Van de straat

Alles was helder en nu strooien de reclamejongens roet in het eten. Nooit een afdoende mededeling of een eenvoudige vraag - altijd moet er iets grappigs met de taal gebeuren, een kleine verdraaiing, een woordspelinkje, het beste rijmwoord op sauzen van Duyvis, ‘eens kijken of er elders een fuif is’. Eerlijk is eerlijk, Annie M.G. Schmidt had het niet beter gekund.

Maar de ministeries van dit land hebben reclamejongens in dienst die niet de dichtader hebben van de sauzenfabrikant of van onze geliefde Annie. De ministeries hebben gezegd: jongens, ÇÇn ding, dit is een serieuze zaak. Geen verrassende vondsten waar jullie zo dol op zijn, maar toch opvallend. Geen taalgebruik waarmee je de jongeren aantrekt en de ouderen afstoot of andersom, want onze doelgroep is †lle Nederlanders (‘Of moet je zeggen: Onze doelgroep zijn alle Nederlanders?’ 'Dat geeft niet, mevrouw Els. We hebben het begrepen: onze doelgroep is heel Nederland.’ 'Maar het gaat niet over inpoldering of dijkverzwaring of zo, hoor.’ 'We komen er wel uit, mevrouw Borst.’)
Ik stel me dan altijd voor hoe een 'hecht team’ van het reclamebureau gaat 'brainstormen’, op de squashbaan of aan de bar van een hotel op Cura‡ao - en thuiskomt met de tekst die z¢ moet, die niet anders k†n dan zo. Het lijkt me leuk werk.
Aan die definitieve tekst worden eisen gesteld, hij moet een schot in de roos zijn, de laatste treffer van de campagne die er weken aan vooraf is gegaan op radio en tv, toen in de dagbladen en als laatste, onontkoombare blikvanger het billboard langs de weg. Inmiddels heeft iedereen het formulier in de bus gehad waarop je wel of geen toestemming kan geven om donor te worden. Bij het formulier is een folder gevoegd, waarin antwoord wordt gegeven op de tien meest gestelde vragen. Vraag 7, 'Wanneer mag orgaandonatie plaatsvinden?’, is de enige van de tien vragen die ontwijkend wordt beantwoord. Het is de meest fatale vraag. 'Vaag daarover blijven, jongens, want het ligt niet zo helder.’ 'Ja, mevrouw Els.’ Gelukkig kun je voor 22 cent per minuut de Stichting Donorvoorlichting bellen.
Dat heb ik gedaan en het wachten is nu op twee andere folders, waarin vraag 7 uitgebreider wordt beantwoord. Zou dat ook zo'n heldere folder zijn met de tien diep nadenkende mannen en vrouwen, jong, oud, blank, zwart, die op de meest belangrijke vraag 'wanneer ben ik dood?’ met een kluitje in het riet worden gestuurd?
Hoe langer je die mensen op de grote billboarden langs de weg ziet nadenken, hoe intenser ze worden geconfronteerd met een eenvoudige, begrijpelijke vraag, niet te kinderachtig en niet te ziekenhuisachtig, hoe meer je beseft dat de vraag helemaal niet voldoet aan die eisen. 'Wordt u ja of nee donor?’ Hoe moet je die vraag beantwoorden? Ja, ik word een ja of nee donor? Of: Nee, ik word een ja of nee donor? Of wordt ermee bedoeld dat je een 'ja donor’ of een 'nee donor’ kunt worden? Is een 'nee dokter’ dan bijvoorbeeld de onafhankelijke arts die zegt dat je nog niet genoeg dood bent? Ik hoop het maar.