Van de straat

Stel dat je een uitzendbureau binnenloopt met de woorden: ‘Hier ben ik.’ En je zou opsommen wat je allemaal kunt: schrijven, met Word werken, snel communiceren, de Nederlandse grammatica uitleggen, vloeiend Duits spreken, Engels en Frans redelijk, en Italiaans tot op zekere hoogte. Dat je van kennis en cultuur kaas hebt gegeten, over een rijbewijs en twee zwemdiploma’s beschikt en ervaring hebt opgedaan in zeer verschillende branches. Alles bij elkaar een toch niet geringe prestatie voor een mensenleven.

Dat zou volstrekt onvoldoende zijn.
‘Mevrouw, wat denkt u? Voor u staan er duizend anderen met betere papieren.’
Staand op de stoep voor het uitzendbureau zie ik lijn 25 voorbijkomen met de boodschap van hetzelfde uitzendbureau: 'We zoeken JOU!’ Ik erger me. Hoe weten de tekstschrijvers dat wij weten dat hun tekst onwaar is en hoe weten wij dat zij dat weten? Voorwaar, een taalfilosofische vraag. En waarom gebruiken de jongens van de Bahama’s toch altijd die tweede persoon enkelvoud als ze mij hun boter, kaas of eieren willen aansmeren? Voorwaar, een vraag naar hoffelijkheid.
Maar wat zal ik mij gelegen laten liggen aan ongewenste gemeenzaamheid. Daar komt immers al lijn 24 voorbij. De U-aanspreekvorm is nog niet helemaal verdwenen, blijkt uit de twee vragen die een ander bureau ons doet toekomen vanaf de tram: 'Heeft u al een jaar geen werk?’ staat er, en meteen daarop: 'Heeft u het al een jaar te druk?’
Dat is zo'n beetje de Nederlandse economie in een notedop. Als je op beide vragen met een volmondig 'ja’ kunt antwoorden ben je een gelukkig mens. Dan ben je in je flow, zoals we sinds een week weten. Tegelijkertijd geven de vragen de veranderde arbeidsomstandigheden weer. In 1900 had de baas niets te doen en de knechten het te druk. In het jaar 2000 is het andersom. Dat is omdat geld belangrijker is geworden dan rijkdom. Rijk is rijk, maar geld moet altijd meer geld worden.
Als ik de werkloosheidscijfers lees, dagdroom ik wel eens: waarom mogen we niet gezellig met z'n allen weer eens één, twee of drie bosplannen aanleggen rondom de grote steden? Ik meld me bij het arbeidsbureau vast aan als beheerster van de kinderboerderij, ik ben erg goed met ganzen. (Vergeten te zeggen bij het uitzendbureau dat MIJ zocht).
Is het de bedoeling dat je aan het peinzen slaat bij wervende teksten? Is het de bedoeling dat je wordt weggehoond als je op hun dwingende mededeling reageert?
Dan is er nog de buiten zwang geraakte functionele aanpak: 'Wij zoeken een telefoniste; kelner/serveerster; zalenzetter; beurstypiste.’
Eureka! Daar is de op mijn maat gesneden baan: zalenzetter! Dat kan ik. Daar heb ik in het onderwijs ervaring in opgedaan. Je hebt een zaaltje en de stoelen staan wat rommelig, of opgestapeld in een hoek. Die stoelen zet je in rechte rijen, of in hoefijzervorm, of in een trapezium zoals in de bioscoop, in een vierkant of in een driehoek, hoewel dat door drie personen niet op prijs wordt gesteld. Mooi vak, lijkt me, zalenzetter, veel variatie, veel dankbare zitters.