Van de straat

Kort geleden heetten zij allochtonen en wij heetten autochtonen. Iedereen vond dat politiek correct. Even correct als dat zij in mindere buurten woonden, minder kans hadden op een diploma, een baan of een commissariaat. Aan de welgestelde kant van de lijn vindt men de onrechtvaardigheid van de wereld een godsgeschenk en aan de andere kant van de lijn denkt men zoals het uitkomt.

Het enige wat werkelijk correct was waren de woorden zelf. Wat een fraaie woorden: van andere grond en van dezelfde grond. Daar valt toch eigenlijk geen hiërarchie in te ontdekken. Maar een woord gaat mee zoals een bankbiljet beduimeld wordt. Na vele jaren wil men een ander biljet, een ander woord. ‘Wo Begriffe fehlen, da stellt ein Wort sich ein.’
Minderheden dus. Da capo. Er kleven twee grote bezwaren aan het woord minderheid. Ten eerste valt het niet te vervoegen, én het veronderstelt een meerderheid, wat in het geval van bevolkingsgroepen tot emancipatiedrift en ontevredenheid leidt. Zie de homo’s: eerst streden we als minderheid om onze afwijkende levenshouding te mogen botvieren en nu het eenmaal zo ver is en niemand ons meer een strobeeld in de weg legt, willen ze hetzelfde huisje-boompje-beestje als de meerderheid. Er bestaat, geloof ik, een natuurkundige wet daarvoor. Of juist niet? Groter water wil toch altijd naar kleiner water?
Ik heb nogal weinig verstand van wetten.
Een beetje aanpassen kan geen kwaad, leerde ik vroeger, Dus nu gaat het zo: op de hoek van het Mercatorplein en de Jan Evertsenstraat zag ik een gindsegrondse bakker met de naam Aladdin. Meerderheden zijn dol op gindsegrondse bakkers en slagers. Deze bakker bakte zijn brood ’s nachts bij het licht van de wonderlamp en dat liet hij op zijn gevel weten: wonderlijk verse broodjes. Dat men dus niet denke dat zijn andere brood niet vers was, dat was alleen gebakken toen de zon al aan de hemel gloorde en hij de lamp niet meer nodig had.
Een gindsegrondse slager was minder dichterlijk begaafd. Hij hield het het liefst zo kort en eenvoudig mogelijk. Hij heeft herhaaldelijk in het Amsterdams Stadsblad een heel kilo kipfilet in de aanbieding. Het is zoals dezelfdegrondse mensen op gindse gronden als Duitsland of Frankrijk iets bij de slager bestellen. Maar deze slager deed niet alleen zijn best ons te verzekeren dat we niet met een oplichter van doen hadden, hij ging nog een stap verder. Hij wilde ons behagen. Daarom was zijn kilo ook een mooie blanke kipfilet. Dat laatste roept connotaties op met Angelique of een andere mooie blanke slavin. Waarmee het sprookje van duizendenéénnacht weer rond is.
En ten slotte: in de hilarische speelfilm De blanke slavin van René Daalder en Rem Koolhaas (ja, dezelfde als onze OMA-architect, in zijn jonge jaren) staan Andrea Domburg en Rijk de Gooyer voor het dichte St. Hubertusslot op de Veluwe. Rijk de Gooyer bonst op de poort om binnengelaten te worden - het is een kwestie van minuten - en roept daarbij de onsterfelijke woorden: 'Doe open! Ik ben de beste vriend van Albert Schweizer!’ Ik spreek uit ervaring, met die woorden ben je overal welkom.