Van de straat

Ik loop er al jaren langs, elke dag minstens twee keer. De hond woont nu tien jaar bij me in en het ligt op zijn favoriete dagelijkse route. Ik loop er ook zonder hond wel eens langs. Het is niet dat je het niet meer opmerkt, integendeel, ik moet het elke keer zachtjes prevelen - als een gebed vóór je de hoge brug bestijgt en je daar het steeds wisselende licht ziet in het water, achter de grachtengevels. ‘Fijnstrijkerij van Buiten, Fijnstrijkerij van Buiten, Fijnstrijkerij van Buiten.’ Per jaar prevel ik het dus minstens driehonderdtwintig keer. Al meer dan tien jaar.

En? Helpt het? Ik zou niet weten waarvoor of waartegen, want zo'n soort gebed is het niet. Het is eerder een mantra in het Sanskriet, waarbij de klanken een grote rol spelen. De ij en de ui worden tegen elkaar uitgespeeld, drie ij’s tegen één ui - dat lijkt op overmacht, maar de ui komt van buiten en dan weet je in Amsterdam wat je tegenover je krijgt. Hetgeen meteen weer het volgende probleem opdringt: heette de fijnstrijker, of de familie van fijnstrijkers Buiten of Van Buiten? Het woord Fijnstrijkerij was in Couperus’ tijd een ingeburgerd woord, zoals koffie dat nog steeds is in ‘Koffie van Douwe Egberts’. Maar in het tweede geval zou het toch 'Fijnstrijkerij van Van Buiten’ moeten zijn, zoals de branders nog steeds trots hun 'Koffie van Van Nelle’ op de markt brengen? Laten we dus maar aannemen dat de man Buiten heette. Of dat hij als hij Van Buiten was genaamd, niet was schoolgegaan.
Strijkerijen bestaan niet meer, laat staan fijnstrijkerijen waar de afknoopbare boorden en manchetten extra aandacht kregen. Ook in dat geval zou de man zijn naam niet mee hebben, want boorden dienen van binnen én van buiten te worden gestreken, zorgvuldig met de punt van het zware ijzer waarin de kooltjes smeulen. Alleen van buiten strijken is een 'cache misère’. Daar zouden de dagmeisjes voor op hun vingers worden getikt.
De woorden van mijn 'Fijnstrijkerij van Buiten’ zijn bijna verbleekt door de eeuwen. Ze staan in een boogje boven de twee ramen van de bel-etage. De woorden uit Couperus’ tijd verbleken, lang nadat Van Buiten zijn klantenbestand van de Keizers- en Prinsengracht aan Palthe heeft overgedaan en zelf in het Gooi is gaan wonen.
Het pandje met de bleke letters staat op instorten. In al die jaren is er nooit een bord op getimmerd met 'Ook hier herstelt stadsherstel de stad’. Hier herstelt stadsherstel de stad - nog even - niet. Van Buiten en zijn erven zijn binnen.
Lang woonde er een jong meisje van het conservatorium dat dag in dag uit haar oefeningen op de viool deed. De laatste jaren is het er donker.
Er zal wel eens een koper opdagen. Die zal het laatste restje erotiek van sterke jongemeisjesarmen die dromend de overhemden van de jongens van de grachten strijken, van de gevel af bikken. Dan is daar dus iets hersteld.