek Van Woustraat. Daar was een bankje aan de muur bevestigd en daarboven had een dichterlijk buurtcomité geschreven: Zit je lekker? Lekker zitje. De man naast mij zag eruit of hij wel eens op de Albert Cuyp kwam. Daar voelde hij zich waarschijnlijk het meeste thuis. Ik stelde me voor hoe hij dagelijks naar de markt ging, daar wat rondhing, wat garnalen kocht, een praatje maakte met anderen uit verre buitenlanden en hoe zijn blik lang was blijven haken op de op de muur geschilderde tekst. Je moet hoe dan ook je taal van de muren halen in een vreemde stad. En toen hij de woordspeling eenmaal had begrepen gebruikte hij hem te pas en te onpas. Als hij ergens ging zitten, zei hij vriendelijk: lekker zitje. Moest ik hem nu gaan uitleggen dat dat eigenlijk helemaal geen uitdrukking was die de mensen gebruikten als ze gingen zitten? Je hoort op de radio wel eens programma’s waarin buitenlanders uitleggen wat hen zo vreemd voorkomt in Nederland. Daar duikt steevast het koekje-bij-de-thee in op. Buitenlanders verwonderen zich over het feit dat men hier in Nederland slechts één koekje bij thee of koffie krijgt. In hun eigen land doet niemand een koekje bij de thee. Als er koek wordt gegeten, is het meteen een hele schaal vol. Ik kan me die verbazing wel voorstellen. Maar er is een veel vreemder gewoonte in zwang bij de Nederlanders, waar de man naast mij op het perronbankje kennelijk nog niet aan was gewend. Of had hij het zo vreemd gevonden dat hij er geen aandacht aan had geschonken? Het wás helemaal niet lekker zitje als je ging zitten. Was het maar waar. Dat was slechts een dichterlijke opwelling geweest, een relict uit de jaren zestig, toen de eerste geschreven boodschappen op de muren van de stad verschenen, toen het wildplakken begon. Wat de Nederlander echter, sinds de dagen van de Republiek der Zeven Provinciën, ten tijde van het Stadhouderschap en de Bataafsche Republiek, tot aan de Constitutionele Monarchie van het Huis van Oranje, te pas en te onpas zegt als hij gaat zitten, is: Hè, hè.