Van de straat

Op enkele plaatsen in de stad is het verleden nog niet voorbij. Het zijn enclaves van trotse koppigheid. Een vastberadenheid tegen beter weten in. Het gemeenschappelijke kenmerk van dergelijke bedoeningen is dat de ramen er sinds jaren niet meer zijn gelapt.

Zo'n treurige zaak is de Billard Fabriek Wilhelmina. Alles eraan is al jaren geleden verleden tijd geworden: de spelling van het woord ‘billard’ dat zijn afkomst van het Franse bille (knikker) verraadt; de koninklijke naam Wilhelmina; het levensgrote wapen van hofleverancier boven de deur, zo'n wapen dat bij mijn weten alleen nog op de rode doosjes Haagse Hopjes staat; het verschoten laken in de etalage; de stoffige ramen; het glas-in-lood dat nog niet ten prooi is gevallen aan egaliseerlust. Een degelijke zaak, dat wel. Zou zo'n fabriek de biljartballen voor prins Willem-Alexander draaien? vroeg ik me af. Wie weet wel van de slagtanden van de olifanten die zijn grootvader doodgeschoten had voordat hij ze ging beschermen. Maar biljarten leek me geen koninklijke sport. Het roept eerder associaties op met de jaren vijftig, morsige cafés, opgestroopte hemdsmouwen, sigaren, te laat thuis voor het eten. Meer iets voor prins Hendrik eigenlijk, hoewel die in 1934 de keu al had laten staan. De Billard Fabriek Wilhelmina hield het ter zijner nagedachtenis vol, daar achter het glas-in-lood. Het komt natuurlijk door mijn gebrekkige kennis, maar ik heb niet veel met de biljartsport op. Het lijkt me net zo min iets met sport te maken hebben als het pijltjesgooien waar Nederland wereldkampioen in is geworden. 'Bij sport en spel geen alcohol’ stond er op ooghoogte in het Sportfondsenzwembad uit mijn jeugd, maar bij het biljartspel schijnt bier juist onontbeerlijk te zijn. Ik krijg ook niet de indruk dat het een voor hart en vaten gezonde sport is, maar als een kenner me van het tegendeel weet te overtuigen, leg ik me er bij voorbaat bij neer. Toch valt er een belangrijk pluspunt voor biljarten, vergeleken bij andere sportuitoefeningen, te noteren. Een vriend vertelde me eens dat hij, wilde hij even tot rust komen in zijn drukke bestaan, vaak de televisie aanzette bij biljartwedstrijden. Niet om ernaar te kijken, maar om de krant te kunnen lezen met het biljartcommentaar als achtergrond. Daar ging, zo verzekerde hij me, een heilzame, kalmerende invloed van uit. Het is waar. Elk geluid dat Studio Sport weet te produceren komt van zwaar overspannen stemmen die zich hijgend naar het hoogtepunt toewerken om telkens teleurgesteld voor het zingen de kerk uit te zijn. Nee, dan het biljartcommentaar: zacht geroezemoes op de achtergrond, een bijna-stilte waarin het droge tikken van de ballen valt, een omfloerste, donkere stem die ons geheimen toevertrouwt: 'Nu wil-ie de bal toch in de verre hoek leggen… hij aarzelt… nee… ja… hij neemt de tijd… wordt dat een driestoot?… hij is sterk nu… hij voelt zich sterk nu… al die concentratie op dat gezicht… die ene verre bal nu…’ Als je niets van de sport weet, is het als een warm bad na een hockeywedstrijd, ontspannen, tijdloos, hartverwarmend.