Van de straat

We leven maar wat aan, rakelings scherend langs dingen waar we geen weet van hebben. In De Groene van 23 september schreef ik over een gevelsteen die een intrigerend raadsel bevatte: Hier werkte Mr. Dr. P.C. van Tienhoven voor de schoonheid van Nederland 1927-1953. Wat zou dat inhouden, vroeg ik me af, werken voor de schoonheid van Nederland? Het was moeilijk me er iets bij voor te stellen, maar ik kon er mee leven.

Mijn onnozelheid is inmiddels gecorrigeerd door twee lezers van De Groene uit Arnhem, die wel degelijk wisten wat mr. dr. P.C. van Tienhoven voor Nederland heeft betekend. Samen met Jacq. P. Thijsse richtte hij in 1905 de Nederlandse Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten op. Dat gebeurde naar aanleiding van het besluit van de gemeente Amsterdam om het Amsterdamse huisvuil in het Naardermeer te droppen. De vereniging kocht het Naardermeer aan en wist het te behouden.
Mr. dr. P.C. van Tienhoven heeft zich ingezet voor het Nationale Park Zuid Veluwezoom, de Imbos, de Onzalige Bossen, de Nederlandse Kastelen, de Hollandse Molen en nog meer. In de volksmond werd hij ‘vogelepietje’ genoemd.
Het aardige is dat er in Arnhem bij de Zypse Poort een standbeeld van hem door Johan van Zweden te zien is. Een oudere heer in wandelkostuum, met wandelstok en vogelkijker. Maar geen voorbijganger weet wie de bronzen figuur is aangezien een naambordje ontbreekt. Dat bordje moet er komen.
Je vraagt je af hoeveel mensen bij leven zo belangrijk zijn dat er een standbeeld aan hen wordt gewijd. En wat dat dan voor betekenis heeft. In Rome bijvoorbeeld kun je in bepaalde negentiende-eeuwse wijken geen hoek omslaan zonder geconfronteerd te worden met een buste van een fiere man, wiens naam je niets zegt. Stuk voor stuk houden ze voor een paar seconden je aandacht gevangen: waren het goede huisvaders, of ijdeltuiten, of bescheiden tactici, of blaaskaken? Hebben ze het riool aangelegd, een virus ontdekt, een stadspark behouden of de slag bij Piacenza gewonnen?
Die mensen in brons, hoe steviger vastgelegd, hoe meer voorbij ze lijken. Zijzelf. Hun daden blijven.
Alleen de allergrootsten ontkomen aan de nadruk op vergankelijkheid als hun beeltenis in brons is gevangen. Garibaldi op zijn steigerend paard bedreigt nog immer vanaf de Gianicolo de paus in het Vaticaan; Rembrandt staat nog altijd te schilderen, en Nelson, ach Horatio Nelson beheerst hemelhoog op Trafalgar Square de vier windstreken: 'England expects every man to do his duty.’
Maar de geschiedenis van stílle mannen staat op onverwachte hoeken en pleintjes in de steden waar het perkje dat hen omringt, is bezaaid met lege colablikjes en papieren zakjes. De honden worden aan het hekje vastgebonden. De kinderen zitten eromheen elkaar achterna. De mensen lopen er zonder op of om te kijken langs. Vanuit een bronzen dimensie staren ze star de eeuwigheid in, bevroren in de allerlaatste houding, de allerlaatste gezichtsuitdrukking. Ze doen niet meer mee, ze hebben hun plicht gedaan. Een naam is dan het minste wat hen toekomt.