Van de straat

Het is zaak goed op onze woorden te letten. Voordat je het weet ben je er een paar kwijt.

Over nieuwe woorden hoef je je geen zorgen te maken; die worden aan de lopende band geboren. Ze mogen eerst een tijdje los rondlopen, maar dan krijgen ze rubrieken in de krant, gaan ze van hand tot hand, en even later zetten ze zo'n grote mond op dat je niet beter weet of ze zijn er altijd geweest. In de politiek ontstaan veel zulke woorden. Maar de oude, die beduimeld en vertrouwd zijn, die oude regenjassen en tweedjasjes dragen, die zijn op een doordeweekse dag gewoon begraven of met het vuil meegegeven en nooit, nooit zie je ze weer terug. Zo moest bijvoorbeeld het woord ijdel in de betekenis van ‘ledig’, 'zinloos’, in de opruiming worden gedaan. 'IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, alles is ijdelheid.’ Men vond het te moeilijk voor de mensen. De Goed Nieuws Bijbel vertaalde het vers al met: 'IJl en vluchtig, zonder zin, nutteloos is alles’, maar ook dat werd nog te ingewikkeld bevonden en in de bijbelvertaling die nu in de maak is, is het woord 'ijdelheid’ kortweg vervangen door leegte. Foetsie ijdelheid. Het woord is nooit meer terug te halen. En hoe zit het met het woord onbevoegden? Moet dat ook weg? Ik bevond me onlangs in de hal van een nieuw appartementengebouw, waar de naambordjes en brievenbussen broederlijk naast elkaar hun best deden niet op te vallen. In de vier hoeken hielden camera’s mij in de gaten. Ik was daar in de hoedanigheid van bezoeker, maar ik begon te twijfelen aan mijn identiteit toen mijn oog viel op een bord met de tekst: 'Laat voor uw en onze veiligheid buitenstaanders niet binnen’. Hoe nu? Ik was ontegenzeglijk een buitenstaander, iemand die in geen der appartementen woning of verblijf hield. Ik kwam op bezoek. Wie en wat bedoelden ze met buitenstaander? Vroeger had je in dergelijke gevallen het bordje: verboden voor onbevoegden. Dat was veel gemakkelijker. In het geval dat je op heterdaad werd betrapt, kon je rustig stellen dat je bevoegd was bij die-of-die op bezoek te gaan. Of je kon er, in het geval dat zo'n bordje in een natuurgebied stond, zeker van zijn dat je geen bos- of veldwachter tegenkwam. Gebeurde dat onverhoopt tóch, dan kuierde je na een gemoedelijke berisping gewoon de andere kant op. Maar buitenstaander? Dat is iemand die geen kennis van zaken heeft, die niet hoort bij de kleine groep van ingewijden, op het schoolplein bijvoorbeeld, of bij de Geheime Club. Ik keek eens om me heen in de hal van het appartementengebouw. Er kon hier sprake zijn van geen der betekenissen. In principe was iedereen die niet woonde op deze plek een buitenstaander. En aan wie was het verzoek gericht? Moest ik worden geweerd voor hun veiligheid? Of moest ík anderen, die nu nog buiten stonden, weren? Of wilden zij iederéén van buiten weren? Het was verwarrend. Kon ik nog maar, als vroeger, onbevoegd wezen, dan stond ik sterk.