Van de straat

Je vraagt je af wat er van hen geworden is. LE:

Het seizoen is allang voorbij, regen waait door de straten en de bloemen van de zomertuinen staan er verlept bij. Zijn ze allang hoog en breed thuis? Hebben ze zich neergelegd bij het leven van alledag en eten ze de pot die wordt verschaft? Dromen ze zo nu en dan nog van die avontuurlijke plekken waar alles ritselde en geurde? Is alles hetzelfde als ervóór of is er grote verandering van omgeving en gezelschap? Kennen ze deze wereld?
Het waren er veel dit jaar. Hun namen - soms met foto - hingen aan de bomen en lantaarnpalen, bij de kassa van de supermarkt of op de prullenbakken aan de stoeprand. ‘Brom’ heetten ze, of 'Minet’ of 'Witje’, 'Pluis’ of 'Wynand’ en ze werden thuis allemaal erg gemist. Spoorloos waren ze alsof ze die ochtend gewoon de deur waren uitgegaan om een pakje katten- of hondensigaretten te kopen en nooit meer waren ze teruggekomen.
Wie heeft onze Wynand gezien? werd elke voorbijganger gevraagd. 'Hij is zwart met een wit befje. Hij draagt een vlooienbandje met een belletje. In de buurt van de Rustenburgerstraat.’
Of: Minet is zoek! 'Rood gestreept met witte pootjes. Ze mist een pootje. Heeft u haar gezien ergens rond de Plantage Muidergracht? Belt u ons snel?’
Of gewoon zakelijk: Brom is weg. Ierse setter. Tel…
Maar ook wanhopig: Wie brengt ons Karambool terug? 'Hij is zwart met bruine stippen. Hij luistert naar de naam poepje. Wij willen zonder hem niet meer…’ (waar de puntjes staan heeft de moeder van de kinderen ingegrepen; een hiërarchie moet er zijn; dieren komen tenslotte ook niet in de hemel).
En daar een familie met een geordende geest: Gezocht: Upsilon. Soort: Cyperse poes. Omgeving: Vondelpark. Bijzonderheden: knik in de staart. Familie: zeer verdrietig.
Ze zijn er in alle rangen en standen, in ieder formaat, van elke leeftijd. Ze hangen met hun snuiten in elk deel van de stad en hun foto’s zeggen je niets. Kiekjes als vroegere bidprentjes: onderbelicht, bewogen en slecht gekopieerd.
Maar ze zijn nog helemaal niet dood! Ze hadden de tijd van hun leven! Het was lente, en ze moesten op pad, want het geritsel in de struiken lonkte. Het geurde naar kamperfoelie en de maan was vol. Overal, overal waar ze keken was er de vrouw, de vrouw, de man, de man en alles, alles bewoog en sloop en besprong van pure lust.
Het is maar zo'n korte tijd van het jaar dat ze de mensen vergeten. Ze herinneren zich niet meer wie hen eten gaf, welke hand hen aaide, welke stem sprak. Vergeef hen.
En nu? Liggen ze nu bij de kachel terwijl hun foto nog in weer en wind aan de bomen en lantarens waait? Dromen ze van toen of zijn ze weer voor lange tijd tevreden?
Gevonden! staat er bij een foto op de kassa. We zijn blij voor de familie. Maar Brom, Minet, Upsilon, Wynand en Karambool genaamd 'Poepje’ schokken soms in hun slaap bij de herinnering aan die tijd. Zij kennen geen verdriet om ons verlies.