Van de straat

Er is ergens iets aan de hand waar ik vreselijk mee zit. Ik wil Martijn beschermen, ongeacht wat hij heeft uitgespookt.

Ik ken Martijn niet en hij kent mij niet, ik heb geen idee hoe oud hij is, ik weet niet hoe hij eruitziet, of hij plat praat, of hij mijn hulp nodig heeft dan wel heel goed zijn eigen boontjes kan doppen. Misschien is het wel een klier en treiteraar, die altijd de zwaksten pootje licht, een jongen die een draai om zijn oren verdient. Maar wat het ook is wat hij heeft gedaan, zijn straf heeft nu lang genoeg geduurd. Hij moet weer naar buiten durven gaan. Hij moet onbelemmerd zijn verdere leven kunnen leven.
Het is nu een kleine week dat ik van zijn bestaan weet en zijn lot ken. Dat gebeurde toen ik met een paar mensen na een etentje over de Prinsengracht naar huis liep. Het was een kille zomeravond, maar de mensen in die buurt bevolkten de terrassen of het te warm was om te gaan slapen. Alsof er een film werd opgenomen waarin de figuranten sterven van de kou, maar de opdracht hebben te doen alsof ze aan de hitte van hun huizen wilden ontsnappen. Het zag er levensecht uit.
Op de hoek van de Prinsengracht en de Egelantiersgracht stond half en half op de brug een karretje geparkeerd, zo'n ‘bakkie’ van Jacobse en Van Es, goed om wat huisraad, cement of fietsen in te vervoeren en ’s zomers de tent en de stoeltjes, de spelletjes voor de kinderen en het liefst oma. Dit 'bakkie’ droeg een driehoekige tent, blanco, zonder reclame of een adres. Het zat niet aan een auto vastgekoppeld, het stond er een tikkeltje onwettig, maar het was verder het anoniemste bakkie van de wereld.
Als er niet, in keurig blokletterhandschrift, op had gestaan: 'Ha, ha, die Martijn.’
Ha, ha, die Martijn. Wie in het voorbijgaan zo'n zin aan de openbare weg ziet, kent geen rust meer. Hier is iets gebeurd wat geen openbaarheid verdraagt, iets waarvan alleen de afzender(s) en Martijn weet hebben en waarmee alleen Martijn dag in dag uit wordt geconfronteerd. Als het 'bakkie’ aan een auto gekoppeld wordt, wordt zijn schande de hele stad, het hele land doorgereden. De schandpalen van de Middeleeuwen waren hierbij vergeleken een plaatselijk wiswasje.
Arme Martijn. Wat zou nu het ergste zijn? Dat een paar van zijn kornuiten wisten waar het op sloeg? Of dat iedereen die dat niet wist aan hem vroeg wat hij in hemelsnaam had gedaan? Of dat de meesten hem niet eens iets vróegen, maar volstonden met kijken, meewarig kijken: ha, ha, die Martijn.
Daarom wil ik even Martijn toespreken: 'Martijn, wat je hebt gedaan heb je gedaan. Kom je bed uit, doe de gordijnen open en wandel met opgeheven hoofd door de straat. Dat ze je zo te kakken zetten is alleen maar een teken dat ze het zelf graag hadden gedurfd, maar dan met een gunstiger afloop. Kop op, Martijn, jij redt het wel in het leven. Ik ben nu al op je gesteld geraakt.’