Van de straat

Op school hoeft ze niet de beste te zijn. Grammatica ligt haar niet, ze kan de dee, tee en deetee niet goed uit elkaar houden, gewoon omdat ze daar geen zin in heeft. Haar moeder noemt haar tegenover anderen dyslectisch. Kan haar wat bommen. Ze is immers een kei in het snoeihard slingeren van handballen, in aardrijkskunde, in cijferen en hoofdrekenen? Ze is een beetje brutaal en een tikje mollig, maar dat komt omdat haar moeder naar het anorectische neigt. Ze heeft elke twee jaar een nieuwe mountainbike. Later - nog zo ver weg - wil ze ‘iets’ met verre landen doen.

Dit alles is van geen belang. Wat telt is dat ze de baas is.
Op school dingen alle meisjes om haar aandacht, en de jongens - zo veel kleiner - lopen met een grote boog om haar heen. Kan haar wat bommen. Ze heeft geen hartsvriendin want het verdeel-en-heers zit in haar genen. Misschien is ze stiekem van binnen onzeker en eenzaam, maar dat interesseert ons niet.
De werkwoordsvorm van de gebiedende of vragende wijs is voor haar een raadsel en daarom omzeilt ze die gewoon als ze met krijt op de muur schrijft: ‘Hier de handstand’. Een uitroepteken is overbodig.
Het is een kaarsrechte, deftige straat waar ze woont en alle huizen hebben hetzelfde stukje muur, maar wat is er vanzelfsprekender dan dat er op háár muur 'gehandstand’ wordt? Het is stil in de straat, de scholen zijn weer begonnen, de vaders en moeders zijn naar hun werk. De muur wacht op de klok van vier, als de meisjes komen om op hem, en op hem alleen, de handstand te maken.
Laten we haar Tilly noemen, louter als werkhypothese en omdat er elders in de stad iemand Tilly op de tegels heeft gekrijt. Ja, Tilly is eigenlijk de enige naam die bij haar past. Als je het goed bekijkt is er eigenlijk geen andere naam denkbaar.
En omdat we nu toch met hypothesen werken, kunnen we ook een 'seizoenengod’ vooronderstellen die over alle steden van Nederland heerst. Hij heerst niet alleen over de seizoenen van de grote mensen: zomer, herfst, winter, lente, maar bepaalt ook de spelen van de kinderen. Noch in onze jeugd, noch in onze volwassenheid hebben we ooit kunnen vaststellen wanneer de seizoenengod het nodig vond dat er één bepaald spel en geen ander zou worden gespeeld. We gingen ’s ochtends de deur uit en het was zover: het was knikkeren geboden, of touwtje springen, of ballen, of krijten. Zelfs Tilly wist niet van wanneer en waarom toen ze 'Hier de handstand’ op haar muur krijtte. En de jongen wist niet waarom zijn liefde plotseling met krijt geschreven moest worden.
Het is krijttijd. De graffiti-school voor de allerjongsten. Op een kunstmatig heuveltje vier heel kleine mensjes in opperste harmonie te krijten. Ze gaan op in de kleurstelling, meer dan in de afbeelding. De wereld bestaat niet voor hen, de hemel boven hen is hun domein.
De seizoengod wrijft in zijn handen. Hij laat de herfst dit jaar iets eerder beginnen.