Van de straat

Ik stel me wel eens voor dat ik iemand anders was. Ik bedoel niet mijn hebbelijkheid om mezelf hardop vermanend, troostend of bewonderend toe te spreken. Dat heb ik me zo in de loop der jaren aangeleerd en mijn geliefde kijkt alleen nog op als ik kreten van ontzetting sla bij het zien van een openstaande keukendeur, een van de lijn gevallen handdoek of bij het horen van een ondraaglijk muziekstuk uit de radio. Zij denkt elke keer opnieuw dat Constantinopel gevallen is, totdat het natuurlijk een keer écht gebeurt.

Nee, ik bedoel dat ik denk dat ik een doortastende asielzoeker uit Istanbul ben en tevoren in eigen land zo goed en zo kwaad als het ging een land had uitgezocht waar ik de meeste kansen had, Nederland bijvoorbeeld. Ik heb van tevoren ook wat illegale Nederlandse spraakkunstboeken bestudeerd en ik kom het land binnen. Daar zie ik vanuit de trein voor Rotterdam met grote neonletters op een gebouw staan: ‘Alles van waarde is weerloos’.
Ik knik. Ik begrijp de zin en ik draag hem met me mee gedurende de eindeloze reeks van formaliteiten die ik jarenlang moet doorstaan. In Amsterdam lees ik eens op een muur: 'Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.’ Ik knik opnieuw en prijs mezelf en mijn nieuwe land gelukkig.
Maar nu beginnen de moeilijkheden. Andere moeilijkheden dan die met de autoriteiten. Ik ben een goede kleermaker en ik doe mijn best zo veel mogelijk te integreren in de Nederlandse samenleving. Dat lukt me goed, mijn zaakje bloeit, ik maak vrienden, ik heb heimwee maar dat probeer ik te gieten in gedichten, want dichter was ik ook in Istanbul. Ik vind Jacques Perk prachtig en ook de Mei van Gorter als een van mijn Nederlandse vrienden eruit voordraagt. Rutger Kopland is mijn favoriet, hoewel ik moeite heb zijn zinsbouw te begrijpen. Ik ben in een land van dichters terechtgekomen, dat was me van het begin af aan duidelijk.
Maar veel dingen blijven me vreemd. Een vriend nam me een keer mee naar Rotterdam. We staken in een kleine boot de Nieuwe Maas over en mijn hart brak bijna toen ik aan de Bosporus dacht. In mijn hoofd werd een Turks gedicht geboren. In restaurant New York gebruikten we de lunch. Fruits de mer, wat vruchten van de zee betekent. Het gedicht in mijn hoofd groeide.
Na afloop ging ik naar de toiletten.
Op de muur boven de trappen stond in meer dan levensgrote letters: 'De kroketten in het restaurant, zijn aan de kleine kant.’ Het waren woorden van C.B. Vaandrager. Ik dacht dat C.B. Vaandrager de burgemeester van Rotterdam was en vroeg me af waarom die zo onhoffelijk was het heerlijke restaurant te bekritiseren. Mijn vriend zei dat C.B. Vaandrager een dichter was, maar dat de meeste Nederlanders niet eens op die tekst letten. Mijn probleem bleef waarom een dichter dan zo openlijk kritiek zou leveren op het restaurant.
Op de terugweg in het bootje was mijn eigen gedicht uit mijn hoofd verdwenen. Ik moest nog zo veel leren.