Van de straat

Ik heb niet kunnen bijbenen of de employability van de Nederlandse samenleving nu een succes is of niet. Wel valt het me steeds moeilijker een drogist te vinden of een rijwielhersteller of een groenteboer. De enige die het woord kruidenier nog gebruikt is Albert Heijn, die zichzelf aanprijst als ‘de grootste kruidenier van Nederland’. Heijn ‘let op de kleintjes’, zoals ook vroeger alle kruideniers dat deden, als het onsje nét geen onsje was, of als het papier werd meegewogen. Dat gebeurde alleen als de kinderen boodschappen deden, want ze letten op de kleintjes.

Krentenkakkers waren het, de drogist en de kruidenier. Gek genoeg was de schoenmaker dat niet. Die zat vrolijk op zijn krukje en timmerde de spijkers in de schoen onder het zingen van ‘Ollekebolleke’.
Maar nu de nieuwe tijd. Het is voor mij een van de grote raadselen van het bestaan waarom de drogist, de kruidenier en de kleermaker zo neerkeken op hun stiel dat ze de naam ervan hebben veranderd. Dat is vooral geheimzinnig omdat de slager en de bakker het níet hebben gedaan. De laatste categorie heeft het wel geprobeerd en ik zal nooit vergeten dat er in de Grote Houtstraat in Haarlem opeens een brood-o-theek verscheen. Ik lieg niet als ik zeg dat ik er met stomme verbazing naar keek. Leenden ze daar brood uit? Kon je het oude brood terugbrengen en om vers brood vragen? Dan zou het probleem van 'eerst het oude brood op’ uit de wereld zijn.
Om dat probleem de wereld uit te helpen heeft Rudy Kousbroek in zijn jeugd jarenlang geprobeerd zijn moeder duidelijk te maken dat je, als je één keer het oude brood weggooide, altíjd vers brood zou eten. Het mocht niet baten.
Maar de bakkers zijn teruggekomen van hun frivoliteiten. Hier en daar wil nog wel eens een croissanterie opduiken, maar de echte bakkers beschouwen haar als een kruimeltje binnen het beroep. Bakkers en slagers zijn familiebedrijven gebleven, ook al gaat de jongste zoon naar de Academie voor Kleinkunst.
De problematiek van het beroep leeft het sterkst bij de groenteboer. Die lijkt zijn draai nog steeds niet gevonden te hebben. Ik begrijp dat wel, aan alle beroepen met-boer kleeft iets minder deftigs, iets beneden de stand van stedelijke dames. Die gaan dan uit de hoogte tegen je doen, terwijl ze je pruimen beurs knijpen. De schillenboer is uit het straatbeeld verdwenen, hij heet nu biobak. En de melkboer bij mij in de straat heet melkinrichting. Maar zeg je thuis in het geniep van vier muren: 'Ik moet nog even naar de melkinrichting’?
De groenteboer, met zijn prachtige doosjes bramen, aalbessen en bosbessen, verdient het dat we met hem meedenken. In mijn omgeving had iemand al de groenterette gesignaleerd, wat ik persoonlijk teveel van het goede vind. De groentespecialist is neutraal maar overbodig. Waarom zou je er kopen als de man geen verstand had van groente en fruit?
Maar de erepenning gaat naar het piepkleine zaakje in de Binnen Bantammerstraat dat zichzelf Halle des légumes noemt. Weids! Groots! Parijs!