Van de straat

Mijn vaste gewoontes liggen dagelijks tussen half acht en negen uur in de ochtend. Ik ben bereid de hele verdere dag te improviseren waar het nodig is, maar die anderhalf uur liggen vast. Ik kijk dan bijvoorbeeld de televisiegids in. ‘Wat is een feel-good movie?’ vroeg ik laatst, want er zijn zoveel genres in de gids dat ik het niet altijd weet. Naast ‘thrillers’ heb je ‘misdaadthrillers’, naast ‘drama’ heb je ‘scheidingsdrama’ of ‘sportdrama’ of ‘amnesiedrama’ - nou ja, zo valt er heel wat te benoemen.

Zo gebeurde het dat wij op een weggegooide avond naar een feel-good movie keken, geen softporno dus, maar een film voor een gezellige avond met het hele gezin. De openingscène bestond uit twee tieners in een open auto, waarbij de een de ander een kogel door de kop joeg.
Ik wilde een discussie beginnen over de invloed van geweld op de televisie, maar dat ging niet want de televisie stond aan.
Inmiddels ben ikzelf ook de kluts kwijt geraakt. Zit de hele wereld nog steeds te wachten totdat de sociale wetenschap heeft aangetoond dat er een verband bestaat met het geweld op straat? En waartoe iets aantonen dat zo duidelijk zichtbaar is? Je wijst toch ook niet elke hondedrol op straat aan? Of elke aangebonden fiets zonder voorwiel? Of elke paraplu met een gebroken spaak? De wereld is een rommeltje en wetenschap die evidentie moet onderbouwen, is geen wetenschap.
Toch zat ik met die feel-good movie in m'n maag. Wat twintig jaar geleden nog een ‘schokkende opening’ zou hebben geheten, is nu ondergebracht bij het gezinsgeluk. Chips en nootjes binnen handbereik.
En zo kom ik vanzelf bij meneer Duyvis terecht. Meneer Duyvis is erg, erg rijk geworden omdat hij had bedacht dat mensen willen snoepen bij spanning. En dan niet zoet snoepen, want dat maakt dik, maar zout snoepen, alsof dat gezond is. Dus nootjes, pinda’s - en veel daarvan. Toen hij begon, stak er nog een dichter in hem: 'Ik ben meneer Duyvis/ en zie of er een fuif is.’ Een tien-plus voor het rijmwoord!
Maar nu hij zijn zaakjes rond heeft, laat hij het verder over aan de jongens van de Bahama’s. Die denken: die meneer Duyvis was eens een dichter, daar moeten we wat mee kunnen. En omdat de jongens van de Bahama’s weinig kaas hebben gegeten van poëzie, denken ze dat woordgrapjes daar ook onder vallen.
Dus zie je dankzij de vandaalbestendige billboards geen glassplinters en ingeslagen ruiten meer op de tramhalte, maar een fóto van een ingeslagen ruit, met de tekst: 'In geval van Noot. Eerste hulp bij lekkere trek’.
Meneer Duyvis bedoelt heus niet dat je dat billboard alsnóg moet inslaan om daarachter - hé, geen brandslang? - een televisiehapje te vinden, want die ingeslagen ruit is maar een foto. Meneer Duyvis 'tracht op poëtische wijze (…) de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking te brengen’. En waar in dit citaat van Lucebert de puntjes staan, heeft meneer Duyvis gedacht: 'eenvouds verlichte middelen’. En wat meneer Duyvis bedoelt, is: zinvol geweld.