Van de straat

Mét het mooie weer tonen de mensen hun opgespaarde energie voor het buitengebeuren in de stad. Er komen overal particuliere planten en zitjes - zelfs de babybox wordt op de stoep gezet. Dit is nog maar het begin. Binnenkort barsten de festivals los.

De gemeente was ons dit keer een slag vóór in aanstellerij en lolligheid. Het was al aangekondigd in de krant, het was eerlijk gezegd al jaren aangekondigd in de krant: de gemeente zou het hondepoepprobleem ‘aanpakken’. Dit keer kwam het ervan: de wethouder installeerde de eerste 'hondenpaal’. Je gooit er een kwartje in en er komt een hardblauwe plastic zak en een hondekoekje uit. De honde-eigenaar doet de drol van de hond in het blauwe zakje en deponeert het geheel in een afvalbak. Tot zover alles in orde.
De tweede paal kwam op het mooiste plein van de stad, het Amstelveld. Wat bleek? De paal was niet een onopvallende automaat zoals de parkeermeter, maar een paal van bijna twee meter waarop een meer dan levensgrote Disney-loebas, in staal gefiguurzaagd, ons braaf toeriep: 'Wij houden de stad schoon.’ Wie wij? Alsof die hond het vuile werkje opknapte. Lollig, die hond. Het was bovendien zo'n domme hond! Het mooie Amstelveld beefde van schrik en verontwaardiging.
De bewoners protesteerden. De paal werd weggehaald, de poep wordt nu weer door de honde-eigenaren opgeruimd en er wordt weer leuk gevoetbald op het Amstelveld.
De vraag blijft: wat dénkt zo'n wethouder? Dat we debielen zijn? Dat we vooral lóllig benaderd moeten worden als het om onze verantwoordelijkheden gaat? Dat we allemaal even idolaat van Disneyland zijn als de Dienst Stadsmeubilair? Hebben ze het uitgescháterd toen de ambtenaar met de LOI-opleiding 'tekenen naar model’ met dit ontwerp kwam? Denken ze dat honde-eigenaren liever met zo'n hardblauwe strontzak over straat paraderen dan besmuikt met een smerig boterhamzakje, dat ze zo gauw mogelijk in een bak kwijt willen?
Het blijft raadselachtig hoe men daar denkt.
Neem dan mijn straat, waar de Stille Geheime Strijd opnieuw is losgebarsten. Het is niet helemaal duidelijk wie de vijand is in deze schermutseling, de overburen of de toevallige voorbijganger.
Het zit zo: Nederland is een bloemenland en als het even kan halen de mensen hun teilen en emmers van zolder om er vrolijke bloemen in te zetten, die ze dan vervolgens op hun stoep deponeren. Het is een fleurig gezicht. Maar in de nacht komen er dieven die de planten weghalen. Nu is het genoeg geweest, dacht de een en schreef met koeieletters op zijn deur: 'Ik wil mijn planten terug.’ De overbuurman liet dat niet op zich zitten. De volgende dag stond op zijn deur: 'Ik wil ook mijn planten terug.’ Door de plaatsing van het woordje 'ook’ leek hij het eerder tegen zijn overbuurman te hebben dan tegen de dief. De derde bewoner koos voor een alternatieve benadering: 'Laat het nou eens staan, joh.’ Wat een vriendelijk oorlogje, denk ik tevreden - geen winnaars.