Van de straat

Een vriendin van mijn moeder heet Wil, tante Wil voor ons. Dit is heus waar.

Tante Wil heeft er lang over gedaan voordat ze haar man, voor ons oom Jan, het jawoord durfde geven. Zijn achternaam luidde Alles. Jan Alles kon nog, vond ze. Maar dan hield het op.
Ze heeft zich er vijfenveertig jaar kranig onder gehouden.
Het moet voor veel vrouwen een opluchting zijn geweest dat ze sinds kort hun eigen naam kunnen behouden bij een huwelijk. Het is toch al niet niks, eerst voorgoed een kerel in je bed en dan ook in veel gevallen een ondoenlijke achternaam om mee door het leven te gaan. Je moet maar het lef hebben om lief te hebben. Nu is dat allemaal in goede banen geleid. Vrouwen kunnen trots zijn op hun eigen naam.
Je ziet die trots het eerst terug in de betere beroepen. Daar durven de vrouwen zich eerder te laten aanspreken op hun eigen naam dan in de kringen rond bakker, kruidenier en slager. Heeft iemand al eens stil gestaan bij de vraag waarom de echtgenote van eurocommissaris Van den Broek in de media steevast wordt betiteld met mevrouw Josée van den Broek? Het is halfweg koningin, want die heet kortweg Beatrix. Verder kun je het niet schoppen.
Als je door de stad rijdt, zie je heel duidelijk het onderscheid in stand van namen. Zodra je tegenover het Rijksmuseum de brug over de Lijnbaansgracht over bent, richting binnenstad dus, kom je in de wereld van de vrije vrouwennamen. Het begint eerst nog lieflijk met een stelletje dat het restaurant Hans en Grietje bestiert, maar dan komen de antiquairs van Spiegelgracht en Spiegelstraat.
Let op! Als je eenmaal voorbij Rob Kattenburg en J. Polak bent gekomen, krijg je meteen de antiekzaken van Inez Stodel, Marjan Sterk en Ingeborg Ravesteijn langszij. Voordat je de straat uit bent heb je Marie-Louise Woltering, Elisabeth Bierens de Haan, Elisabeth Beder, Marij Kraak, en Wielke Fröhlich voor de mast gehad. Acht vrouwen en het is maar een heel kort straatje!
Behalve door flinke vrouwen is het beroep van antiquair aldaar slechts aangedurfd door één brutale aap, Bartje Bakker, één Griek, Christos Zotos en één jood, Benjamin Klein. De rest van de mannen hebben de gok alleen gewaagd als hun vriend mee deed: Van Dreven & Toebosch, Van Nie & Winnubst, Deegenaar & Co en Meulendijks & Schink. Het lijkt daar wel een samenscholing van vrouwen en homoseksuelen.
Sla je even een zijstraatje in, dan kom je her en der ook nog wat galeries tegen, maar die hebben allemaal een verzonnen naam waarmee ze wat bleekjes afsteken tegen de trotse vakgenoten van de Spiegelstraat.
Er blijven wat vragen hangen, daar in de Spiegelstraat. Zoals: wie is ermee begonnen, Elisabeth Bierens de Haan of Inez Stodel? En hoe komt het dat de namen zoveel chiquer klinken als ze allemaal bij elkaar staan? En hebben ze wellicht een Vereniging van Antiquairs uit de Spiegelstraat die ballotage voeren op eigennamen?
In dat geval komt de vriendin van mijn moeder, tante Wil Alles, ofschoon ijzersterk, niet in aanmerking.